Opinie

Het nieuwe engagement van Pinkeltje in Delft

Op 27 april 1994 aanvaardde de universiteitsraad de Strategienota als kader voor te ontwikkelen beleid. 364 Dagen later, 26 april 1995 dus, stelde diezelfde raad het eerste Instellingsplan op basis van die nieuwe strategische visie vast.

Een student-lid van de universiteitsraad heeft het proces ,,met een gevoel van onbehagen” meegemaakt. Want waar is het ‘maatschappelijk engagement’ gebleven?

In het Instellingsplan geven college van bestuur en u-raad, op een tamelijk concreet niveau, aan hoe het beleid van de TU er de komende vier jaar uit gaat zien. Het college van bestuur heeft enkele krenten uit de strategie-pap van vorig jaar gevist en is daarmee aan de slag gegaan.

In no-time is een Adviesraad Technologiebeleid Delft uit de grond gestampt, slagvaardig wordt gewerkt aan een efficiënt en zakelijk vastgoedbeheer, met ‘integraal management’ wordt deur-aan-deur langs de faculteiten gegaan, en het personeelsbeleid is voor groot onderhoud op de brug gezet. De dekanen hebben er nog een schepje bovenop gedaan en een commissie laten onderzoeken hoe we de interne kwaliteitszorg van het onderwijs gaan verbeteren.

Hier is nauwelijks kritiek op mogelijk. Het college van bestuur is bezig, met ruggesteun van de u-raad, op doelmatige, praktische wijze orde op zaken te stellen. Hulde. Waarom bekruipt mij dan af en toe, vooral bij het herlezen van de Strategienota, een hardnekkig gevoel van onbehagen?
Doorspekt

De Strategienota is doorspekt met het begrip ‘maatschappelijke betrokkenheid’, zelfs de titel ‘Naar een nieuw engagement’ refereert hieraan. Op zich is dit niet vreemd: de TU wordt gefinancierd door de samenleving en levert daaraan al haar produkten. Zoals een marktkoopman weet wat zijn klanten willen en hierop inspeelt, zo zal de universiteit moeten inspelen op wensen en ontwikkelingen in de maatschappij.

Ziehier de kiem van mijn onbehagen: sinds de Strategienota is het maatschappelijk engagement in de onderste bureaula geschoven. In het Instellingsplan wordt er geen woord aan vuil gemaakt; voor een amendement van de Aag-studentenfractie dat een paragraafje over maatschappelijke betrokkenheid wilde toevoegen was zelfs geen meerderheid in de u-raad te vinden.

Natuurlijk zou het zo kunnen zijn dat de TU van zichzelf uit al heel erg betrokken is bij alle relevante maatschappelijke ontwikkelingen. De praktijk leert meestal anders. Natuurlijk hebben we zelfs een eigen faculteit voor ’technische maatschappijwetenschappen’, en besteden we in het onderwijs steeds meer aandacht aan een begrip als ‘duurzame ontwikkeling’. Maar daarmee zijn we er nog lang niet. Op voor de hand liggende punten mist het instellingsbestuur de boot.

Neem bijvoorbeeld de Wetenschapswinkel, bij uitstek een raakpunt van de universiteit met de maatschappij. Weinigkapitaalkrachtige personen en groeperingen kunnen bij de Wetenschapswinkel terecht om een beroep te doen op de technisch-wetenschappelijke kennis van de TU. In maart stelde het college van bestuur, om technische redenen, voor de subsidie aan de wetenschapswinkel (120.000 gulden en drie man personeel) niet langer direct aan de Wetenschapswinkel te geven, maar aan de faculteit WTM. Deze faculteit zou vervolgens zelf kunnen besluiten wat met de Wetenschapswinkel te doen. Dat het niet in het college opkwam dat de Wetenschapswinkel in een maatschappelijk geëngageerde universiteit een beschermde positie verdient is tekenend (besluitvorming hierover is door de raad uitgesteld).
Voorbeelden

Natuurlijk zijn er meer voorbeelden. Denk aan het emancipatiebeleid. Niemand maakt mij wijs dat op het gebied van de emancipatie van vrouwen op de TU het onderste uit de kan wordt gehaald. Wat betreft de emancipatie van gehandicapten: sommige gebouwen lopen al jaren schandelijk achter op het gebied van gehandicaptenvoorzieningen (in strijd met de wettelijke eisen). En laten we dan nog maar zwijgen over de loopbaanperspectieven van de gemiddelde gehandicapte medewerker.

De stichting HoSt (Homoseksualiteit en Studenten), die emancipatie van homoseksuele studenten op de TU nastreeft, wordt niet eens door de universiteit ondersteund met een eigen kantoortje en een telefoon – iets waarop ieder vakgroepdispuutje op een grotere faculteit al kan rekenen. En als het gaat om specifiek beleid ten aanzien van allochtone studenten, door de minister in 1994 aan de instellingen opgedragen, laat de TU het ook al afweten: dit beleid bestaat niet, of is gewoon onvindbaar.

Een ander punt van maatschappelijke betrokkenheid is milieuzorg. Toegegeven, de universiteit verzet hier goed werk. Maar waar blijft de uitwerking van het veelgeprezen vervoerplan, dat moet leiden tot milieuvriendelijker woon-werkverkeer? Waarom is het college nu bereid, zonder eerst de milieu-effecten te onderzoeken, in het weekend universitaire gebouwen te laten verwarmen, terwijl hieraan vroeger geen behoefte bestond? Milieuzorg heeft kennelijk nog wat weinig wortel geschoten in het brein van sommige bestuurders.
Derde Wereld

Nog een laatste voorbeeld: samenwerking met buitenlandse universiteiten. Als het aan het college van bestuur had gelegen, had in het Instellingsplan gestaan dat de keuze om al dan niet samen te werken met buitenlandse universiteiten op twee criteria moest worden gebaseerd: wetenschappelijk nut voor de TU en kosten-batenafwegingen. Samenwerkingsvormen zonder wetenschappelijk of winstoogmerk, met name met universiteiten in de Derde Wereld, bieden een schitterende gelegenheid om onze maatschappelijke betrokkenheid in daden om te zetten. De u-raad paste het Instellingsplan op dit punt dan ook aan, door een amendement van de Aag aan te nemen. Het college van bestuur had hier ‘geen behoefte aan.’

Er valt nog heel wat concreet beleid te maken over hetmaatschappelijk gezicht van de TU. Alvorens dit gebeurd is, heb ik althans geen behoefte meer aan een titel voor onze ‘strategische visie’ die refereert aan maatschappelijke betrokkenheid. De titel ‘Naar een nieuw engagement’ had net zo goed ‘Pinkeltje in Delft’ kunnen zijn.

(De auteur is voorzitter van de fractie van de Aag in de u-raad)

Op 27 april 1994 aanvaardde de universiteitsraad de Strategienota als kader voor te ontwikkelen beleid. 364 Dagen later, 26 april 1995 dus, stelde diezelfde raad het eerste Instellingsplan op basis van die nieuwe strategische visie vast. Een student-lid van de universiteitsraad heeft het proces ,,met een gevoel van onbehagen” meegemaakt. Want waar is het ‘maatschappelijk engagement’ gebleven?

In het Instellingsplan geven college van bestuur en u-raad, op een tamelijk concreet niveau, aan hoe het beleid van de TU er de komende vier jaar uit gaat zien. Het college van bestuur heeft enkele krenten uit de strategie-pap van vorig jaar gevist en is daarmee aan de slag gegaan.

In no-time is een Adviesraad Technologiebeleid Delft uit de grond gestampt, slagvaardig wordt gewerkt aan een efficiënt en zakelijk vastgoedbeheer, met ‘integraal management’ wordt deur-aan-deur langs de faculteiten gegaan, en het personeelsbeleid is voor groot onderhoud op de brug gezet. De dekanen hebben er nog een schepje bovenop gedaan en een commissie laten onderzoeken hoe we de interne kwaliteitszorg van het onderwijs gaan verbeteren.

Hier is nauwelijks kritiek op mogelijk. Het college van bestuur is bezig, met ruggesteun van de u-raad, op doelmatige, praktische wijze orde op zaken te stellen. Hulde. Waarom bekruipt mij dan af en toe, vooral bij het herlezen van de Strategienota, een hardnekkig gevoel van onbehagen?
Doorspekt

De Strategienota is doorspekt met het begrip ‘maatschappelijke betrokkenheid’, zelfs de titel ‘Naar een nieuw engagement’ refereert hieraan. Op zich is dit niet vreemd: de TU wordt gefinancierd door de samenleving en levert daaraan al haar produkten. Zoals een marktkoopman weet wat zijn klanten willen en hierop inspeelt, zo zal de universiteit moeten inspelen op wensen en ontwikkelingen in de maatschappij.

Ziehier de kiem van mijn onbehagen: sinds de Strategienota is het maatschappelijk engagement in de onderste bureaula geschoven. In het Instellingsplan wordt er geen woord aan vuil gemaakt; voor een amendement van de Aag-studentenfractie dat een paragraafje over maatschappelijke betrokkenheid wilde toevoegen was zelfs geen meerderheid in de u-raad te vinden.

Natuurlijk zou het zo kunnen zijn dat de TU van zichzelf uit al heel erg betrokken is bij alle relevante maatschappelijke ontwikkelingen. De praktijk leert meestal anders. Natuurlijk hebben we zelfs een eigen faculteit voor ’technische maatschappijwetenschappen’, en besteden we in het onderwijs steeds meer aandacht aan een begrip als ‘duurzame ontwikkeling’. Maar daarmee zijn we er nog lang niet. Op voor de hand liggende punten mist het instellingsbestuur de boot.

Neem bijvoorbeeld de Wetenschapswinkel, bij uitstek een raakpunt van de universiteit met de maatschappij. Weinigkapitaalkrachtige personen en groeperingen kunnen bij de Wetenschapswinkel terecht om een beroep te doen op de technisch-wetenschappelijke kennis van de TU. In maart stelde het college van bestuur, om technische redenen, voor de subsidie aan de wetenschapswinkel (120.000 gulden en drie man personeel) niet langer direct aan de Wetenschapswinkel te geven, maar aan de faculteit WTM. Deze faculteit zou vervolgens zelf kunnen besluiten wat met de Wetenschapswinkel te doen. Dat het niet in het college opkwam dat de Wetenschapswinkel in een maatschappelijk geëngageerde universiteit een beschermde positie verdient is tekenend (besluitvorming hierover is door de raad uitgesteld).
Voorbeelden

Natuurlijk zijn er meer voorbeelden. Denk aan het emancipatiebeleid. Niemand maakt mij wijs dat op het gebied van de emancipatie van vrouwen op de TU het onderste uit de kan wordt gehaald. Wat betreft de emancipatie van gehandicapten: sommige gebouwen lopen al jaren schandelijk achter op het gebied van gehandicaptenvoorzieningen (in strijd met de wettelijke eisen). En laten we dan nog maar zwijgen over de loopbaanperspectieven van de gemiddelde gehandicapte medewerker.

De stichting HoSt (Homoseksualiteit en Studenten), die emancipatie van homoseksuele studenten op de TU nastreeft, wordt niet eens door de universiteit ondersteund met een eigen kantoortje en een telefoon – iets waarop ieder vakgroepdispuutje op een grotere faculteit al kan rekenen. En als het gaat om specifiek beleid ten aanzien van allochtone studenten, door de minister in 1994 aan de instellingen opgedragen, laat de TU het ook al afweten: dit beleid bestaat niet, of is gewoon onvindbaar.

Een ander punt van maatschappelijke betrokkenheid is milieuzorg. Toegegeven, de universiteit verzet hier goed werk. Maar waar blijft de uitwerking van het veelgeprezen vervoerplan, dat moet leiden tot milieuvriendelijker woon-werkverkeer? Waarom is het college nu bereid, zonder eerst de milieu-effecten te onderzoeken, in het weekend universitaire gebouwen te laten verwarmen, terwijl hieraan vroeger geen behoefte bestond? Milieuzorg heeft kennelijk nog wat weinig wortel geschoten in het brein van sommige bestuurders.
Derde Wereld

Nog een laatste voorbeeld: samenwerking met buitenlandse universiteiten. Als het aan het college van bestuur had gelegen, had in het Instellingsplan gestaan dat de keuze om al dan niet samen te werken met buitenlandse universiteiten op twee criteria moest worden gebaseerd: wetenschappelijk nut voor de TU en kosten-batenafwegingen. Samenwerkingsvormen zonder wetenschappelijk of winstoogmerk, met name met universiteiten in de Derde Wereld, bieden een schitterende gelegenheid om onze maatschappelijke betrokkenheid in daden om te zetten. De u-raad paste het Instellingsplan op dit punt dan ook aan, door een amendement van de Aag aan te nemen. Het college van bestuur had hier ‘geen behoefte aan.’

Er valt nog heel wat concreet beleid te maken over hetmaatschappelijk gezicht van de TU. Alvorens dit gebeurd is, heb ik althans geen behoefte meer aan een titel voor onze ‘strategische visie’ die refereert aan maatschappelijke betrokkenheid. De titel ‘Naar een nieuw engagement’ had net zo goed ‘Pinkeltje in Delft’ kunnen zijn.

(De auteur is voorzitter van de fractie van de Aag in de u-raad)

Redacteur Redactie

Heb je een vraag of opmerking over dit artikel?

delta@tudelft.nl

Comments are closed.