Onderwijs

‘Ik creeer bewust onzekerheid. Dat houdt me alert’

Hij doet onderzoek naar innovatie, hij geeft studenten en managers les over innovatie en creativiteit, en voor sommige van zijn studenten is hij zelfs de innovatie in hoogsteigen persoon. IO-hoogleraar prof.dr.ir. Jan Buijs ontving deze maand de Leermeesterprijs 2007.

Beschouwt u zichzelf als een onderwijsvernieuwer?

“Niet echt. Je geeft op een bepaalde manier onderwijs omdat je vindt dat het zo moet, niet omdat je per se wilt innoveren. Ik geef studenten wel veel ruimte. Spring maar in het diepe, ik zorg dat je niet verzuipt.”

Kunnen studenten die vrijheid aan?

“Over het algemeen wel. Juist omdat je ze vertrouwt en serieus neemt. Als je allerlei controlemechanismen inbouwt, wordt het een uitdaging om die te omzeilen. Natuurlijk, de ongeïnteresseerde, kauwgomkauwende student met een walkman op kom ik ook wel eens tegen. Maar ongemotiveerde studenten zijn van alle tijden.”

U geeft regelmatig college aan eerstejaars. Waarom?

“Op sommige universiteiten krijgen studenten pas in de masterfase een hoogleraar te zien. Dat vind ik verkeerd. Je moet daar als hoogleraar staan, om je passie voor het vak over te dragen. Om eerstejaars te laten zien hoe leuk, spannend en lastig industrieel ontwerpen kan zijn. Ik vind het ook niet erg om voor collegezalen te staan. Je vertelt de studenten een verhaal, en dat verhaal geef je een onverwachte draai. Het is mooi om dan te zien hoe een aantal studenten de kern van je verhaal oppikt.”

Komt bij het begeleiden van afstudeerders en promovendi ook een dosis psychologie kijken?

“Nou en of. Soms geef je ze een loopplank om over een door henzelf gegraven kuil te lopen. Soms stuur je ze bewust even de verkeerde kant op, omdat ze je adviezen te klakkeloos dreigen op te volgen. En soms moet je ze even geruststellen. Ik heb altijd een pakje zakdoeken klaarliggen, bij wijze van spreken. Nu ben ik ook niet het type hoogleraar dat van tevoren zorgvuldig het onderzoeksgebied voor de promovendus afbakent. Ik houd niet van invuloefeningen. Ze moeten de kans krijgen om te ontdekken wat ze precies willen doen. Sommige promovendi willen meteen duidelijkheid, dus het komt wel eens voor dat ik zeg: ‘Wij kunnen beter niet samenwerken.’”

U koos in 1966 voor de studie vliegtuigbouwkunde, maar na twee jaar hield u het daar voor gezien.

“Oorspronkelijk wilde ik auto-ontwerper worden. In de jaren zestig reden mijn ouders in een DAF 600, met een volautomatische versnellingsbak. Daar schaamde ik me als 16-jarige jongen voor. Maar toen ontdekte ik dat in de Verenigde Staten de Formule-1-coureur Jim Hall, een werktuigbouwkundig ingenieur, veel succes had met de Chaparral, een raceauto met een automatische versnellingsbak. Doordat het koppelingspedaal dankzij de automatische versnellingsbak nutteloos was geworden, kon Hall nu een beweegbaar achtervleugeltje bedienen; een soort luchtrem. Als hij moest remmen, trapte hij zowel het rempedaal als het vleugeltjespedaal in. Hij kon zo in kortere tijd remmen. Zijn innovatie was dus niet zozeer sneller rijden, maar sneller remmen.

In het boek ‘Integrale productontwikkeling’ beschrijf ik hoe Hall steeds weer met zulke baanbrekende ideeën kwam om de prestaties van de Chaparral te verbeteren. Dat is innovatie: sprongsgewijze verandering. De Chaparral was voor mij de reden om auto-ontwerper te willen worden. Bij vliegtuigbouw bleek absoluut geen belangstelling te bestaan voor auto’s. Ook niet voor helikopters, zweefvliegtuigen of windmolens, trouwens. Het was 1966, ze vonden ruimtevaart veel interessanter. Ik werd door de docenten volstrekt niet in mijn passie gestimuleerd.”

Economie lijkt geen voor de hand liggende volgende keuze.

“Ik heb altijd een brede belangstelling gehad. Mijn vader was destijds docent economie en auteur van een economieleerboek; de concurrent van het boek van Heertje. Hij was Rijksgecommiteerde voor belastinginspecteurs. De vragen die hij voor hen bedacht, zoals ‘Wat is schaarste?’, probeerde hij vaak eerst op mij uit. Hij zei: ‘Jij zou die studie makkelijk kunnen doen’. Maar in Rotterdam viel de sfeer tegen. Delft was net ‘bevrijd’: we hadden onze stropdassen afgedaan en onze colbertjes uitgetrokken. Op de Erasmus Universiteit liepen de studenten nog rond in een driedelig blauw pak. Ook mijn ideeën maakten me daar tot een vreemde eend in de bijt. Ik was geïnteresseerd in het idee van milieukosten. Als ik tijdens een college over winstrekening vroeg of luchtvervuiling ook niet als kostenpost moest worden opgevoerd, keken hoogleraar en studenten me aan alsof ik knettergek was. Ik was in Delft blijven wonen, en een jaarclubvriendje dat naar industrieel ontwerpen was overgestapt, raadde me aan om die opleiding te gaan doen. ‘Het was voor mij de ideale studie’, zei hij, ‘want het had te maken met economie, vormgeving, bedrijfskunde, psychologie’. Industrieel ontwerpen beviel me inderdaad meteen.”

Sinds 1986 geeft u het vak creative facilitation, waarbij studenten niet bang moeten zijn om onorthodoxe ideeën op tafel te gooien. Is de omgeving belangrijk voor het creatieve proces?

“Daar ben ik niet helemaal uit. Sommige van mijn oud-medewerkers houden zich bezig met het creëren van creatieve ruimtes. Heel interessant. Aan de andere kant denk ik wel eens: geen gezeur, mouwen opstropen en aan het werk. Ik heb wel eens een creatieve sessie gedaan in een café in de Achterhoek, met Perzische tapijtjes op de tafel. Dat ging prima.”

Niet wachten op inspiratie, dus?

“Nee, maar wel op zoek gaan naar inspiratie. Die kun je op de gekste plekken vinden. Een boswandeling kan al bruikbare analogieën opleveren. Het vervelende van al die creativiteitstechnieken is dat het kan ontaarden in een paar basisregeltjes waar studenten zich voortaan krampachtig aan houden. Terwijl die regels juist het resultaat zijn van het observeren van mensen voor wie creativiteit de natuurlijkste zaak van de wereld is. Hopelijk gaan de studenten na een tijdje het waarom achter de regeltjes begrijpen.”

Creatieve vermogens kunnen iemand opeens ontglippen: ook de meest briljante artiest neemt wel eens een middelmatig album op.

“Sommige mensen raken van zo’n periode zo gestresst dat ze nooit meer uit dat creatieve dal komen. Een stimulerende omgeving is natuurlijk belangrijk. Blijf niet in een hoekje zitten kniezen. Neem een sabbatical, zoals ik straks dankzij de Leermeesterprijs kan doen. Mijn vrouw plaagt me wel eens: ‘Voor iemand die zich met innovatie bezig houdt, ben je maar een saaie Piet!’ Maar creatieve momenten bestaan bij de gratie van rustpauzes.”

Heeft u methodes ontwikkeld om te voorkomen dat de routine de creativiteit gaat overheersen?

“Ik creëer bewust onzekerheid. Ik lees nooit meer een toespraak van een papiertje, want ik weet dat ik alerter ben als ik moet improviseren. Ook onderwijskundige experimenten houden me scherp. Routine is de vijand van creativiteit, maar tegelijkertijd kun je zonder routine een bruikbaar idee niet goed in praktijk brengen. Daarom kunnen innovators en uitvoerders ook niet zonder elkaar. De kunst is om ze beter met elkaar te laten communiceren.”

Iedereen heeft de laatste jaren de mond vol van innovatie. Mag je concluderen dat bedrijven tegenwoordig veel meer gericht zijn op innovatie?

“Was dat maar waar. Iedereen vindt innovatie prachtig, zolang er maar niks verandert. Innoveren kost nu eenmaal veel energie en geld. De nieuwe technologie haalt in de beginfase vaak ook niet het niveau van de bestaande technologie. De eerste elektrische treinen waren inferieur aan de beste stoomlocomotieven. Dus waarom zou je als bedrijf zo’n riskante innovatiesprong maken, zeker als je nog veel succes hebt met je bestaande producten? Die weerstand is een heel menselijke reactie.”

Innovaties lopen vaak op een mislukking uit.

“Er zijn veel meer mislukkingen dan successen. In de voedingsindustrie ligt het aantal flops bijvoorbeeld hoog. In de consumentenelektronica ligt het percentage mislukte innovaties op zo’n zestig procent.”

Hoe komt dat?

“De ontwerpers, marketeers en managers hebben zich soms te weinig ingeleefd in de gebruiker, die tegenwoordig niet meer zo makkelijk in een hokje valt te stoppen. En soms durft een bedrijf niet meer te stoppen met een project, al weet iedereen dat het tot mislukken is gedoemd. Er is al te veel geld in geïnvesteerd, het prestige van een aantal mensen staat op het spel. Maar als je mislukkingen volledig wilt uitsluiten, zal er geen innovatie meer plaats vinden. Wie Formule-1-kampioen wil worden, moet een keer van de baan vliegen. Ik zeg vaak tegen managers: maak je fouten zo snel mogelijk en leer ervan, want dan heb je een kennisvoorsprong op de concurrentie.”
Wie is Jan Buijs?

De meeste bekendheid verwierf prof.dr.ir.Jan Buijs (1948) waarschijnlijk met het boek ‘Integrale Productontwikkeling’, dat hij samen met dr.ir. Rianne Valkenburg schreef (1996). In 2005 beleefde het een derde, geheel herziene druk. Nadat hij in 1976 was afgestudeerd in de bedrijfskundige variant van wat toen nog de opleiding industriële vormgeving heette, ging Buijs werken als extern organisatieadviseur bij TNO. Zijn fascinatie voor innovatie in de industrie kwam ook terug in het proefschrift waarmee hij in 1984 promoveerde: ‘Innovatie en Interventie’. Als hoogleraar beleid en organisatie van de productontwikkeling heeft hij sinds 1986 twaalf promovendi en meer dan tweehonderd afstudeerders begeleid. Buijs is getrouwd met sociologe Marlies Evers.

Beschouwt u zichzelf als een onderwijsvernieuwer?

“Niet echt. Je geeft op een bepaalde manier onderwijs omdat je vindt dat het zo moet, niet omdat je per se wilt innoveren. Ik geef studenten wel veel ruimte. Spring maar in het diepe, ik zorg dat je niet verzuipt.”

Kunnen studenten die vrijheid aan?

“Over het algemeen wel. Juist omdat je ze vertrouwt en serieus neemt. Als je allerlei controlemechanismen inbouwt, wordt het een uitdaging om die te omzeilen. Natuurlijk, de ongeïnteresseerde, kauwgomkauwende student met een walkman op kom ik ook wel eens tegen. Maar ongemotiveerde studenten zijn van alle tijden.”

U geeft regelmatig college aan eerstejaars. Waarom?

“Op sommige universiteiten krijgen studenten pas in de masterfase een hoogleraar te zien. Dat vind ik verkeerd. Je moet daar als hoogleraar staan, om je passie voor het vak over te dragen. Om eerstejaars te laten zien hoe leuk, spannend en lastig industrieel ontwerpen kan zijn. Ik vind het ook niet erg om voor collegezalen te staan. Je vertelt de studenten een verhaal, en dat verhaal geef je een onverwachte draai. Het is mooi om dan te zien hoe een aantal studenten de kern van je verhaal oppikt.”

Komt bij het begeleiden van afstudeerders en promovendi ook een dosis psychologie kijken?

“Nou en of. Soms geef je ze een loopplank om over een door henzelf gegraven kuil te lopen. Soms stuur je ze bewust even de verkeerde kant op, omdat ze je adviezen te klakkeloos dreigen op te volgen. En soms moet je ze even geruststellen. Ik heb altijd een pakje zakdoeken klaarliggen, bij wijze van spreken. Nu ben ik ook niet het type hoogleraar dat van tevoren zorgvuldig het onderzoeksgebied voor de promovendus afbakent. Ik houd niet van invuloefeningen. Ze moeten de kans krijgen om te ontdekken wat ze precies willen doen. Sommige promovendi willen meteen duidelijkheid, dus het komt wel eens voor dat ik zeg: ‘Wij kunnen beter niet samenwerken.’”

U koos in 1966 voor de studie vliegtuigbouwkunde, maar na twee jaar hield u het daar voor gezien.

“Oorspronkelijk wilde ik auto-ontwerper worden. In de jaren zestig reden mijn ouders in een DAF 600, met een volautomatische versnellingsbak. Daar schaamde ik me als 16-jarige jongen voor. Maar toen ontdekte ik dat in de Verenigde Staten de Formule-1-coureur Jim Hall, een werktuigbouwkundig ingenieur, veel succes had met de Chaparral, een raceauto met een automatische versnellingsbak. Doordat het koppelingspedaal dankzij de automatische versnellingsbak nutteloos was geworden, kon Hall nu een beweegbaar achtervleugeltje bedienen; een soort luchtrem. Als hij moest remmen, trapte hij zowel het rempedaal als het vleugeltjespedaal in. Hij kon zo in kortere tijd remmen. Zijn innovatie was dus niet zozeer sneller rijden, maar sneller remmen.

In het boek ‘Integrale productontwikkeling’ beschrijf ik hoe Hall steeds weer met zulke baanbrekende ideeën kwam om de prestaties van de Chaparral te verbeteren. Dat is innovatie: sprongsgewijze verandering. De Chaparral was voor mij de reden om auto-ontwerper te willen worden. Bij vliegtuigbouw bleek absoluut geen belangstelling te bestaan voor auto’s. Ook niet voor helikopters, zweefvliegtuigen of windmolens, trouwens. Het was 1966, ze vonden ruimtevaart veel interessanter. Ik werd door de docenten volstrekt niet in mijn passie gestimuleerd.”

Economie lijkt geen voor de hand liggende volgende keuze.

“Ik heb altijd een brede belangstelling gehad. Mijn vader was destijds docent economie en auteur van een economieleerboek; de concurrent van het boek van Heertje. Hij was Rijksgecommiteerde voor belastinginspecteurs. De vragen die hij voor hen bedacht, zoals ‘Wat is schaarste?’, probeerde hij vaak eerst op mij uit. Hij zei: ‘Jij zou die studie makkelijk kunnen doen’. Maar in Rotterdam viel de sfeer tegen. Delft was net ‘bevrijd’: we hadden onze stropdassen afgedaan en onze colbertjes uitgetrokken. Op de Erasmus Universiteit liepen de studenten nog rond in een driedelig blauw pak. Ook mijn ideeën maakten me daar tot een vreemde eend in de bijt. Ik was geïnteresseerd in het idee van milieukosten. Als ik tijdens een college over winstrekening vroeg of luchtvervuiling ook niet als kostenpost moest worden opgevoerd, keken hoogleraar en studenten me aan alsof ik knettergek was. Ik was in Delft blijven wonen, en een jaarclubvriendje dat naar industrieel ontwerpen was overgestapt, raadde me aan om die opleiding te gaan doen. ‘Het was voor mij de ideale studie’, zei hij, ‘want het had te maken met economie, vormgeving, bedrijfskunde, psychologie’. Industrieel ontwerpen beviel me inderdaad meteen.”

Sinds 1986 geeft u het vak creative facilitation, waarbij studenten niet bang moeten zijn om onorthodoxe ideeën op tafel te gooien. Is de omgeving belangrijk voor het creatieve proces?

“Daar ben ik niet helemaal uit. Sommige van mijn oud-medewerkers houden zich bezig met het creëren van creatieve ruimtes. Heel interessant. Aan de andere kant denk ik wel eens: geen gezeur, mouwen opstropen en aan het werk. Ik heb wel eens een creatieve sessie gedaan in een café in de Achterhoek, met Perzische tapijtjes op de tafel. Dat ging prima.”

Niet wachten op inspiratie, dus?

“Nee, maar wel op zoek gaan naar inspiratie. Die kun je op de gekste plekken vinden. Een boswandeling kan al bruikbare analogieën opleveren. Het vervelende van al die creativiteitstechnieken is dat het kan ontaarden in een paar basisregeltjes waar studenten zich voortaan krampachtig aan houden. Terwijl die regels juist het resultaat zijn van het observeren van mensen voor wie creativiteit de natuurlijkste zaak van de wereld is. Hopelijk gaan de studenten na een tijdje het waarom achter de regeltjes begrijpen.”

Creatieve vermogens kunnen iemand opeens ontglippen: ook de meest briljante artiest neemt wel eens een middelmatig album op.

“Sommige mensen raken van zo’n periode zo gestresst dat ze nooit meer uit dat creatieve dal komen. Een stimulerende omgeving is natuurlijk belangrijk. Blijf niet in een hoekje zitten kniezen. Neem een sabbatical, zoals ik straks dankzij de Leermeesterprijs kan doen. Mijn vrouw plaagt me wel eens: ‘Voor iemand die zich met innovatie bezig houdt, ben je maar een saaie Piet!’ Maar creatieve momenten bestaan bij de gratie van rustpauzes.”

Heeft u methodes ontwikkeld om te voorkomen dat de routine de creativiteit gaat overheersen?

“Ik creëer bewust onzekerheid. Ik lees nooit meer een toespraak van een papiertje, want ik weet dat ik alerter ben als ik moet improviseren. Ook onderwijskundige experimenten houden me scherp. Routine is de vijand van creativiteit, maar tegelijkertijd kun je zonder routine een bruikbaar idee niet goed in praktijk brengen. Daarom kunnen innovators en uitvoerders ook niet zonder elkaar. De kunst is om ze beter met elkaar te laten communiceren.”

Iedereen heeft de laatste jaren de mond vol van innovatie. Mag je concluderen dat bedrijven tegenwoordig veel meer gericht zijn op innovatie?

“Was dat maar waar. Iedereen vindt innovatie prachtig, zolang er maar niks verandert. Innoveren kost nu eenmaal veel energie en geld. De nieuwe technologie haalt in de beginfase vaak ook niet het niveau van de bestaande technologie. De eerste elektrische treinen waren inferieur aan de beste stoomlocomotieven. Dus waarom zou je als bedrijf zo’n riskante innovatiesprong maken, zeker als je nog veel succes hebt met je bestaande producten? Die weerstand is een heel menselijke reactie.”

Innovaties lopen vaak op een mislukking uit.

“Er zijn veel meer mislukkingen dan successen. In de voedingsindustrie ligt het aantal flops bijvoorbeeld hoog. In de consumentenelektronica ligt het percentage mislukte innovaties op zo’n zestig procent.”

Hoe komt dat?

“De ontwerpers, marketeers en managers hebben zich soms te weinig ingeleefd in de gebruiker, die tegenwoordig niet meer zo makkelijk in een hokje valt te stoppen. En soms durft een bedrijf niet meer te stoppen met een project, al weet iedereen dat het tot mislukken is gedoemd. Er is al te veel geld in geïnvesteerd, het prestige van een aantal mensen staat op het spel. Maar als je mislukkingen volledig wilt uitsluiten, zal er geen innovatie meer plaats vinden. Wie Formule-1-kampioen wil worden, moet een keer van de baan vliegen. Ik zeg vaak tegen managers: maak je fouten zo snel mogelijk en leer ervan, want dan heb je een kennisvoorsprong op de concurrentie.”
Wie is Jan Buijs?

De meeste bekendheid verwierf prof.dr.ir.Jan Buijs (1948) waarschijnlijk met het boek ‘Integrale Productontwikkeling’, dat hij samen met dr.ir. Rianne Valkenburg schreef (1996). In 2005 beleefde het een derde, geheel herziene druk. Nadat hij in 1976 was afgestudeerd in de bedrijfskundige variant van wat toen nog de opleiding industriële vormgeving heette, ging Buijs werken als extern organisatieadviseur bij TNO. Zijn fascinatie voor innovatie in de industrie kwam ook terug in het proefschrift waarmee hij in 1984 promoveerde: ‘Innovatie en Interventie’. Als hoogleraar beleid en organisatie van de productontwikkeling heeft hij sinds 1986 twaalf promovendi en meer dan tweehonderd afstudeerders begeleid. Buijs is getrouwd met sociologe Marlies Evers.

Redacteur Redactie

Heb je een vraag of opmerking over dit artikel?

delta@tudelft.nl

Comments are closed.