Opinie

[Column] Publiceren

Na mijn promotie in 1994 verruilde ik de Sterrewacht in Leiden voor het Harvard-Smithsonian Center for Astrophysics in Cambridge, MA, om als postdoc waarnemingen te doen aan de verdeling van moleculaire wolken in de Melkweg.

Het was een baan voor drie jaar. “Ik zou mijn koffer niet uitpakken”, zei mijn Leidse kamergenoot FPI die PT, de Harvard-professor voor wie ik zou gaan werken, goed kende, “want jij bent binnen twee weken weer terug.” Dat had niets met mijn kwaliteiten te maken, meer met mijn karakter en dat van PT, meende FPI. Uiteindelijk ben ik vier jaar gebleven.

Een postdoc op Harvard verdient heel weinig, want voor jou honderd anderen.


“Harvard staat goed op je cv, het is een investering in je toekomst”, werd mij letterlijk gezegd. Er was geen jaarlijks r&o-gesprek waarbij ik op vijf kerntaken en zes competenties werd beoordeeld, want Harvard huurt alleen the best and the brightest. Je maakt geen testrit in een Rolls-Royce. Ik kreeg geen target voor het aantal artikelen dat ik per jaar moest publiceren en er werd niet gesproken over de impact van tijdschriften.


Een week telt 7 dagen van 24 uur en ook nog een weekend. Je publiceerde vanzelfsprekend in het beste tijdschrift op je vakgebied, The Astrophysical Journal (de rest was chaff), en alleen als je iets zinnigs te melden had. Het grote artikel over mijn waarnemingen gedurende die vier jaar verscheen pas in 2001 – drie jaar nadat ik Harvard had verlaten. Wetenschappelijk onderzoek laat zich niet plooien in bureaucratische springvormen van jaarafspraken, KPI’s en targets. Veldwachters hebben een bonnenquotum, topvoetballers geen doelpuntentarget. Het bewuste ApJ-artikel telt 22 pagina’s en bevat een dubbelzijdige, uitvouwbare volkleurenplaat die vijf (niet genummerde) pagina’s beslaat. Met 614 citaties (dd. 4 juni 2012) is het een van mijn best geciteerde artikelen. Eén doelpunt in de finale is belangrijker dan zes doelpunten in een oefeninterland.


Vier jaar lang was ik verantwoordelijk voor 18 van de 24 uur die onze telescoop per dag in bedrijf was. Twaalf uur kwamen ten behoeve van the big project, de overige zes uur nam ik moleculaire wolken waar op hoge galactische breedte. In de ogen van PT was dat wetenschappelijk gezien chaff. Maar aangezien the big project er niet onder leed, mocht ik mijn gang gaan. PT was wel coauteur op de chaff-artikelen die ik in The Astrophysical Journal publiceerde, maar hij leverde pas input als het artikel helemaal af was.


Omdat hij áltijd commentaar had – een artikel van een postdoc kon in zijn ogen nu eenmaal niet perfect zijn – had ik opzettelijk wat kleine imperfecties aangebracht. Zoals een halfslachtige titel, want PT veranderde altijd de titel. Mijn artikelen bevatten dus lokaas om te voorkomen dat PT de meer belangrijke secties zou wijzigen. Een kwestie van een man met een hamer wat half ingeslagen spijkers aanbieden. Ik bofte nog. Mijn collega TD, die vele jaren eerder bij PT was gepromoveerd, vertelde dat hij hem zijn proefschrift gaf in de volle overtuiging dat hij alleen nog de kleur van de kaft hoefde te kiezen. Een week later vroeg PT hem: “Why don’t you write me an outline first?”


Dap Hartmann is astronoom. Hij werkt als onderzoeker bij de faculteit Techniek, Bestuur en Management.

Columnist Dap Hartmann

Heb je een vraag of opmerking over dit artikel?

l.hartmann@tudelft.nl

Comments are closed.