Opinie

Innovatie moet in het DNA van onze economie

In twee jaar tijd heeft Nederland een duikvlucht gemaakt op de ranglijst van concurrerende economieën. Van de derde naar de vijftiende plaats.

Een staatssecretaris wil daar wat aan doen.

De kranten hebben de laatste tijd bericht over bedrijven die hun researchactiviteiten verleggen, omdat het klimaat voor innovatie verslechtert. Overheid, bedrijfsleven en kennisinstellingen moeten dat gezamenlijk veranderen en ervoor zorgen dat innovatie in het DNA van onze economie komt.

We willen een jaarlijkse economische groei van zo’n 3 procent. Dat lukt niet door meer mensen in het arbeidsproces te betrekken, want door vergrijzing en ontgroening slinkt onze factor arbeid. Wel door de arbeidsproductiviteit te verhogen en hoogwaardige producten en diensten te ontwikkelen waar je veel geld voor kunt vragen. Sleutel hierbij is: innovatie.

Het Nederlandse Gigaport is een prachtig bewijs. Het is een zeer geavanceerd breedbandnetwerk voor onderzoek, ontwikkeling en onderwijs. In 1998 gaf het hoger onderwijs aan voor toponderzoek een snellere internetverbinding nodig te hebben met meer breedbandcapaciteit. Concurrentiedruk veroorzaakte dezelfde behoefte bij bedrijven. De overheid bracht universiteiten en bedrijven bij elkaar en stortte 64,5 miljoen euro in de pot, het bedrijfsleven zelfs 79 miljoen.

Dat leverde een supersnel internet op, dat buitenlandse bedrijven aantrekt. Intel kwam hier om de Amsterdam Internet Exchange te gebruiken. IBM heeft zijn laboratorium uitgebreid met next generation internetdiensten. En Amerikaanse en Canadese kennisinstellingen werken intensief samen met Nederlandse.

Maar het gaat ook anders. Bij biotechnologie bijvoorbeeld. De overheid investeert 250 miljoen euro in het genomics onderzoek en startende life sciences bedrijven. Ook hier een gedeelde visie van overheid, bedrijfsleven en kennisinstellingen. Maar de overheid schiet niet op met vergunningen voor proefveldjes met genetisch gemodificeerde gewassen. Dan kan de ontwikkeling van nieuwe toepassingen van plantenveredeling gewoon niet verder. Ook het invoeren van de Europese richtlijn voor biotech-octrooien verloopt traag. En dan is het logisch dat bedrijven en investeerders de investeringen niet kunnen doen.

Dat mag niet. Innovatie is een maatschappelijke prioriteit. Die moet worden toegevoegd aan de rij van belangrijke onderwerpen als veiligheid, onderwijs en zorg.

Als Nederland in de internationale concurrentiestrijd op de been wil blijven, moeten we specialiseren. Vertaald naar innovatie betekent dit voor de overheid een radicale verandering. We moeten een punt zetten achter het subsidiëren op basis van verdelende rechtvaardigheid. We moeten kiezen. En extra middelen inzetten op technologische speerpunten die een veelbelovend economisch potentieel hebben. Bijvoorbeeld ict, biotechnologie, nanotechnologie of katalyse. Hiervoor is al 805 miljoen beschikbaar gesteld, en daar komt nog 20 miljoen bij.

De versnippering bij universiteiten moet worden teruggebracht. Ook daar moeten keuzes worden gemaakt. De technische universiteiten hebben dat al gedaan op de gebieden telecom en micro-elektronica. Dat moet navolging krijgen bij de bètafaculteiten van de algemene universiteiten. Waarbij het woord ‘fusie’ uit de taboesfeer moet komen.

Ik trek die lijn ook door naar de bekostiging van bèta-universiteiten. Ik vind dat we daar prestaties en kwaliteit veel zwaarder moeten wegen. Het geld moet verdeeld worden op competitieve basis. Alleen op die manier kan het wetenschappelijk ondernemersschap goed uit de verf komen, en de samenwerking tussen universiteiten en bedrijven goed van de grond komen.

Het laatste kabinet heeft fiks bezuinigd. Ook op onderzoek. Dat moet niet meer gebeuren. De bezuinigingen hebben wel bijgedragen aan de noodzakelijke hervorming van ons instrumentarium. Economische zaken brengt het aantal regelingen terug tot één instrumentarium met zes hoofdlijnen. Onder andere een lijn voor onderzoek bij bedrijven, een lijn voor samenwerking tussen bedrijven enuniversiteiten en een lijn voor technostarters. Uiteindelijk moeten ook de regelingen van andere ministeries worden meegenomen, waaronder de aansturing van de 2e geldstroom, de technische universiteiten en het intermediaire onderzoeksveld. Want als kennisinstelling, onderzoeker of technostarter mag je niet verstrikt raken in de hulpmiddelen van de overheid.

We moeten het de innovatieve starter veel makkelijker maken. Dat betekent: het beleid rond intellectuele eigendomsrechten aanpassen voor ondernemende academici; kapitaalmarkten inrichten op de behoeften van kleine hi-tech risico-ondernemers; de administratieve lastendruk voor starters verminderen, en de faillissementswetgeving zo aanpassen dat risico nemen beloond wordt.

Er is momenteel een oplopend tekort aan onderzoekers. Vooral bij natuur, techniek en gezondheid. In 2006 is er een verwachte behoefte aan 35.400 bèta-wetenschappers. We weten nu al dat we er zeker 2100 tekort komen. En als we echt werk weten te maken van innovatie, dan loopt de vraag naar bèta en technisch opgeleiden in de tienduizenden.

Het recente initiatief van de grote Nederlandse R&D-bedrijven om 25 miljoen euro in het middelbaar onderwijs te stoppen, is een goed begin. Maar er is meer nodig. Bedrijven moeten bekijken hoe ze onderzoekers een aantrekkelijker carrièreperspectief bieden. En hoe het imago van onderzoekers verbeterd wordt. Daarbij is het starten van nieuwe researchcentra buiten Nederland, natuurlijk geen positief signaal. De overheid, tenslotte, moet de immigratiemogelijkheden voor kenniswerkers van buiten de EU verruimen.

De auteur is staatssecretaris van economische zaken. Deze tekst is een sterk bekorte versie van zijn rede tijdens de Innovation Lecture van vorige week maandag

In twee jaar tijd heeft Nederland een duikvlucht gemaakt op de ranglijst van concurrerende economieën. Van de derde naar de vijftiende plaats. Een staatssecretaris wil daar wat aan doen.

De kranten hebben de laatste tijd bericht over bedrijven die hun researchactiviteiten verleggen, omdat het klimaat voor innovatie verslechtert. Overheid, bedrijfsleven en kennisinstellingen moeten dat gezamenlijk veranderen en ervoor zorgen dat innovatie in het DNA van onze economie komt.

We willen een jaarlijkse economische groei van zo’n 3 procent. Dat lukt niet door meer mensen in het arbeidsproces te betrekken, want door vergrijzing en ontgroening slinkt onze factor arbeid. Wel door de arbeidsproductiviteit te verhogen en hoogwaardige producten en diensten te ontwikkelen waar je veel geld voor kunt vragen. Sleutel hierbij is: innovatie.

Het Nederlandse Gigaport is een prachtig bewijs. Het is een zeer geavanceerd breedbandnetwerk voor onderzoek, ontwikkeling en onderwijs. In 1998 gaf het hoger onderwijs aan voor toponderzoek een snellere internetverbinding nodig te hebben met meer breedbandcapaciteit. Concurrentiedruk veroorzaakte dezelfde behoefte bij bedrijven. De overheid bracht universiteiten en bedrijven bij elkaar en stortte 64,5 miljoen euro in de pot, het bedrijfsleven zelfs 79 miljoen.

Dat leverde een supersnel internet op, dat buitenlandse bedrijven aantrekt. Intel kwam hier om de Amsterdam Internet Exchange te gebruiken. IBM heeft zijn laboratorium uitgebreid met next generation internetdiensten. En Amerikaanse en Canadese kennisinstellingen werken intensief samen met Nederlandse.

Maar het gaat ook anders. Bij biotechnologie bijvoorbeeld. De overheid investeert 250 miljoen euro in het genomics onderzoek en startende life sciences bedrijven. Ook hier een gedeelde visie van overheid, bedrijfsleven en kennisinstellingen. Maar de overheid schiet niet op met vergunningen voor proefveldjes met genetisch gemodificeerde gewassen. Dan kan de ontwikkeling van nieuwe toepassingen van plantenveredeling gewoon niet verder. Ook het invoeren van de Europese richtlijn voor biotech-octrooien verloopt traag. En dan is het logisch dat bedrijven en investeerders de investeringen niet kunnen doen.

Dat mag niet. Innovatie is een maatschappelijke prioriteit. Die moet worden toegevoegd aan de rij van belangrijke onderwerpen als veiligheid, onderwijs en zorg.

Als Nederland in de internationale concurrentiestrijd op de been wil blijven, moeten we specialiseren. Vertaald naar innovatie betekent dit voor de overheid een radicale verandering. We moeten een punt zetten achter het subsidiëren op basis van verdelende rechtvaardigheid. We moeten kiezen. En extra middelen inzetten op technologische speerpunten die een veelbelovend economisch potentieel hebben. Bijvoorbeeld ict, biotechnologie, nanotechnologie of katalyse. Hiervoor is al 805 miljoen beschikbaar gesteld, en daar komt nog 20 miljoen bij.

De versnippering bij universiteiten moet worden teruggebracht. Ook daar moeten keuzes worden gemaakt. De technische universiteiten hebben dat al gedaan op de gebieden telecom en micro-elektronica. Dat moet navolging krijgen bij de bètafaculteiten van de algemene universiteiten. Waarbij het woord ‘fusie’ uit de taboesfeer moet komen.

Ik trek die lijn ook door naar de bekostiging van bèta-universiteiten. Ik vind dat we daar prestaties en kwaliteit veel zwaarder moeten wegen. Het geld moet verdeeld worden op competitieve basis. Alleen op die manier kan het wetenschappelijk ondernemersschap goed uit de verf komen, en de samenwerking tussen universiteiten en bedrijven goed van de grond komen.

Het laatste kabinet heeft fiks bezuinigd. Ook op onderzoek. Dat moet niet meer gebeuren. De bezuinigingen hebben wel bijgedragen aan de noodzakelijke hervorming van ons instrumentarium. Economische zaken brengt het aantal regelingen terug tot één instrumentarium met zes hoofdlijnen. Onder andere een lijn voor onderzoek bij bedrijven, een lijn voor samenwerking tussen bedrijven enuniversiteiten en een lijn voor technostarters. Uiteindelijk moeten ook de regelingen van andere ministeries worden meegenomen, waaronder de aansturing van de 2e geldstroom, de technische universiteiten en het intermediaire onderzoeksveld. Want als kennisinstelling, onderzoeker of technostarter mag je niet verstrikt raken in de hulpmiddelen van de overheid.

We moeten het de innovatieve starter veel makkelijker maken. Dat betekent: het beleid rond intellectuele eigendomsrechten aanpassen voor ondernemende academici; kapitaalmarkten inrichten op de behoeften van kleine hi-tech risico-ondernemers; de administratieve lastendruk voor starters verminderen, en de faillissementswetgeving zo aanpassen dat risico nemen beloond wordt.

Er is momenteel een oplopend tekort aan onderzoekers. Vooral bij natuur, techniek en gezondheid. In 2006 is er een verwachte behoefte aan 35.400 bèta-wetenschappers. We weten nu al dat we er zeker 2100 tekort komen. En als we echt werk weten te maken van innovatie, dan loopt de vraag naar bèta en technisch opgeleiden in de tienduizenden.

Het recente initiatief van de grote Nederlandse R&D-bedrijven om 25 miljoen euro in het middelbaar onderwijs te stoppen, is een goed begin. Maar er is meer nodig. Bedrijven moeten bekijken hoe ze onderzoekers een aantrekkelijker carrièreperspectief bieden. En hoe het imago van onderzoekers verbeterd wordt. Daarbij is het starten van nieuwe researchcentra buiten Nederland, natuurlijk geen positief signaal. De overheid, tenslotte, moet de immigratiemogelijkheden voor kenniswerkers van buiten de EU verruimen.

De auteur is staatssecretaris van economische zaken. Deze tekst is een sterk bekorte versie van zijn rede tijdens de Innovation Lecture van vorige week maandag

Redacteur Redactie

Heb je een vraag of opmerking over dit artikel?

delta@tudelft.nl

Comments are closed.