Column: Jan van Neerven

Professoren

Columnist Jan van Neerven is opgetogen over de nieuwe genderbalans in het college van bestuur. Een mooi moment om in ieder geval voorlopig de pen neer te leggen, vindt hij. Zijn afscheidscolumn is een terugblik op een bijna afgesloten tijdperk.

Jan van Neerven zit op een bruggetje

(Foto: Sam Rentmeester)

De regen trok in schuine strepen langs de betonnen flanken van de Aula van een universiteit in het westen van het land. Het gebouw – een brutalistisch vlaggenschip uit de jaren zestig – stond er zwaar en onverzettelijk bij, meer statement dan uitnodiging. Een echte Nederlandse school: rauw beton, mannelijk.

Professor Roef Lammeding zat op zijn vaste plek in de Senaatszaal, net buiten de directe blik van de rector, maar dicht genoeg bij de uitgang om bij langdurige vergaderingen onopvallend naar het toilet te kunnen ontsnappen.

Rector De Kaecke (wiens naam zou voortleven in het woord ‘kaeckistocratie’, later vereenvoudigd tot ‘kakistocratie’) opende de vergadering. “U heeft ongetwijfeld kennisgenomen van de nieuwste cijfers. We staan ook nu weer … eh … onderaan.” Hij glimlachte. “We vinden dit geen constructieve bijdrage, het rapport is teleurstellend en onnodig. We erkennen dat er ruimte is voor enige verbetering. Deze problematiek heeft onze ongedeelde aandacht. We steken er al onze energie in. Als lerende universiteit moeten we vooraan beginnen. We zijn trots op ons ambitieuze Actieplan.”

In het plan stonden geen concrete acties, maar dat was juist de kracht ervan

In het plan stonden geen concrete acties, maar dat was juist de kracht ervan. Zo kon iedereen er zelf iets in projecteren.

“Vandaag zijn we benieuwd naar uw reflecties.” Hij keek uitnodigend de kring van hoogleraren rond. De meesten bladerden in hun stukken. Een enkeling bestudeerde aandachtig een denkbeeldige vlek op tafel. Iemand kuchte.

Lammeding had het rapport vluchtig gelezen – diagonaal gescand, zoals je doet met proefschriften van kandidaten die toch wel zouden slagen. Aan het Actieplan was hij niet toegekomen.

De rector doorbrak de stilte. “Ik wil benadrukken dat wij als College van Bestuur ons verantwoordelijk voelen voor een evenwichtige samenstelling van ons hooglerarencorps. Tegelijkertijd is het belangrijk te erkennen dat het overzicht niet in alle gevallen een volledig beeld geeft. Er wordt niet gecorrigeerd voor disciplines, internationale context… Sommige conclusies zijn… stevig.”

“Als ik mag”, zei professor Jold Ongerief, terwijl hij een bladzijde omdraaide, “wil ik toch beginnen met de methodologie. We worden hier vergeleken met instellingen met heel andere disciplines. Dat is appels met .. tsja … abstracte appels vergelijken. Als je corrigeert voor het feit dat wij vrijwel alleen maar harde bètavakken hebben, dan valt het denk ik allemaal best mee.” Er klonk tevreden gemompel. Methodologische kritiek was de veiligste vorm van verzet.

“We moeten dit heel zorgvuldig framen”, viel professor Knel Damstra hem bij, “we willen niet de indruk wekken dat we te weinig vrouwelijke hoogleraren hébben. We willen benadrukken dat we heel selectief zijn met het toekennen van zulke posities.” De rector knikte dankbaar. “Precies,” zei hij. “Daarom moeten we oppassen dat we ons niet op ranglijsten focussen. We willen geen symboolbeleid. We selecteren op kwaliteit. Dat is de kern van ons verhaal.”

Een paar anderen sloten zich daarbij aan. Iemand prees de aandacht voor “gerichte trainingen voor vrouwelijk talent”, iemand anders het feit dat er “goed geluisterd is bij het opstellen van het Actieplan”.

“En laten we niet vergeten,” merkte Ongerief op, “dat sommige vrouwen dit werk gewoon niet wíllen. De druk, de verantwoordelijkheid. Dat hoor ik vaak terug. Misschien is het ook een compliment: onze lat ligt hoog.”

Niemand kon hier echt tegen zijn, bedacht Lammeding

Professor Abe Paap, met zijn mediagenieke lab en zijn indrukwekkende netwerk in Den Haag, stak zijn hand op. “Ik wil graag beginnen met te zeggen”, zei hij langzaam, “dat ik het belangrijk vind dat we vooruitkijken. We kunnen lang discussiëren over hoe dat overzicht tot stand is gekomen, maar het ligt er nu eenmaal. En ja, ergens staat iemand laatste. Dat is statistiek.” Hij glimlachte naar de rector. “We moeten vooral zorgen dat we weer met één stem naar buiten treden. En dat we, in alle gesprekken hierover, blijven benadrukken dat kwaliteit bij ons altijd vooropstaat. Wij nemen niemand aan om de cijfers op te poetsen.” Zijn stem klonk bezonnen, zijn woorden redelijk. Niemand kon hier echt tegen zijn, bedacht Lammeding.

De nog jonge professor Eva Dumorbier waagde zich aan een nuance. “Misschien zou het helpen als we bij benoemingen iets bewuster bekijken wie we uitnodigen te solliciteren en wie we voor commissies vragen.” Ongerief glimlachte haar vriendelijk weg. “Maar daarmee suggereer je toch dat onze procedures niet deugen”, zei hij. “Ik zou heel voorzichtig zijn met die boodschap. Straks denken mensen nog dat onze vrouwelijke collega’s hier níet op kwaliteit zitten.”

“Dat zou pas onveilig zijn”, voegde Paap toe. Gelach. De zaal ontspande zichtbaar. Dat thema was alweer overgewaaid.

In zijn binnenzak voelde Lammeding het briefje dat hij had geschreven, met enkele punten die hij misschien zou kunnen maken. Maar hij voelde dat het moment voorbijgleed. Het venster waarin hij iets scherpers had kunnen zeggen, sloot zich geruisloos.

Hij dacht aan de jonge collega die aan een collega had verteld dat ze liever niet naar HR stapte “want dan ben ik hier klaar.” “Zou je daar niet eens iets van moeten zeggen?” had zijn vrouw die ochtend tijdens het scheren nog gevraagd. “Jij zit tenslotte in die Senaat.” Maar dat lag ingewikkeld, hij droeg ook verantwoordelijkheid voor zijn groep, zijn projecten, zijn mensen. Je krijgt meer voor elkaar als je ‘aan tafel blijft’, zoals dat heet.

“Dan stel ik voor”, zei de rector opgewekt, “dat we ons als Senaat uitspreken vóór het Actieplan, uiteraard met de nodige kanttekeningen voor de verdere uitwerking. Het programmateam van de universiteit maakt intussen een factsheet. Daarin wordt uitgelegd dat het lage percentage vrouwelijke hoogleraren samenhangt met de grote internationale concurrentie om vrouwelijk talent.”

De opluchting dat er geen echte discussie had plaatsgevonden, was bijna tastbaar

De opluchting dat er geen echte discussie had plaatsgevonden, was bijna tastbaar.

Na afloop van de vergadering kwam de rector even naar Lammeding toe. “Dank voor jullie steun,” zei hij. “Het is heel belangrijk dat de Senaat hier zo verantwoordelijk in meegaat. Dat straalt naar buiten uit. Zeker met die jaarlijkse… eh … overzichten.” Lammeding knikte. “Natuurlijk,” zei hij beleefd. “We dragen allemaal ons steentje bij.”

Op zijn bureau lag een mail van een jonge docent. Of hij misschien een laatste blik op de paper kon werpen. Lammeding keek even naar de telefoon, toen naar de deur, toen weer naar het scherm. Hij antwoordde dat het hem speet, dat hij het op dit moment erg druk had met commissiewerk en deadlines. Hij drukte op verzenden, leunde achterover en sloot zijn ogen. “Bijna Kerstmis”, dacht hij, en verheugde zich op de heerlijke reerug-gehaktballen die zijn vrouw dan altijd voor hem bereidde.

De vergadering had hem uitgeput. “Waar je je tegenwoordig al niet mee bezig moet houden”, verzuchtte hij. “Iemand zou eens een boek over deze universiteit moeten schrijven!”

Jan van Neerven is Antoni van Leeuwenhoekprofessor in de wiskunde aan het Delft Institute of Applied Mathematics (EWI), waar hij de sectie analyse leidt. Hij is auteur van meerdere boeken op zijn vakgebied en ontving van NWO een vidi- en vici-subsidie. Hij is lid van de Koninklijke Nederlandse Academie voor Wetenschappen en voorzitter van het Koninklijk Wiskundig Genootschap.

Dit was de laatste column van Jan van Neerven voor Delta.

Columnist Jan Van Neerven

Heb je een vraag of opmerking over dit artikel?

J.M.A.M.vanNeerven@tudelft.nl

Comments are closed.