Opinie

Slecht

Iedereen voelt zich wel eens slecht. Echt zo slecht dat je denkt dat het niet slechter kan. Maar dat kan natuurlijk wel, zo blijkt wanneer je op het station staat te wachten en er een wildvreemde naar je toe komt die zegt ‘kom op, het valt allemaal toch best mee’, want dan voel je je pas volkomen klote, en krijg je de neiging om die wildvreemde voor de trein te duwen en te zeggen ‘kom op, het valt allemaal toch best mee’.

br />
Een wildvreemde heeft niet het recht te zeggen dat het best meevalt, als je net je tempobeurs misgelopen bent en je vriendin ook en als bovendien je oude buurjongen net overleden is. Als dat allemaal niet zo is: dan nog mag die wildvreemde niets zeggen, want stel dat het wel zo was? Het gaat er niet om wat waar is, maar om wat waar zou kunnen zijn.

Vorige week voelde ik me slecht. Want iedereen gaat maar dood, de laatste tijd. Zo’n beetje het enige positieve wat daartegenover stond was het meisje met het Limburgse accent dat ik tegengekomen was. En hoewel dat meteen wel heel positief was – want dat is nogal mooi, vind ik, een Limburgs accent – ging ik op zoek naar meer vrolijkheid en zo moet het zijn gekomen dat ik opeens in Amsterdam was, op het jongerencongres van de Partij van de Arbeid.

Want als je je ergens goed kunt voelen tegenwoordig dan is het in de politiek. Daar word je automatisch gelukkig, zo bleek vorige week op Prinsjesdag en de dagen daarna. Vadsige tevredenheid alom, het kabinet klopte zichzelf op de borst als een voetbalelftal na een gewonnen wedstrijd. Het leek wel een soort polonaise, maar dan niet zo’n Brabantse – nog enigszins oprecht – maar zo eentje die je bijvoorbeeld in Delftse cafés ziet tijdens carnaval, van die vrolijkheid zonder reden, vrolijkheid terwijl thuis de spruitjes opstaan.

Maar goed, vanwege die tevredenheid, weliswaar geforceerd, ging ik dus naar het jongerencongres van de Partij van de Arbeid, in de hoop daar zelf ook gelukkiger te worden, want aan de in mijn oren nasuizende Limburgse klanken alleen had ik niet genoeg.

Het was druk. Minstens duizend mensen waren er, aangelokt door de grote Nederhopper Extince en door debatten over bijvoorbeeld het Bosman-arrest, literatuur, milieu, seks en de verbanden daartussen. Een discussie ging over de beginselen van de sociaal-democratie, waar ik op de een of andere manier terechtkwam. Weinig andere Delftenaren daar. De grote man hier was Thijs Wöltgens, uit Limburg, en het zaaltje was voor de rest vooral gevuld met harde-kern-PvdA-jongeren, politicologen en sociologen, die voortdurend hun best deden duidelijk te maken dat politiek iets was waarvoor je gestudeerd moest hebben en die hun betogen meestal begonnen met ‘Om met Marx te spreken’ en ‘of je het nou Hegeliaans of Horkheimeriaans ziet’. Dit zijn dus de dingen die politicologen op hun cv zetten. Ik begon vrolijk te worden.

Op de borrel werd het nog leuker. Kok was er, en Kysia Hekster, en Hedy d’Ancona die Extince probeerde te regelen.Politiek is inderdaad wel lachen. Tot Jolijn ons aansprak. Jolijn was van de organisatie en zag er truttig uit, beetje aankomend kamerlid. ,,Waar zijn jullie bij geweest?” vroeg ze, met afgemeten interesse. Ze schrok van het antwoord. ,,Gut, hebben jullie dat volgehouden? Ik hield dat niet vol hoor. Dat Limburgs hè. Ik houd niet van die rare mensen. Tja, je kan het toch beter vinden met je eigen soort mensen.” Vervang Limburgs door zwart en Jolijn, aankomend PvdA-kamerlid, praat oprecht als Janmaat in zijn beste dagen. Ik begin me weer slecht te voelen en loop kotsend weg. ,,Ach, het valt toch allemaal best mee?” roept Jolijn me nog na.

Iedereen voelt zich wel eens slecht. Echt zo slecht dat je denkt dat het niet slechter kan. Maar dat kan natuurlijk wel, zo blijkt wanneer je op het station staat te wachten en er een wildvreemde naar je toe komt die zegt ‘kom op, het valt allemaal toch best mee’, want dan voel je je pas volkomen klote, en krijg je de neiging om die wildvreemde voor de trein te duwen en te zeggen ‘kom op, het valt allemaal toch best mee’.

Een wildvreemde heeft niet het recht te zeggen dat het best meevalt, als je net je tempobeurs misgelopen bent en je vriendin ook en als bovendien je oude buurjongen net overleden is. Als dat allemaal niet zo is: dan nog mag die wildvreemde niets zeggen, want stel dat het wel zo was? Het gaat er niet om wat waar is, maar om wat waar zou kunnen zijn.

Vorige week voelde ik me slecht. Want iedereen gaat maar dood, de laatste tijd. Zo’n beetje het enige positieve wat daartegenover stond was het meisje met het Limburgse accent dat ik tegengekomen was. En hoewel dat meteen wel heel positief was – want dat is nogal mooi, vind ik, een Limburgs accent – ging ik op zoek naar meer vrolijkheid en zo moet het zijn gekomen dat ik opeens in Amsterdam was, op het jongerencongres van de Partij van de Arbeid.

Want als je je ergens goed kunt voelen tegenwoordig dan is het in de politiek. Daar word je automatisch gelukkig, zo bleek vorige week op Prinsjesdag en de dagen daarna. Vadsige tevredenheid alom, het kabinet klopte zichzelf op de borst als een voetbalelftal na een gewonnen wedstrijd. Het leek wel een soort polonaise, maar dan niet zo’n Brabantse – nog enigszins oprecht – maar zo eentje die je bijvoorbeeld in Delftse cafés ziet tijdens carnaval, van die vrolijkheid zonder reden, vrolijkheid terwijl thuis de spruitjes opstaan.

Maar goed, vanwege die tevredenheid, weliswaar geforceerd, ging ik dus naar het jongerencongres van de Partij van de Arbeid, in de hoop daar zelf ook gelukkiger te worden, want aan de in mijn oren nasuizende Limburgse klanken alleen had ik niet genoeg.

Het was druk. Minstens duizend mensen waren er, aangelokt door de grote Nederhopper Extince en door debatten over bijvoorbeeld het Bosman-arrest, literatuur, milieu, seks en de verbanden daartussen. Een discussie ging over de beginselen van de sociaal-democratie, waar ik op de een of andere manier terechtkwam. Weinig andere Delftenaren daar. De grote man hier was Thijs Wöltgens, uit Limburg, en het zaaltje was voor de rest vooral gevuld met harde-kern-PvdA-jongeren, politicologen en sociologen, die voortdurend hun best deden duidelijk te maken dat politiek iets was waarvoor je gestudeerd moest hebben en die hun betogen meestal begonnen met ‘Om met Marx te spreken’ en ‘of je het nou Hegeliaans of Horkheimeriaans ziet’. Dit zijn dus de dingen die politicologen op hun cv zetten. Ik begon vrolijk te worden.

Op de borrel werd het nog leuker. Kok was er, en Kysia Hekster, en Hedy d’Ancona die Extince probeerde te regelen.Politiek is inderdaad wel lachen. Tot Jolijn ons aansprak. Jolijn was van de organisatie en zag er truttig uit, beetje aankomend kamerlid. ,,Waar zijn jullie bij geweest?” vroeg ze, met afgemeten interesse. Ze schrok van het antwoord. ,,Gut, hebben jullie dat volgehouden? Ik hield dat niet vol hoor. Dat Limburgs hè. Ik houd niet van die rare mensen. Tja, je kan het toch beter vinden met je eigen soort mensen.” Vervang Limburgs door zwart en Jolijn, aankomend PvdA-kamerlid, praat oprecht als Janmaat in zijn beste dagen. Ik begin me weer slecht te voelen en loop kotsend weg. ,,Ach, het valt toch allemaal best mee?” roept Jolijn me nog na.

Redacteur Redactie

Heb je een vraag of opmerking over dit artikel?

delta@tudelft.nl

Comments are closed.