Opinie

Weg met de Delftse kennisparadox

De TU moest weer eens wat meer TH worden: een onderwijsinstelling die het ingenieurswerk centraal stelt in plaats van het zuivere wetenschapswerk en die zijn kennis ‘valoriseert’ .

te gelde maakt met bruikbare toepassingen. Dat stelt TU-hoogleraar Adriaan Beukers in een persoonlijk essay, dat zich laat lezen als een strijdbaar pamflet. Delta plaatst enkele passages.

Hoewel naar mijn mening het meeste onderzoek op de TU Delft het predikaat ’technisch wetenschappelijk ontwerpen’ verdient, vleien we ons gaarne tegen het begrip science aan. Deze opvatting wordt mede gepromoot door onze rectoren. Het etiket ‘science’ levert meer status op: die van de wetenschapper, in plaats van de vernufteling. Het eindproduct, een publicatie in een Engelstalig wetenschappelijk tijdschrift, levert ook het hoogste financiële rendement op, en daarmee veel plezier op de korte termijn. Een goed begeleid promotieonderzoek kost vier jaar en levert (in het geval van onze groep) gemiddeld zestig allocatiepunten op. Het valoriseren van een radicaal, nieuw ontwerp kost minstens tien jaar en wordt momenteel vrijwel niet financieel gehonoreerd.

Het is in het huidige Delftse onderzoeksprestatiemodel dan ook veel handiger om te investeren in publiceerbaar onderzoek. Of, nog handiger, in publicerende onderzoekers, terwijl we het onderwijs en het valoriseren van kennis overlaten aan de ‘liefhebbers’.

Daarnaast is groei van een leerstoel, groep of discipline vrijwel alleen mogelijk via onderzoek. En dan het liefst monodisciplinair onderzoek, want multidisciplinair onderzoek is moeilijk te verkopen aan NWO. Het resultaat is ernaar: het aantal ISI-publicaties en promoties is hoger dan ooit.

Het aantal gevaloriseerde, radicale innovaties staat daarmee in schril contrast. De Nederlandse kennisparadox, internationaal ‘koploper’ zijn met kennisontwikkeling, maar ‘hekkensluiter’ als het gaat om de valorisatie ervan, zou men met recht ook de ‘Delftse kennisparadox’ kunnen noemen. Dit is schrijnend, omdat we wat betreft cultuur, mensen en materieel nationaal en internationaal als geen andere universiteit zo goed zijn toegerust voor het valoriseren van kennis.

Desondanks blijf ik ervan overtuigd dat de TU Delft zich op termijn het beste internationaal kan onderscheiden door zich te profileren als engineering-universiteit, met een grote aantrekkingskracht voor studenten. Het verschil tussen de etiketten ‘science’ en ‘engineering’ wordt zeer kernachtig gekarakteriseerd in een definitie die wordt toegeschreven aan de beroemde ingenieur en fysicus Theodore Von Ka’rma’n: Scientists study the world as it is; engineers create the world that never has been.

Onze maatschappij heeft naast kennis een grote behoefte aan nieuwe kennisintensieve producten, processen en diensten. Want dan pas is er echt sprake van een kenniseconomie: als wetenschappelijke kennis wordt vertaald naar en gematerialiseerd in ‘dingen’. Dit zou een van de belangrijke Delftse missies moeten zijn.

In het Delftse onderwijs en onderzoek domineert het ontwerpen. Het ‘ontwerpen’ werft nog steeds de meeste studenten, en niet de slechtste. In een aantal unieke laboratoria is al veel interactie tussen fundamenteel technisch onderzoek, technisch ontwerpend onderzoek en technisch onderzoekend ontwerpen. Toch lijkt het ontwerpen als activiteit in Delft (en in Nederland) voor zijn beoefenaren de minste materiële toegevoegde waarde op te leveren.

Het is te makkelijk om het college van bestuur of het onderzoeksbeloningsstelsel daarvan de schuld te geven. Hogerop is er veel meer aan de hand. De vele, door de overheid gedicteerde, nationale initiatieven, met titels als ‘Nederland Kennisland’, ‘Wegen naar Innovatie’, ‘Smart Mix’ en ‘Transsectorale Innovatie’ beogen onze nationale kennisparadox weliswaar te doorbreken, maar dan wel op één manier: top-down. De dynamisering van de onderzoeks- en innovatieketen wordt opgehangen aan grote thema’s met voorvoegsels als ‘life’, ‘sustainable’, ‘science’, ‘artificial’, ‘smart’, ‘nano’, ‘super’, ‘self healing’ en ga zo maar door.

Daarentegen is er binnen de bronnen van eerste-, tweede- en derdegeldstroom nauwelijks groei of beweging te bespeuren richting de ontwikkeling van ’themavrije’ innovatieve producten, processen en diensten, ofwel van ‘dingen’. Toch zijn het juist die ‘dingen’, de bottom-up-innovaties, waarmee we kleine starters, studenten en ondernemers op weg kunnen helpen en waarin het Delftse multidisciplinaire ontwerpen en de studenten zo’n belangrijke schakel kunnen vormen, op de korte en vooral de lange termijn.

Om een continue stroom van hoogwaardige Delftse technostarters te genereren, zou er in Delft, los van de grote initiatieven, een permanente cultuur moeten ontstaan van ondernemen in en vanuit de ondernemende universiteit. Daarvoor moet er in het Delftse financieringsmodel ruimte gecreëerd worden met het doel om valorisatie, in het kielzog van onderwijs en onderzoek, te stimuleren, met name voor en door studenten.

De daaruit volgende impulsen zullen wat de overheid beoogt aanvullen. In plaats van groot en in aantal beperkt, zullen de Delftse impulsen en resultaten kleinschaliger, diverser, maar ook veel dynamischer zijn. Met andere woorden: naast de nationale regie kan een ‘Delftse regie’ de typische Delftse engineering-kennis en kennis in wording valoriseren tot hoogwaardige producten, processen en bedrijvigheid. Kleinschalig, zeer Delfts, en zeer belangrijk, veelal in onverwachte sectoren, die buiten iedere top-down-regie vallen. Het financieringsmodel kan daarin niet alleen helpen, maar bovenal een belangrijke stimulans betekenen. Het betaalt zich op termijn terug en zal studenten, ondernemers en onderzoekers erg aanspreken.

Dit is een geredigeerde passage uit het discussiestuk ‘Het Delftse ontwerpen als gezicht van engineering: gerevalideerd en gevaloriseerd’, dat Beukers heeft aangeboden aan het college van bestuur.

Prof.ir. Adriaan Beukers is hoogleraar luchtvaart- en ruimtevaarttechniek en houder van ruim vijftig patenten, voornamelijk gericht op de composiettechnologie. Deze zomer werd hij uitgeroepen tot ‘meest ondernemende wetenschapper’ van het land.

Hoewel naar mijn mening het meeste onderzoek op de TU Delft het predikaat ’technisch wetenschappelijk ontwerpen’ verdient, vleien we ons gaarne tegen het begrip science aan. Deze opvatting wordt mede gepromoot door onze rectoren. Het etiket ‘science’ levert meer status op: die van de wetenschapper, in plaats van de vernufteling. Het eindproduct, een publicatie in een Engelstalig wetenschappelijk tijdschrift, levert ook het hoogste financiële rendement op, en daarmee veel plezier op de korte termijn. Een goed begeleid promotieonderzoek kost vier jaar en levert (in het geval van onze groep) gemiddeld zestig allocatiepunten op. Het valoriseren van een radicaal, nieuw ontwerp kost minstens tien jaar en wordt momenteel vrijwel niet financieel gehonoreerd.

Het is in het huidige Delftse onderzoeksprestatiemodel dan ook veel handiger om te investeren in publiceerbaar onderzoek. Of, nog handiger, in publicerende onderzoekers, terwijl we het onderwijs en het valoriseren van kennis overlaten aan de ‘liefhebbers’.

Daarnaast is groei van een leerstoel, groep of discipline vrijwel alleen mogelijk via onderzoek. En dan het liefst monodisciplinair onderzoek, want multidisciplinair onderzoek is moeilijk te verkopen aan NWO. Het resultaat is ernaar: het aantal ISI-publicaties en promoties is hoger dan ooit.

Het aantal gevaloriseerde, radicale innovaties staat daarmee in schril contrast. De Nederlandse kennisparadox, internationaal ‘koploper’ zijn met kennisontwikkeling, maar ‘hekkensluiter’ als het gaat om de valorisatie ervan, zou men met recht ook de ‘Delftse kennisparadox’ kunnen noemen. Dit is schrijnend, omdat we wat betreft cultuur, mensen en materieel nationaal en internationaal als geen andere universiteit zo goed zijn toegerust voor het valoriseren van kennis.

Desondanks blijf ik ervan overtuigd dat de TU Delft zich op termijn het beste internationaal kan onderscheiden door zich te profileren als engineering-universiteit, met een grote aantrekkingskracht voor studenten. Het verschil tussen de etiketten ‘science’ en ‘engineering’ wordt zeer kernachtig gekarakteriseerd in een definitie die wordt toegeschreven aan de beroemde ingenieur en fysicus Theodore Von Ka’rma’n: Scientists study the world as it is; engineers create the world that never has been.

Onze maatschappij heeft naast kennis een grote behoefte aan nieuwe kennisintensieve producten, processen en diensten. Want dan pas is er echt sprake van een kenniseconomie: als wetenschappelijke kennis wordt vertaald naar en gematerialiseerd in ‘dingen’. Dit zou een van de belangrijke Delftse missies moeten zijn.

In het Delftse onderwijs en onderzoek domineert het ontwerpen. Het ‘ontwerpen’ werft nog steeds de meeste studenten, en niet de slechtste. In een aantal unieke laboratoria is al veel interactie tussen fundamenteel technisch onderzoek, technisch ontwerpend onderzoek en technisch onderzoekend ontwerpen. Toch lijkt het ontwerpen als activiteit in Delft (en in Nederland) voor zijn beoefenaren de minste materiële toegevoegde waarde op te leveren.

Het is te makkelijk om het college van bestuur of het onderzoeksbeloningsstelsel daarvan de schuld te geven. Hogerop is er veel meer aan de hand. De vele, door de overheid gedicteerde, nationale initiatieven, met titels als ‘Nederland Kennisland’, ‘Wegen naar Innovatie’, ‘Smart Mix’ en ‘Transsectorale Innovatie’ beogen onze nationale kennisparadox weliswaar te doorbreken, maar dan wel op één manier: top-down. De dynamisering van de onderzoeks- en innovatieketen wordt opgehangen aan grote thema’s met voorvoegsels als ‘life’, ‘sustainable’, ‘science’, ‘artificial’, ‘smart’, ‘nano’, ‘super’, ‘self healing’ en ga zo maar door.

Daarentegen is er binnen de bronnen van eerste-, tweede- en derdegeldstroom nauwelijks groei of beweging te bespeuren richting de ontwikkeling van ’themavrije’ innovatieve producten, processen en diensten, ofwel van ‘dingen’. Toch zijn het juist die ‘dingen’, de bottom-up-innovaties, waarmee we kleine starters, studenten en ondernemers op weg kunnen helpen en waarin het Delftse multidisciplinaire ontwerpen en de studenten zo’n belangrijke schakel kunnen vormen, op de korte en vooral de lange termijn.

Om een continue stroom van hoogwaardige Delftse technostarters te genereren, zou er in Delft, los van de grote initiatieven, een permanente cultuur moeten ontstaan van ondernemen in en vanuit de ondernemende universiteit. Daarvoor moet er in het Delftse financieringsmodel ruimte gecreëerd worden met het doel om valorisatie, in het kielzog van onderwijs en onderzoek, te stimuleren, met name voor en door studenten.

De daaruit volgende impulsen zullen wat de overheid beoogt aanvullen. In plaats van groot en in aantal beperkt, zullen de Delftse impulsen en resultaten kleinschaliger, diverser, maar ook veel dynamischer zijn. Met andere woorden: naast de nationale regie kan een ‘Delftse regie’ de typische Delftse engineering-kennis en kennis in wording valoriseren tot hoogwaardige producten, processen en bedrijvigheid. Kleinschalig, zeer Delfts, en zeer belangrijk, veelal in onverwachte sectoren, die buiten iedere top-down-regie vallen. Het financieringsmodel kan daarin niet alleen helpen, maar bovenal een belangrijke stimulans betekenen. Het betaalt zich op termijn terug en zal studenten, ondernemers en onderzoekers erg aanspreken.

Dit is een geredigeerde passage uit het discussiestuk ‘Het Delftse ontwerpen als gezicht van engineering: gerevalideerd en gevaloriseerd’, dat Beukers heeft aangeboden aan het college van bestuur.

Prof.ir. Adriaan Beukers is hoogleraar luchtvaart- en ruimtevaarttechniek en houder van ruim vijftig patenten, voornamelijk gericht op de composiettechnologie. Deze zomer werd hij uitgeroepen tot ‘meest ondernemende wetenschapper’ van het land.

Redacteur Redactie

Heb je een vraag of opmerking over dit artikel?

delta@tudelft.nl

Comments are closed.