Opinie

Studenten willen geen top-down universiteit

Nog een paar weken en minister Ritzen moet zijn hervorming van het universitaire bestuur door het parlement slepen. Gisteren deed de universiteitsraad van de TU Delft een poging om wat zaken op een rijtje te zetten.

Een bestuurslid van de VSSD stelt hier dat verschillen van inzicht vaak draaien om de vraag of de student als consument genoeg recht wordt gedaan. Als men tenminste dieper gaat dan zaken als ‘draagvlak’ en ‘vertegenwoordiging’. ,,Maar het onderwijsaanbod is geen produkt uit de supermarkt.”

Laat studenten vooral dàt gaan doen waar ze goed in zijn – studeren. Dat ze zich vooral niet teveel moesten bemoeien met het beleid van de instelling werd de studenten duidelijk toen zij eind deze zomer terug kwamen van een (welverdiende) vakantie. Voortaan moesten zij zich van de minister maar schikken in een consumerende rol, die door een kleine uitbreiding van het klachtenrecht goed gestalte zou krijgen. Dat hij hierin niet alleen staat bleek tijdens het onlangs gehouden congres ‘Kwaliteit, bestuurskracht en verzelfstandiging’.

Onder meer werkgeversvoorzitter Rinnooy Kan zag de relatief comfortabele consumentenstatus voor studenten wel zitten. En ook oud-staatssecretaris en rector-magnificus Cohen kreeg rooie wangetjes bij de gedachte aan een top-down total-quality gemanagede universiteitscompany.

Bij de VSSD zijn wij van mening dat dit weinig recht doet aan de capaciteiten van de beleidsvormers-uit-de-collegebanken. Niet voor niets werd in 1987 in Delft voor het eerst de Méér-dan-Konsumenten-gids uitgebracht.
Referentiekader?

Te vaak wordt gedacht dat het onderwijsaanbod is te vergelijken met een produkt uit de supermarkt. Om een goede werking van het consument-producent-mechanisme te bewerkstelligen moet echter aan voorwaarden worden voldaan die een universiteit nooit zal kunnen bieden. Een marktmechanisme kan, als aan bepaalde randvoorwaarden wordt voldaan, effectief corrigerend werken. Daarbij wordt er echter onder meer van uitgegaan dat studenten een referentiekader hebben. Door verschillende opleidingen met elkaar te vergelijken, en de voorkeur te geven aan de één boven de ander zouden zij een signaal afgeven naar de instellingen.

Studenten hebben vaak echter geen referentiekader. Het overgrote deel van hen kiest nog steeds de instelling die het dichtst bij de ouderlijke woonplaats ligt. Verder zal elke student beamen dat de voorlichtingsdagen niet echt een duidelijk beeld geven van de sterktes en zwaktes van de opleiding.

Eenmaal bij de universiteit ingeschreven kunnen studenten echter door hun klachtenrecht aangeven wanneer hen onrecht gedaan wordt. Verder zouden gegevens als slaagpercentages en summiere evaluatie-resultaten de signaalwerking van de student moeten versterken. Als simpelweg gekeken wordt naar het aantal studentendat een beroepszaak aanspant tegen de faculteit of universiteit kan worden geconcludeerd dat het studenten op dat gebied aan initiatief en durf ontbreekt. Immers, iemand die na één jaar studie achterloopt bij zijn studiegenoten door nalatigheid van de instelling zal toch nog vaak de schuld bij zichzelf zoeken. Om een docent, de keizer van de collegezaal, te vertellen dat hij zijn werk niet goed doet, ligt in dezelfde lijn als in een goed gereformeerd dorp de dominee tegenspreken.
Scenario

Op het bovengenoemde congres raadde dr. M. van Twist (Technische Bestuurskunde en sinds kort lid van de universiteitsraad) de minister reeds aan ook eens aan een worst case scenario te denken. Als achteraf blijkt dat de passief consumerende student minder goed functioneert dan zijn alter-ego in de supermarkt bij de wasmiddelen, wat kan er dan allemaal fout gaan? Deze vraag wint nog aan gewicht als de afhankelijkheid van de student met betrekking tot de opleiding in ogenschouw wordt genomen. Een slecht diploma leidt immers tot veel grotere schade dan een paar gaten in het wasgoed.

Velen zouden hierop kunnen antwoorden dat er een college van bestuur is als controlerend orgaan, en dat een externe visitatiecommissie eens in de vijf jaar vaststelt of de instelling nog voldoet aan de externe eisen. Wat betreft de visitatiecommissie zou hier wat voor te zeggen zijn. Wat worden echter de criteria voor het college van bestuur? Goede slaagpercentages betekenen niet per se een goede opleiding, en evaluatiegegevens zijn heel vaak voor meerdere uitleg vatbaar. De mogelijkheid bestaat dat een cvb het al druk genoeg heeft met andere zaken en niet bereikbaar blijkt voor studenten. Toch hoeft men geen apocalyptische instelling te hebben om deze situatie tot de mogelijkheden te rekenen. Immers van de ‘passieve’ student wordt toch maar verwacht dat hij een heel kritische en actieve consument is.
Affiniteit

Ik ben van mening dat een nieuwe structuur zeker geen overbodige luxe is. Echter door de student als een soort rotte plek uit de bestuursapppel weg te snijden wordt het probleem niet opgelost. De gedachte om de universiteit om te bouwen tot een top-down McKinsey-gestructureerd bedrijf beangstigt mij, en met mij vele studenten. Het lijkt alsof men in Den Haag niet beseft dat ik, als student, een zekere affiniteit heb met de TU Delft. Als student heb ik de kans gehad zeer recent te ondervinden wat onderwezen worden inhoudt. Graag wil ik die toegevoegde waarde met het bestuur delen en zodoende ook de generaties na mij verzekeren van een goede opleiding.

Anders maar hopen dat de Méér-dan-Konsumenten-gids ook door de toekomstige universiteits-president-directeur gelezen wordt.

Nog een paar weken en minister Ritzen moet zijn hervorming van het universitaire bestuur door het parlement slepen. Gisteren deed de universiteitsraad van de TU Delft een poging om wat zaken op een rijtje te zetten. Een bestuurslid van de VSSD stelt hier dat verschillen van inzicht vaak draaien om de vraag of de student als consument genoeg recht wordt gedaan. Als men tenminste dieper gaat dan zaken als ‘draagvlak’ en ‘vertegenwoordiging’. ,,Maar het onderwijsaanbod is geen produkt uit de supermarkt.”

Laat studenten vooral dàt gaan doen waar ze goed in zijn – studeren. Dat ze zich vooral niet teveel moesten bemoeien met het beleid van de instelling werd de studenten duidelijk toen zij eind deze zomer terug kwamen van een (welverdiende) vakantie. Voortaan moesten zij zich van de minister maar schikken in een consumerende rol, die door een kleine uitbreiding van het klachtenrecht goed gestalte zou krijgen. Dat hij hierin niet alleen staat bleek tijdens het onlangs gehouden congres ‘Kwaliteit, bestuurskracht en verzelfstandiging’.

Onder meer werkgeversvoorzitter Rinnooy Kan zag de relatief comfortabele consumentenstatus voor studenten wel zitten. En ook oud-staatssecretaris en rector-magnificus Cohen kreeg rooie wangetjes bij de gedachte aan een top-down total-quality gemanagede universiteitscompany.

Bij de VSSD zijn wij van mening dat dit weinig recht doet aan de capaciteiten van de beleidsvormers-uit-de-collegebanken. Niet voor niets werd in 1987 in Delft voor het eerst de Méér-dan-Konsumenten-gids uitgebracht.
Referentiekader?

Te vaak wordt gedacht dat het onderwijsaanbod is te vergelijken met een produkt uit de supermarkt. Om een goede werking van het consument-producent-mechanisme te bewerkstelligen moet echter aan voorwaarden worden voldaan die een universiteit nooit zal kunnen bieden. Een marktmechanisme kan, als aan bepaalde randvoorwaarden wordt voldaan, effectief corrigerend werken. Daarbij wordt er echter onder meer van uitgegaan dat studenten een referentiekader hebben. Door verschillende opleidingen met elkaar te vergelijken, en de voorkeur te geven aan de één boven de ander zouden zij een signaal afgeven naar de instellingen.

Studenten hebben vaak echter geen referentiekader. Het overgrote deel van hen kiest nog steeds de instelling die het dichtst bij de ouderlijke woonplaats ligt. Verder zal elke student beamen dat de voorlichtingsdagen niet echt een duidelijk beeld geven van de sterktes en zwaktes van de opleiding.

Eenmaal bij de universiteit ingeschreven kunnen studenten echter door hun klachtenrecht aangeven wanneer hen onrecht gedaan wordt. Verder zouden gegevens als slaagpercentages en summiere evaluatie-resultaten de signaalwerking van de student moeten versterken. Als simpelweg gekeken wordt naar het aantal studentendat een beroepszaak aanspant tegen de faculteit of universiteit kan worden geconcludeerd dat het studenten op dat gebied aan initiatief en durf ontbreekt. Immers, iemand die na één jaar studie achterloopt bij zijn studiegenoten door nalatigheid van de instelling zal toch nog vaak de schuld bij zichzelf zoeken. Om een docent, de keizer van de collegezaal, te vertellen dat hij zijn werk niet goed doet, ligt in dezelfde lijn als in een goed gereformeerd dorp de dominee tegenspreken.
Scenario

Op het bovengenoemde congres raadde dr. M. van Twist (Technische Bestuurskunde en sinds kort lid van de universiteitsraad) de minister reeds aan ook eens aan een worst case scenario te denken. Als achteraf blijkt dat de passief consumerende student minder goed functioneert dan zijn alter-ego in de supermarkt bij de wasmiddelen, wat kan er dan allemaal fout gaan? Deze vraag wint nog aan gewicht als de afhankelijkheid van de student met betrekking tot de opleiding in ogenschouw wordt genomen. Een slecht diploma leidt immers tot veel grotere schade dan een paar gaten in het wasgoed.

Velen zouden hierop kunnen antwoorden dat er een college van bestuur is als controlerend orgaan, en dat een externe visitatiecommissie eens in de vijf jaar vaststelt of de instelling nog voldoet aan de externe eisen. Wat betreft de visitatiecommissie zou hier wat voor te zeggen zijn. Wat worden echter de criteria voor het college van bestuur? Goede slaagpercentages betekenen niet per se een goede opleiding, en evaluatiegegevens zijn heel vaak voor meerdere uitleg vatbaar. De mogelijkheid bestaat dat een cvb het al druk genoeg heeft met andere zaken en niet bereikbaar blijkt voor studenten. Toch hoeft men geen apocalyptische instelling te hebben om deze situatie tot de mogelijkheden te rekenen. Immers van de ‘passieve’ student wordt toch maar verwacht dat hij een heel kritische en actieve consument is.
Affiniteit

Ik ben van mening dat een nieuwe structuur zeker geen overbodige luxe is. Echter door de student als een soort rotte plek uit de bestuursapppel weg te snijden wordt het probleem niet opgelost. De gedachte om de universiteit om te bouwen tot een top-down McKinsey-gestructureerd bedrijf beangstigt mij, en met mij vele studenten. Het lijkt alsof men in Den Haag niet beseft dat ik, als student, een zekere affiniteit heb met de TU Delft. Als student heb ik de kans gehad zeer recent te ondervinden wat onderwezen worden inhoudt. Graag wil ik die toegevoegde waarde met het bestuur delen en zodoende ook de generaties na mij verzekeren van een goede opleiding.

Anders maar hopen dat de Méér-dan-Konsumenten-gids ook door de toekomstige universiteits-president-directeur gelezen wordt.

Redacteur Redactie

Heb je een vraag of opmerking over dit artikel?

delta@tudelft.nl

Comments are closed.