Campus

Jasper van Kuijk: ‘Een jaar in het buitenland wrikt zekerheden los’

Design-onderzoeker, cabaretier en Volkskrant-columnist Jasper van Kuijk woonde een jaar op het Zweedse platteland. Nu is hij alweer even lang terug in Delft en vol twijfel.

Jasper van Kuijk: “Ik hoor op de universiteit soms: je bent wel scherp in je Volkskrant-columns.” (Foto’s uit privé-archief)

“Kun je hier nou wat mee? Het gesprek ging alle kanten op.” Laat Jasper van Kuijk vertellen over wat hem bezighoudt en het interview gaat zeker niet alleen over dat jaar met zijn gezin in Zweden, waarover deze zomer zijn boek Bonusland verscheen. De topsportmentaliteit aan de Nederlandse universiteiten, het welzijn van zijn studenten, de grenzen van internationalisering, zijn nieuwe cabaretvoorstelling Tot hier en niet verder en designpopulisme; het komt allemaal voorbij. Net als de twijfel die in zijn leven is geslopen. “Na een jaar in Zweden weet ik dingen minder zeker.”

Je boek Bonusland verscheen deze zomer, nadat je alweer een jaar terug was in Delft. Wat voor reacties krijg je?

“De leukste die ik hoorde, ging over plaatsvervangende heimwee. Mensen lijken te willen dat we teruggaan, zodat het verhaal verder gaat. Ik denk dat veel van hen stiekem zelf zoiets zouden willen doen.”

Wat heb je overgehouden aan dat jaar in Zweden?

“Een soort onderstroom van heimwee. Terug in Delft voelden we ons meteen ingesloten. Voorheen wisten we niet beter dan dat er altijd mensen om je heen zijn. Nu missen we de rust van het platteland. Ook is er een blijvende twijfel ontstaan over wat een goed leven is, hoe je dat inricht, wat je wil doen. Zo’n jaar in het buitenland wrikt zekerheden los.”

Hoe hangt dat samen met je nieuwe theatershow Tot hier en niet verder?

“Zweden is daarin onvermijdelijk. Mijn regisseur zei: ‘Die ervaring maakt jouw verhaal uniek en persoonlijk én biedt de kans om van buiten naar Nederland te kijken’. Het verhaal begint ermee dat ik nu een jaar terug ben uit Zweden, maar nog steeds niet alle dozen heb uitgepakt. Waarom eigenlijk niet?”

Kun je weer wennen aan Nederland?

“Nee. Veel TU-collega’s hebben net als ik een tijd in het buitenland gezeten of komen uit het buitenland. Zij zullen herkennen dat wat altijd gewoon was, in een andere context ineens niet meer gewoon is. Neem iets simpels als eten: in Zweden eten de mensen, kinderen op school, tussen de middag warm. ’s Avonds is er een broodmaaltijd. Dat geeft thuis zoveel rust, want een broodmaaltijd is veel simpeler.”

‘In Nederland heerst een enorme topsportmentaliteit’

Jullie kwamen middenin coronatijd terug in Nederland, vlak voor de tweede golf. Dat hielp de gewenning vast ook niet.

“Klopt. Het was best leuk om groepjes studenten online te coachen, maar zonder fysieke aanwezigheid op de campus kreeg ik een extra gevoel van onthechting. De hechting begint nu te komen.”

Hoe gaat het in jouw ogen met de studenten in Delft?

“We hadden tijdens de coronacrisis als sector wel iets harder voor onze studenten kunnen gaan staan. Waarom zetten we geen tenten neer, zodat ze konden samenkomen toen dat weer een beetje kon? Ze hebben hun vakken en punten gehaald, maar hoe voelden ze zich daarbij?
Ik zie mijn afstudeerders vastlopen. Ze hebben thuis moeten zitten met hun eigen project, nadat hun master ook al online was. We hebben steeds veel werk gemaakt van hun mentale welzijn, afstudeerders digitaal bij elkaar gezet, ze vlogjes laten maken, maar het was te eenzaam. Ik spreek mijn afstudeerders nu om de twee weken, soms om de week. Dat deed je vroeger niet. Maar het is nodig, anders zakt hun energie weg.”

Je schrijft in Bonusland over de waarde van de fika-cultuur (samen koffie drinken) in Zweden. Die was er ook op de universiteit van Karlstad waar je aan je aankomende boek over publiek begrip van ontwerpen mocht komen schrijven. Fika kun je ook in Delft introduceren, toch?

“Ik ben hier maar twee dagen in de week. Het nadeel van parttime werken is dat je de ‘sociale overhead’ vergeet, omdat je zo gericht bent op wat er af moet op die dagen. Fika werkte bij mij. Dan zat ik anderhalf, twee uur alleen in mijn kamertje te knallen, omdat ik wist: straks moet ik weer koffie drinken. Er ontstond een duidelijker scheiding tussen het sociale en de rust.
Nu deel ik in Delft een kamer met twee collega’s, maar voorheen zat ik in het Studiolab. Dat is een heel levendige plek, maar toch ook niet zo sociaal. Uiteindelijk zitten mensen er met oordoppen in en halen ze koffie wanneer zij dat willen.
De sfeer op Zweedse universiteiten is volgens mij ook gemoedelijker doordat het financieringsmodel anders is. In Nederland heerst een enorme topsportmentaliteit.”

Waarom is die mentaliteit erg en hoe komen we er vanaf?

“De universiteiten draaien op promovendi, postdocs en tenure trackers die met tijdelijke contracten, in verschillende landen en met veel onzekerheid hun werk moeten doen. En dat vanuit de illusie dat we zo het beste uit mensen halen en de beste mensen overhouden. Consultants deden werkten ook heel lang met zulke competitie en wat bleek? De meest lompe mensen bleven over, degenen zonder leven die vooral keken naar zichzelf.

Ik heb hét antwoord niet, maar kunnen we niet af van die grote onderzoeksbeurzen die steeds naar dezelfde mensen gaan? Deel ze op. Sommige vakgebieden kunnen met kleinere beurzen van bijvoorbeeld honderdduizend euro per jaar al heel veel doen.

Ook het systeem waarbij de financiering van universiteiten is gebaseerd op hun marktaandeel studenten helpt niet. De enige manier om als universiteit hetzelfde aandeel in de rijksfinanciering te houden is om meer internationale studenten te werven, omdat het aantal Nederlandse studenten  demografisch niet toeneemt. Iedereen weet dit en niemand kan eruit stappen. Dat is best verdrietig om te zien.”

‘Ik kan niet tegen designpopulisme’

Moet de universiteit minder internationale studenten aannemen, iets wat overigens niet zomaar kan?

“Hoe willen we zijn, wat willen we bereiken? Dat zijn interessante vragen. Je kunt de antwoorden ontwerpen, maar dan moet je er een gesprek over kunnen voeren zonder elkaar xenofobie te verwijten. Is groter altijd beter? Welke rol speelt taal? Nederland ziet Amerika graag als voorbeeld, maar wat ik mis in de discussie is dat internationale studenten de taal van Nederland als gastland niet spreken. We hebben als universiteit ook een regionale en nationale verantwoordelijkheid en internationals kunnen geen projecten doen waar Nederlands voor nodig is. Kun je het maken om bij bepaalde projecten te zeggen Dutch speaking required?

We moeten niet stoppen met internationaliseren. Dat is een verrijking en het is tof om andere kennis, perspectieven en achtergronden te zien. Je moet alleen niet van tafel schuiven in welke taal wij les geven. De vraag speelt of bacheloropleidingen Nederlandstalig moeten blijven. Is dat handig voor kinderen die niet zo’n goede taalbasis hebben, van wie het Nederlands al niet superstevig is? Hoe gaan we om met onze connectie met de maatschappij? Aan de andere kant, dat onze masters nu Engelstalig zijn heeft de instroom versterkt van internationale, Engelssprekende topcollega’s. Het zou gek zijn om die niet in een bachelor in te zetten. Daar moet toch een gesprek over kunnen plaatsvinden? Docenten hebben op praktijkniveau heel veel opgelost, dat op voorhand door het bestuur beter doordacht had kunnen zijn.”

Zoals wat bijvoorbeeld?

“Hebben bestuurders er over nagedacht wat dat betekent, een dubbele instroom? Twee keer per jaar komt er een nieuwe lichting masterstudenten binnen. Dat betekent dat een docent van zijn masterstudenten niet weet in welke volgorde zij hun vakken pakken. Als je het dan hebt over stressniveau. De staf krijgt het gevoel van ‘oké, dus wij mogen het weer oplossen’.”

Dat kun je toch aankaarten? Zoals nu.

“Ik weet niet hoe populair ik me daarmee maak. Ik hoor op de universiteit soms: je bent wel scherp in je Volkskrant-columns (over ontwerpfouten, red.), kun je niet wat meer voor je sector gaan staan? Nou, waar ik echt niet tegen kan, is als ontwerpers dingen als oplossing presenteren waarvan het overduidelijk is dat ze niet kunnen. Ik heb dat wel eens designpopulisme genoemd, omdat het bij het publiek de reactie oproept van ‘Zie je nou wel, waarom is dat er nog niet?’ Terwijl: het kan niet!
Neem Phonebloks, telefoons bestaande uit losse componentjes. Vanuit de Dutch Design Week kwam dat idee bij De Wereld Draait Door. Technisch kon het niet, maar het verhaal erbij was dat bedrijven het zouden tegenhouden. Daar houd ik niet zo van, dat is goedkoop. Phonebloks was in mijn ogen geen oplossing, maar kunst, want het project stelde goede vragen over de wegwerpmaatschappij.”

Je zit weer vol in het onderwijs, vol in het cabaret. Zijn jullie van plan om opnieuw te emigreren naar Zweden?

“Na een jaar in Zweden weet ik dingen minder zeker. Teruggaan sluit ik dus ook niet uit. Ik wil geen dingen wegduwen, laat de onzekerheid meer toe. De context bepaalt heel erg hoe je leeft. Voordat we naar Zweden gingen was ik vaak met mijn hoofd afwezig als ik thuis was. Mijn vrouw zei: ‘In Zweden was jij er helemaal’. En nu? Nee, niet helemaal, maar wel meer dan voorheen. Als je in een andere context hetzelfde wilt doen of laten, dan kost dat gewoon meer energie.”

Hoofdredacteur Saskia Bonger

Heb je een vraag of opmerking over dit artikel?

s.m.bonger@tudelft.nl

Comments are closed.