Opinion

‘Beste Tim, we zijn geen pluimvee’

Delta-columnist Dap Hartmann en collegevoorzitter Tim van der Hagen schrijven elkaar iedere twee weken een openhartige brief over de toekomst van de universiteit, muziek en boeken. Hartmann gaat vaker ‘nee’ zeggen.

(Foto: Sam Rentmeester)

Beste Tim,


Het is inderdaad goed om te zien dat onze studenten politiek geëngageerd zijn, en in een volle Aula naar een debat tussen vier lijsttrekkers hebben gekeken. Maar het zou nog beter zijn als studenten actief deelnemen aan discussies en debatten om zo hun eigen mening te laten horen. Onze vier brieven zijn door vele duizenden mensen bekeken, maar hebben slechts twee reacties opgeleverd. De eerste klinkt nogal verward, maar de tweede is heel lovend. Deze ‘WBStudent’ vraag of er een debat in de Aula kan worden georganiseerd over het sterk groeiend aantal studenten.


Wil jij zo’n debat organiseren? Ik doe vanzelfsprekend graag mee. Deze problematiek heeft verschillende aspecten, dus ik zou mensen uit verschillende geledingen uitnodigen. De problemen zijn jou uiteraard allemaal bekend, maar ik memoreer ze hier toch even voor onze lezers: tekort aan huisvesting (woningen), te weinig collegezalen, gebrek aan studieplekken, overvolle roosters, afnemend aantal contacturen, onvoldoende docenten, te weinig afstudeerbegeleiders, overwerkte docenten, ontoereikende overheidsfinanciering. Waarschijnlijk mis ik er nog een paar.


Het 0e en -1ste uur


Gisteren kreeg ik het onderwijsrooster voor het aankomende academisch jaar. In de begeleidende e-mail stond: “Het 9e en 10e uur zijn officiële collegetijden en zullen we vanaf komend jaar structureel moeten inroosteren. Wanneer er voorkeur is voor deze uren, hoor ik het heel graag!” Wat nog ontbrak is een smiley-face achter die laatste opmerking. Ik denk dat de belangstelling enorm zal zijn om op vrijdagavond tot 19:30 college te mogen geven – jij ook? Omdat we van Karel Luyben vaker ‘nee’ moeten zeggen, verwacht ik dat docenten daar massaal gehoor aan zullen geven. Heel benieuwd hoe dat gaat vallen bij hun leidinggevenden en bij de roosteraars.


Begrijp me niet verkeerd, die roosteraars kunnen er natuurlijk niks aan doen. Die hebben de onmogelijke taak om een tsunami aan colleges te verdelen over veel te weinig en veel te druk bezette collegezalen. Gelukkig heeft een dag 24 uur, dus van hogerhand – ongetwijfeld mensen die zelf geen college geven en dat ook nog nooit hebben gedaan – zijn er aan het eind van iedere dag doodleuk twee college-uren aangepunnikt. Er is ook nog volop ruimte in de ochtend, dus vanaf volgend jaar verwacht ik een 0e en een -1ste uur in de onderwijsroosters. Fijn om 6:45 beginnen met je college. Probleem opgelost, toch? Nou, niet helemaal, want we moet sporthallen, bioscoopzalen en misschien wel circustenten huren om al die studenten een zitplaats te kunnen geven, want de bouw van het nieuwe onderwijsgebouw Pulse is hopeloos vertraagd.


Pluimvee


Ondertussen hoor ik verontrustende geluiden dat wetenschappelijk medewerkers wel erg grote kamers bezetten en dat de ‘horizontale verkeersoppervlakken’ veel ruimte in beslag nemen. Weer een echte Japke-d. Bouwma uitdrukking. Geoefende lezers herkennen dat dit management-speak is voor ‘gangen’. Er wordt door ernstig verwarde beleidsmakers serieus nagedacht over ‘kantoortuinen’ met tussenschotten, die we kennen uit Dilbert. Als het de bedoeling is dat de toch al overwerkte wetenschappelijke staf in nog grotere getalen overspannen raakt en opbrandt dan is zo’n cubicle-city een uitmuntend idee. Zo niet, dan vraag ik me af waar die managers in vredesnaam mee bezig zijn. We zijn geen pluimvee dat op een strikt gereguleerd aantal vierkante meters mag proberen te scharrelen!


Zoals je ziet, het zit me hoog en het raakt me diep. Ik spreek namens heel veel collega’s die daar net zo over denken, maar die geen tijd hebben om een brief aan de voorzitter van het college van bestuur te schrijven. Dus daarom doe ik dat, in het 13e en 14e uur van de laatste drie dagen van de week. Inderdaad, ik ben toch wel een uur of zes bezig met deze brief. Lange tijd dacht ik dat dit uitzonderlijk was, totdat ik las dat de onvolprezen Karel van het Reve een hele dag deed over het schrijven van een column. Zijn jaloersmakende, verraderlijk eenvoudige ogende, vlot geschreven columns zijn een genot om te lezen. Zó moet het, dat voel je meteen, en daar kan iedereen wat van leren. Zelfs na veertig jaar kostte het Karel een hele dag om een stukkie van 800 woorden te componeren.


Je noemde het NAT-lab. Dat leek mij, toen ik nog student was, de ideale omgeving om te werken als je niet in de academische wereld bleef maar ‘de grote boze buitenwereld’ in werd gestuurd. NAT-lab is natuurlijk legendarisch, niet alleen vanwege alle innovaties die daar zijn ontwikkeld, maar vooral ook dankzij de grote Hendrik Casimir die er van 1942 tot 1972 werkzaam was. Zijn weergaloze boek ‘Het toeval van de werkelijkheid’ zou verplichte kost moeten zijn voor iedere student, vind je ook niet? Hopelijk schrijft Leo Kouwenhoven ooit zo’n soort boek over QuTech.


Draagvlak voor de wetenschap


Dat brengt me bij de hoofdvraag uit jouw vorige brief: hoe creëren we weer een breed draagvlak voor de wetenschap en hoe bestrijden we de steeds vaker gehoorde misvatting dat wetenschap ‘ook maar een mening’ is? Ik denk dat we daar in eerste instantie een daadkrachtig Studium Generale voor nodig hebben dat zijn missie over een andere boeg gooit dan de zwalkende koers die nu wordt gevaren. Geen tenenkrommende lezingen meer door UFO gekkies, geen platform bieden aan 9/11 complotdenkers, geen zweverige malloten uitnodigen die wetenschap en spiritualiteit integreren via de quantummechanica, en geen quatschverkopers aan het woord laten over transhumanisme met stuitende antisemitische trekjes. Die wanstaltige vertoningen doen afbreuk aan de uitstekende reputatie van de TU Delft en zijn koren op de molen van de idioten die beweren dat wetenschap ‘ook maar een mening’ is.


We moeten ons spiegelen aan de Paradiso-lezingen, de KNAW symposia en aan de prachtige voordrachten die Leo Kouwenhoven door het hele land geeft. Het was altijd al een groot genoegen om het belang en de schoonheid van de wetenschap onder de aandacht van een breed publiek te brengen, maar helaas is het op dit moment ook een keiharde noodzaak. Laten we daar dus nog meer energie in steken. Ik stel voor dat we TU wetenschappers stimuleren om ten minste één keer per jaar een presentatie te geven voor een lekenpubliek. Misschien moeten we ons vooral richten op middelbare scholen, om daar de zaadjes van gezond verstand te planten. Op het vwo is het tevens een nuttige wervingscampagne voor de TU Delft (Ja, ja, nóg meer studenten, hoor ik je denken). Dus laat Peter Rem een mooi verhaal houden over recycling, laat Cees Dekker uitleggen hoe je met stukjes DNA nanostructuren kunt bouwen, en laat Heike Valery vertellen over nuttige toepassingen van gyroscopen. Misschien overtuig je zo ook meer meisjes om een technische studie te kiezen, want aansprekende rolmodellen zijn daarvoor essentieel.


Opiniepagina’s


Moedig onze wetenschappers ook aan om zich op de opiniepagina’s van landelijke kranten te manifesteren. Dat heeft vaak een domino-effect, zoals ik zelf een paar keer heb mogen ondervinden. Ik schreef ooit een pleidooi om computers te weren uit het basisonderwijs, en werd prompt uitgenodigd om in het radioprogramma Spijkers met Koppen te debatteren met iemand die het daar volstrekt mee oneens was. Deze man was nogal handtastelijk – niet op een onvriendelijke manier, maar je kent die types wel, die voortdurend aan je zitten te frunniken. Dit ontlokte aan Dolf Jansen de onsterfelijke uitspraak “Wilt u van meneer Hartmann afblijven?” Onlangs vroeg de hoofdredacteur van De Ingenieur, die bezig was met een artikel voor de Volkskrant over de Search for Extra-Terrestrial Intelligence (SETI) en Messaging to Extra-Terrestrial Intelligence (METI), mijn mening over de uitspraak van John Gertz dat we geen (radio)boodschappen de ruimte in moeten sturen vanwege het risico dat kwaadwillende aliens ons komen vernietigen. Dat was voor EenVandaag weer aanleiding om me een uur lang te interviewen. Op het moment dat ik dit schrijf, is het nog niet uitgezonden, maar ik schat dat daar uiteindelijk 60 seconden van worden gebruikt, want zo gaan die dingen.


Misschien mogen we ooit nog beleven dat wetenschappers in de media ook eens iets mogen vertellen over andere zaken dan uitsluitend hun eigen vakgebied. Acteurs, schrijvers, schaatsers, muzikanten, journalisten, deejays, presentatoren, cabaretiers en politici wordt voortdurend naar hun mening gevraagd over de meest uiteenlopende zaken. Want het schijnt leuk en onderhoudend te zijn als BN’ers hun doorgaans onbeduidende meninkjes ventileren. “Zeg, Erben, wat dacht jij toen je hoorde dat de Large Hadron Collider het bestaan van het Higgs boson heeft aangetoond?” Waarom vragen ze niet aan Leo Kouwenhoven wat hij dacht toen Sven Kramer tijdens de Olympische Spelen in Vancouver op 10 kilometer vergat van baan te wisselen?” De regel is: je moet éérst BN’er worden, daarna maakt het niet meer uit wat je zegt en of je daar wel geen verstand van hebt.


Wijze raad van Karel Luyben


Leuk om te horen dat je (Gerard) Reve-fan bent. Dat ben ik ook, vooral van zijn vroege werk zoals ‘De avonden’, ‘Op weg naar het einde’, en het sublieme, door jou genoemde, ‘Nader tot u’. Minder enthousiast ben ik over zijn expliciete homoseksuele boeken. Op een gegeven ogenblik heb ik het wel gehad met dat eeuwige derde been, of scenes waarin hij zich achter de voordeur staat af te rukken op een minderjarige jongen die hij door het raampje bespiedt. Zijn brievenboeken daarentegen, zijn wel weer een genot om te lezen omdat ze bijzonder humoristisch en verfijnd stilistisch zijn. ‘Brieven van een aardappeleter’ is ronduit hilarisch. Van ‘de grote drie’ bewonder ik W.F. Hermans het meest, vooral zijn vlijmscherpe polemiek. Van ‘Mandarijnen op Zwavelzuur’ (1955) tot en met ‘Malle Hugo’ (1994) – ik heb het allemaal verslonden. En ik zou het allemaal opnieuw willen lezen, maar waar haal ik de tijd vandaan? Die schamele 8.591 bladzijden van vorig jaar zijn inderdaad voor verbetering vatbaar. Het is een gevolg van te weinig tijd en te langzaam lezen. Dat laatste wijt ik aan mijn natuurwetenschappelijke opleiding waarin je heel secuur en dus heel langzaam moet lezen. Want ik hoef jou natuurlijk niet te vertellen dat x iets heel anders is dan x ̇ of x ̈. Toen ik boeken over innovatie en ondernemerschap ging lezen, ontdekte ik tot mijn verbazing dat alles wel een keer of drie wordt verteld. Het is in dat vakgebied blijkbaar gebruikelijk om heel snel te lezen, en op die manier pik je de boodschap hopelijk één keer op. Maar ik lees hem dus drie keer. Hopelijk haal ik dit jaar de 10 duizend bladzijden. Om dat te bereiken, zal ik de wijze raad van Karel Luyben opvolgen, en vaker ‘nee’ zeggen tegen werkzaamheden die dit streven in de weg staan. Maar ik blijf wel gewoon brieven en columns schrijven.


Hartelijke groet,


Dap


Lees de hele briefwisseling terug, in volgorde van verschijnen:


‘Beste Tim, hoe wil je al je doelen gaan halen?’

‘Beste Dap, we willen toch excelleren?’

‘Beste Tim, wat ga je doen aan werkdruk?’

‘Beste Dap, cultuur moeten we allemaal veranderen’

‘Beste Tim, we zijn geen pluimvee’

‘Beste Dap, ik hoor het liefst de meningen van experts’

‘Beste Tim, onderwijs is net zo belangrijk als onderzoek’

‘Beste Dap, ik kan je uithaal niet plaatsen’

‘Beste Tim, laat mij rector worden’

‘Beste Dap, succes moet je vieren’

Columnist Dap Hartmann

Do you have a question or comment about this article?

l.hartmann@tudelft.nl

Comments are closed.