Opinie

[Column] Lezing

Ik mocht dit jaar de Anton Constandse-lezing geven. Een hele eer, want grote namen gingen mij voor. Zo werd de allereerste Constandse-lezing met als titel ‘Is onzin weerlegbaar?’ in 1987 uitgesproken door Joop Doorman.

Ook op de lijst staan Cees de Jager (‘Wetenschap tussen skepsis en sprookje’), Jaap van Heerden (‘De toekomst van cultuurpessimisme’) en Paul Cliteur (‘Het seculiere perspectief’). Wat deze sprekers gemeen hebben, is dat het grote denkers zijn (of waren, want Joop Doorman is helaas vorig jaar overleden – op zelfde dag als waarop Theo van Gogh in 2004 werd vermoord) en dat het hoogleraren zijn. In zo’n eminent gezelschap voel ik me wel thuis.

De Anton Constandse-lezing wordt ieder jaar georganiseerd door vrijdenkersvereniging De Vrije Gedachte. Sinds 2006 wordt de lezing gecombineerd met het uitroepen van de vrijdenker van het jaar. Dit jaar was dat August Hans den Boef. Er werden mij geen instructies verstrekt wat betreft de vorm of het onderwerp van de lezing. Alleen voor de lengte kreeg ik een richtlijn: ongeveer 45 minuten. Hoeveel woorden zijn dat eigenlijk? Ik besloot om eerst een mooi afgerond verhaal te componeren en dat, indien nodig, in te korten. Tien minuten hardop voordragen bleek 1400 woorden te zijn. De gehele tekst zou dus ongeveer 6300 woorden moeten bedragen. Na zorgvuldig schrappen hield ik 6325 woorden over.

De zaal in de Universiteit voor Humanistiek in Utrecht was goed gevuld, en mijn voordracht met als titel ‘De rijkdom der verbeelding’ werd uitstekend ontvangen. Met een simpele Google-zoekopdracht vindt u hem op het internet. Het gaat over de vrijheid van denken, spreken en handelen, en in het bijzonder over de relatie daartussen. Want denken leidt meestal tot spreken, en spreken leidt vaak tot handelen. De vraag is: hoever reiken die vrijheid van denken, spreken en handelen? Ook hield ik een pleidooi voor een onvoorwaardelijke vrijheid van meningsuiting. Ik weet liever wel wat iemand denkt dan dat ik het niet weet, omdat sommige meningen niet geuit mogen worden. Tot iemands gedachten hebben we vooralsnog geen directe toegang, anders dan dat hij of zij ons vrijwillig deelgenoot maakt van die gedachten. De onvoorwaardelijke vrijheid van meningsuiting is de eenvoudigste manier om aan de weet te komen wat iemand denkt.

Na afloop waren er wel wat vragen, maar er ontstonden geen echt interessante discussies. Mensen die op zo’n lezing afkomen zijn al gelijkgestemd dus het blijft een beetje preken voor eigen parochie. Ik heb heel interessante discussies gevoerd met streng gelovigen, juist omdat ik niet in een God geloof. Een Mormoon in Utah had enorm met me te doen omdat ik denk dat er na de dood niets is, en dat alle kennis die ik gedurende mijn leven heb vergaard verloren gaat. Dat was voor hem onacceptabel, en daarom geloofde hij in een hiernamaals. Heel ontroerend en net zo naïef als een kind dat al weet dat Sinterklaas niet bestaat maar het geloof nog even volhoudt voor de cadeautjes. Zo staat het ook in de Bijbel: ‘Het geloof nu is een vaste grond der dingen, die men hoopt, en een bewijs der zaken, die men niet ziet.’ (Hebreeën 11:1). Of, zoals Mark Twain het verwoordde: ‘Faith is believing what you know ain’t so.’

Dap Hartmann is astronoom. Hij werkt als onderzoeker bij de faculteit Techniek, Bestuur en Management.

Columnist Dap Hartmann

Heb je een vraag of opmerking over dit artikel?

l.hartmann@tudelft.nl

Comments are closed.