Van universiteiten wordt verwacht dat zij academische vrijheid, sociale veiligheid en gelijke behandeling verdedigen. Toch hebben veel Iraniërs aan de TU Delft steeds meer het gevoel dat deze principes selectief worden toegepast. Universiteiten zouden de vrijheid moeten hebben om zich bezig te houden met mondiale aangelegenheden en humanitaire kwesties, maar de TU Delft heeft een inconsistente houding aangenomen door zich uit te spreken over de interne politieke ontwikkelingen in Iran, terwijl zij zich veel minder uitgesproken toont over grote humanitaire crises waarbij massaal leed wordt veroorzaakt, zelfs wanneer universiteiten, hoogleraren en studenten daar direct het doelwit van waren.
Dit weerspiegelt een politieke logica waarin Iran alleen aandacht krijgt wanneer het past in een gewenst verhaal, waardoor Iraanse studenten en onderzoekers onder oneerlijke druk komen te staan en worden blootgesteld, veroordeeld en tot conformiteit gedwongen.
Deze selectieve logica is ook zichtbaar in de reacties van de instelling. Bij sommige politieke ontwikkelingen met betrekking tot Iran hebben decanen en universiteitsbestuurders met opvallende snelheid en duidelijkheid verklaringen of e-mails verspreid. Maar wanneer Iran zelf te maken heeft met verwoestend geweld, en wanneer de universiteiten en de academische gemeenschap daaronder lijden, zijn diezelfde urgentie en morele duidelijkheid veel minder zichtbaar.
Soortgelijke patronen zijn ook te zien in de reacties van de universiteit op Palestina en Libanon, waar veroordelingen soms ontbraken, vertraagd waren of opvallend afgemeten. Dergelijke reacties komen niet onpartijdig over; ze klinken ontwijkend, alsof sommige vormen van lijden minder belangrijk zijn dan andere. De ironie wordt nog treffender wanneer degenen die verantwoordelijk zijn voor de verwoestende recente oorlogen in West-Azië, waaronder leiders die worden beschuldigd van oorlogsmisdaden en schendingen van het internationaal recht, niet ter verantwoording worden geroepen, terwijl diezelfde oorlogen spanningen en protesten in de Nederlandse academische wereld hebben aangewakkerd, terwijl Iran zelf doelwit blijft van veroordelingen.
Voor veel Iraanse leden van de universiteit houdt het probleem niet op bij het institutionele stilzwijgen. Het strekt zich ook uit tot maatregelen op het gebied van kennissveiligheid, aan nationaliteit gekoppelde veiligheidsscreening en beperkingen op de toegang tot bepaalde onderzoeks- en studiegebieden, waardoor een breder gevoel van politieke kwetsbaarheid ontstaat dat verband houdt met nationaliteit. Deze zorgen worden nog ernstiger zodra doxing of andere vormen van publieke aanvallen om de hoek komen kijken, of wanneer academici en aan de universiteit gelieerde ruimtes openlijk partijdig gedrag of uitingen van steun voor geweld tolereren.
‘Transparantie is noodzakelijk om ervoor te zorgen dat keuzes worden ingegeven door principes, niet door de wens om machthebbers tevreden te stellen’
In een dergelijke omgeving is het begrijpelijk dat sommige leden van de gemeenschap het gevoel hebben dat het uiten van afwijkende meningen, met name principieel verzet tegen geweld tegen Iran, sociale of professionele risico’s met zich meebrengt. In zulke omstandigheden moet de universiteit ervoor zorgen dat iedereen zonder angst kan spreken, van mening kan verschillen en kan meedoen.
Die verantwoordelijkheid wordt nog urgenter als je bedenkt dat de recente oorlog begon met het verlies van onschuldige levens, waaronder meer dan honderd kinderen op een school in Iran. Dat maakt het rechtvaardigen, verheerlijken of normaliseren van oorlog binnen de TU Delft-gemeenschap moreel onverdedigbaar.
In plaats van selectief te spreken over politieke ontwikkelingen in andere landen, zouden universiteiten, waaronder de TU Delft, een duidelijk beleid moeten aannemen en publiceren waaruit blijkt wanneer zij zich publiekelijk uitspreken, wanneer zij zwijgen, en welke principes ten grondslag liggen aan die beslissingen en hun bredere institutionele verantwoordelijkheden. Zulke transparantie is noodzakelijk om ervoor te zorgen dat deze keuzes worden ingegeven door principes, en niet door de wens om machthebbers tevreden te stellen.
Het beleid moet ook helderheid verschaffen over de ethische waarborgen die ervoor zorgen dat onderzoek, samenwerkingsverbanden en technologische activiteiten van de universiteit niet, direct of indirect, worden gebruikt op manieren die onschuldige mensen schaden. Daarnaast moet het duidelijk stellen dat het legitimeren van onwettige oorlogen en het normaliseren van geweld geen plaats hebben binnen de academische gemeenschap, en dat principieel verzet tegen oorlog een legitiem en beschermd standpunt is voor zowel studenten als medewerkers. Wat er dus nodig is, is geen selectieve bezorgdheid, maar duidelijke normen, consistentie en echte rekenschap.
We begrijpen dat de TU Delft zich binnen politieke en institutionele grenzen beweegt. Maar die beperkingen zijn geen excuus voor ongelijke normen. Ethiek en elementair fatsoen vereisen dat een land en een volk die, onder onrechtvaardige druk, doorgaan met het opleiden van studenten en wetenschappers die een bijdrage leveren aan Nederland, worden behandeld met eerlijkheid, waardigheid en respect, en niet met selectieve politieke kritiek.
Als universiteiten niet kunnen handelen op basis van consistente principes, dan dienen zij af te zien van het afleggen van politiek selectieve verklaringen of uitingen van steun. Naarmate de feiten aan het licht komen, zullen toekomstige generaties niet alleen oordelen over wat er is gezegd, maar ook over wat selectief is genegeerd en onuitgesproken is gebleven.
Comments are closed.