Campus

De milieucrisis is niet op te lossen

De Studium Generale-reeks ‘Leven in een technotoop’ werd vorige week in het Cultureel Centrum beëindigd met een lezing van dr. Marc Van den Bossche.

Hij werkt bij het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek Vlaanderen en schreef het boek ‘Kritiek van de technische rede. Een onderzoek naar de invloed van techniek op ons denken’ (1995).

De Studium Generale-reeks ‘Leven in een technotoop’ werd vorige week in het Cultureel Centrum beëindigd met een lezing van dr. Marc Van den Bossche. Hij werkt bij het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek Vlaanderen en schreef het boek ‘Kritiek van de technische rede. Een onderzoek naar de invloed van techniek op ons denken’ (1995).


1 Illustratie Victir Lemstra

,,Als we iets willen zeggen over natuur en milieu, dan moeten we ons bezinnen op de techniek en deze opvatten als het hoogtepunt van de westerse metafysica. Als we de milieucrisis willen oplossen – wat volgens mij onmogelijk is – dan zullen we eerst moeten denken. Denken is namelijk de hoogste vorm van handelen, zoals de Duitse filosoof Martin Heidegger (1889-1976) eens heeft geformuleerd.

De geschiedenis van de westerse filosofie wordt gekenmerkt door dualisme. Plato maakte al een onderscheid tussen de wereld van het zijn en de wereld van de schijn. Hij schreef dat we ons in een grot bevinden. Door een gleuf in de rotswand dringt het zonlicht binnen. Aan de binnenkant van de grot zien we onze schaduwen. Deze zijn niet wat we echt zijn, want dat zien we alleen maar buiten de grot.

De hele westerse metafysica is van dualismen doortrokken: cultuur versus natuur; man versus vrouw; geest versus lichaam. Het eerste van het paar is altijd voorgesteld als hiërarchisch het hoogste. Het subject staat tegenover het object, en gaat zich daar heersend en berekenend tegenover opstellen.

Dat is vooral pregnant geworden sedert René Descartes (1596-1650). De Franse filosoof hing het principe van de eeuwige twijfel aan: we moeten aan alles twijfelen, behalve aan het feit dat we denken. ,,Cogito ergo sum.” (,,Ik denk dus ik ben”). Het ‘ik’ wordt het centrum van alles. Vanuit dat zekerheidspunt wordt alles gevat, berekend, beheerd, gemaakt en gemanipuleerd. De mens wordt dus het centrum van de metafysica.

Descartes had een grote voorliefde voor de mathematica en de exacte wetenschappen. Vanaf hem wordt de wiskunde het paradigma van ons denken. Men dacht dat de mathematica ons naar iets objectiefs kon leiden, wat voor eens en altijd vaststond, los van elke context, dus naar het wezen van de dingen. Als we de essentie kennen, zo luidde de gedachtegang, dan kunnen we een model opstellen, dat als Leitmotiv van de techniek kan gelden.
Harnas

Aan de hand van drie auteurs heb ik een concept van de technische rede ontwikkeld. De eerste is de Franse socioloog, historicus en theoloog Jacques Ellul (1912-1995). Toen deze in 1954 ‘La Technique ou l’enjeu du siècle’ (‘Techniek als de inzet van deze eeuw’) publiceerde, werd het boek eerst weggehoond. Wat hij schreef over techniek is echter grotendeels bewaarheid geworden.

Volgens Ellul is techniek de uitdrukking van het menselijk verlangen om alles met de rede te beheersen. Hij kent aan techniek de volgende kenmerken toe: eenheid, universaliteit, zelfgroei en conformiteit (de techniek conformeert alles aan zichzelf). Dat vertaalt zich op allerlei terreinen. Techniek is namelijk niet slechts deel van machines, maar het bepaalt heel ons denken en handelen. Het bepaalt bijvoorbeeld hoe de staat is ingericht of hoe we met elkaar omgaan.

Martin Heidegger beschouwt techniek als een vorm van ‘ontbergen’ (uit het verborgene halen, onthullen). Dit ontbergen verbindt hij met de oud-Griekse term ‘aletheia‘, dat niet alleen ontbergen betekent, maar ook waarheid. In het moderne denken is het begrip ‘waarheid’ steeds meer verdrongen door het begrip ‘zekerheid’. Iets is waar als het zeker is, ofwel beheersbaar, berekenbaar en maakbaar. En dat is het dankzij het model dat wij ervoor bedacht hebben. De natuur wordt in een harnas gedrongen, want het moet beantwoorden aan het model dat wij ervoor hebben ontworpen.

De Amerikaanse filosoof Richard Rorty heeft het in ‘Philosophy and the mirror ofnature’ (1979) over een ‘technical interpretation of thinking‘. Dat is een vorm van denken die ervan uitgaat dat we tot de essentie van de dingen kunnen doordringen. Dat betekent dat we objectiviteit zouden kunnen nastreven en dat onze geest zou kunnen beantwoorden aan iets dat in de natuur voorhanden is – dat onze geest een spiegel heeft in de natuur.
Afgrond

Nu, het idee van de spiegel van de natuur kunnen we ook omschrijven als het denken van de begronding. ,,Niets is zonder reden”, schreef de Duitse filosoof Leibniz. Dat betekent dat heel ons denken vervat zit in een causaliteitsdenken: als a, dan b. Dit is de grond van waaruit we alles kunnen opbouwen. Het denken van de begronding wordt ook weleens ‘het sterke denken’ genoemd.

Postmoderne filosofen hebben verzet aangetekend tegen dat sterke denken. De Italiaanse filosoof Gianni Vattimo heeft de term ‘het zwakke denken’ gelanceerd. Dat is een denken zonder grond, dat aansluit bij Heidegger. Tot Heidegger ging het denken altijd uit van een grond. Het zijn had een grond, bijvoorbeeld god die ons voorhield hoe te leven. Bij Heidegger wordt het zijn een afgrond, een sprong in het ongewisse.

Het idee van afgrondelijkheid is opgepakt door enkele milieufilosofen, zoals Hans Martin Schönherr, een Duits ecologist. Zij staan een negatieve ecologie voor. Essentieel aan de negatieve ecologie is het verzet tegen de opvatting dat de verwoesting van de natuur enkel verholpen kan worden door de techniek. Men vindt dat het uitgangspunt van elk ecologisch debat een kritiek moet zijn op de westerse metafysica. Zij verwerpen het dualisme en maken dus geen onderscheid tussen natuur en cultuur. Hoe wij de natuur beleven is cultuur. Omgekeerd, is de stad evengoed een stuk natuur.

Gedacht vanuit de negatieve ecologie, hebben we geen revolutionaire veranderingen te verhopen. Deze veronderstellen immers maakbaarheid en hebben ons denken gedurende de laatste tweehonderd jaar door en door bepaald. Van de ecologische crisis moeten we leren dat we niet in staat zijn de natuur helemaal te vatten. We moeten afstappen van het idee dat er een objectieve natuur zou zijn die we kunnen begrijpen en beheersen.
Gelatenheid

In zekere zin is dat een pleidooi voor pragmatisme. Dat volgt noodzakelijkerwijs uit het niet begrondende denken. Als er geen fundament is waarop we ons denken kunnen gronden, moeten we handelen naar wat goed voor ons is op dit moment en binnen deze context. Terwijl we eerst dachten dat we de natuur technisch kunnen beheersen om ons van de drang van de natuur te bevrijden, toont de huidige ecologische crisis dat de hoop op een blijvende technische en wetenschappelijke vooruitgang onhoudbaar is, want het zijn de gelukte technische ingrepen die voor problemen zorgen. Daarom moeten we afzien van technisch ingrijpen, willen we de natuur niet verder verstoren – al zal ook Schönherr toegeven dat techniek onze enige manier van omgang met de wereld is. De vraag is dan hoe we de symbiose van natuur en techniek moeten vormgeven.

Ervan uitgaande dat we de natuur alleen technisch kunnen benaderen, zou het niet slecht zijn om, zoals in Amerika op het ogenblik populair is in de filosofie, te streven naar een ‘esthetics of environment‘, door een samenspel tussen techniek en cultuur. Het gaat daarin niet om natuur, maar om landschappen.

We moeten ons ervan bewust worden dat de milieucrisis een altijd durende toestand is en opgeven dat we deze ooit kunnen oplossen. Dit laatste is namelijk een uitdrukking van dezelfde wil tot beheersen die de crisis heeft veroorzaakt. De drang om te leven met zekerheden moeten we achter de rug laten. De mens moet zich bewust worden van zijn onvermogen met zekerheid de werkelijkheid te vangen.

Met Heidegger pleit ik voor een ethos van de ‘gelatenheid’. Dat betekent zowel ‘ja’ als ‘nee’ zeggen tegen de techniek. Ja, we laten de techniek in onze wereld binnendringen. Nee, we laten ons er niet door beheersen. We moeten de techniek haar plaats wijzen.

De Studium Generale-reeks ‘Leven in een technotoop’ werd vorige week in het Cultureel Centrum beëindigd met een lezing van dr. Marc Van den Bossche. Hij werkt bij het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek Vlaanderen en schreef het boek ‘Kritiek van de technische rede. Een onderzoek naar de invloed van techniek op ons denken’ (1995).


1 Illustratie Victir Lemstra

,,Als we iets willen zeggen over natuur en milieu, dan moeten we ons bezinnen op de techniek en deze opvatten als het hoogtepunt van de westerse metafysica. Als we de milieucrisis willen oplossen – wat volgens mij onmogelijk is – dan zullen we eerst moeten denken. Denken is namelijk de hoogste vorm van handelen, zoals de Duitse filosoof Martin Heidegger (1889-1976) eens heeft geformuleerd.

De geschiedenis van de westerse filosofie wordt gekenmerkt door dualisme. Plato maakte al een onderscheid tussen de wereld van het zijn en de wereld van de schijn. Hij schreef dat we ons in een grot bevinden. Door een gleuf in de rotswand dringt het zonlicht binnen. Aan de binnenkant van de grot zien we onze schaduwen. Deze zijn niet wat we echt zijn, want dat zien we alleen maar buiten de grot.

De hele westerse metafysica is van dualismen doortrokken: cultuur versus natuur; man versus vrouw; geest versus lichaam. Het eerste van het paar is altijd voorgesteld als hiërarchisch het hoogste. Het subject staat tegenover het object, en gaat zich daar heersend en berekenend tegenover opstellen.

Dat is vooral pregnant geworden sedert René Descartes (1596-1650). De Franse filosoof hing het principe van de eeuwige twijfel aan: we moeten aan alles twijfelen, behalve aan het feit dat we denken. ,,Cogito ergo sum.” (,,Ik denk dus ik ben”). Het ‘ik’ wordt het centrum van alles. Vanuit dat zekerheidspunt wordt alles gevat, berekend, beheerd, gemaakt en gemanipuleerd. De mens wordt dus het centrum van de metafysica.

Descartes had een grote voorliefde voor de mathematica en de exacte wetenschappen. Vanaf hem wordt de wiskunde het paradigma van ons denken. Men dacht dat de mathematica ons naar iets objectiefs kon leiden, wat voor eens en altijd vaststond, los van elke context, dus naar het wezen van de dingen. Als we de essentie kennen, zo luidde de gedachtegang, dan kunnen we een model opstellen, dat als Leitmotiv van de techniek kan gelden.
Harnas

Aan de hand van drie auteurs heb ik een concept van de technische rede ontwikkeld. De eerste is de Franse socioloog, historicus en theoloog Jacques Ellul (1912-1995). Toen deze in 1954 ‘La Technique ou l’enjeu du siècle’ (‘Techniek als de inzet van deze eeuw’) publiceerde, werd het boek eerst weggehoond. Wat hij schreef over techniek is echter grotendeels bewaarheid geworden.

Volgens Ellul is techniek de uitdrukking van het menselijk verlangen om alles met de rede te beheersen. Hij kent aan techniek de volgende kenmerken toe: eenheid, universaliteit, zelfgroei en conformiteit (de techniek conformeert alles aan zichzelf). Dat vertaalt zich op allerlei terreinen. Techniek is namelijk niet slechts deel van machines, maar het bepaalt heel ons denken en handelen. Het bepaalt bijvoorbeeld hoe de staat is ingericht of hoe we met elkaar omgaan.

Martin Heidegger beschouwt techniek als een vorm van ‘ontbergen’ (uit het verborgene halen, onthullen). Dit ontbergen verbindt hij met de oud-Griekse term ‘aletheia‘, dat niet alleen ontbergen betekent, maar ook waarheid. In het moderne denken is het begrip ‘waarheid’ steeds meer verdrongen door het begrip ‘zekerheid’. Iets is waar als het zeker is, ofwel beheersbaar, berekenbaar en maakbaar. En dat is het dankzij het model dat wij ervoor bedacht hebben. De natuur wordt in een harnas gedrongen, want het moet beantwoorden aan het model dat wij ervoor hebben ontworpen.

De Amerikaanse filosoof Richard Rorty heeft het in ‘Philosophy and the mirror ofnature’ (1979) over een ‘technical interpretation of thinking‘. Dat is een vorm van denken die ervan uitgaat dat we tot de essentie van de dingen kunnen doordringen. Dat betekent dat we objectiviteit zouden kunnen nastreven en dat onze geest zou kunnen beantwoorden aan iets dat in de natuur voorhanden is – dat onze geest een spiegel heeft in de natuur.
Afgrond

Nu, het idee van de spiegel van de natuur kunnen we ook omschrijven als het denken van de begronding. ,,Niets is zonder reden”, schreef de Duitse filosoof Leibniz. Dat betekent dat heel ons denken vervat zit in een causaliteitsdenken: als a, dan b. Dit is de grond van waaruit we alles kunnen opbouwen. Het denken van de begronding wordt ook weleens ‘het sterke denken’ genoemd.

Postmoderne filosofen hebben verzet aangetekend tegen dat sterke denken. De Italiaanse filosoof Gianni Vattimo heeft de term ‘het zwakke denken’ gelanceerd. Dat is een denken zonder grond, dat aansluit bij Heidegger. Tot Heidegger ging het denken altijd uit van een grond. Het zijn had een grond, bijvoorbeeld god die ons voorhield hoe te leven. Bij Heidegger wordt het zijn een afgrond, een sprong in het ongewisse.

Het idee van afgrondelijkheid is opgepakt door enkele milieufilosofen, zoals Hans Martin Schönherr, een Duits ecologist. Zij staan een negatieve ecologie voor. Essentieel aan de negatieve ecologie is het verzet tegen de opvatting dat de verwoesting van de natuur enkel verholpen kan worden door de techniek. Men vindt dat het uitgangspunt van elk ecologisch debat een kritiek moet zijn op de westerse metafysica. Zij verwerpen het dualisme en maken dus geen onderscheid tussen natuur en cultuur. Hoe wij de natuur beleven is cultuur. Omgekeerd, is de stad evengoed een stuk natuur.

Gedacht vanuit de negatieve ecologie, hebben we geen revolutionaire veranderingen te verhopen. Deze veronderstellen immers maakbaarheid en hebben ons denken gedurende de laatste tweehonderd jaar door en door bepaald. Van de ecologische crisis moeten we leren dat we niet in staat zijn de natuur helemaal te vatten. We moeten afstappen van het idee dat er een objectieve natuur zou zijn die we kunnen begrijpen en beheersen.
Gelatenheid

In zekere zin is dat een pleidooi voor pragmatisme. Dat volgt noodzakelijkerwijs uit het niet begrondende denken. Als er geen fundament is waarop we ons denken kunnen gronden, moeten we handelen naar wat goed voor ons is op dit moment en binnen deze context. Terwijl we eerst dachten dat we de natuur technisch kunnen beheersen om ons van de drang van de natuur te bevrijden, toont de huidige ecologische crisis dat de hoop op een blijvende technische en wetenschappelijke vooruitgang onhoudbaar is, want het zijn de gelukte technische ingrepen die voor problemen zorgen. Daarom moeten we afzien van technisch ingrijpen, willen we de natuur niet verder verstoren – al zal ook Schönherr toegeven dat techniek onze enige manier van omgang met de wereld is. De vraag is dan hoe we de symbiose van natuur en techniek moeten vormgeven.

Ervan uitgaande dat we de natuur alleen technisch kunnen benaderen, zou het niet slecht zijn om, zoals in Amerika op het ogenblik populair is in de filosofie, te streven naar een ‘esthetics of environment‘, door een samenspel tussen techniek en cultuur. Het gaat daarin niet om natuur, maar om landschappen.

We moeten ons ervan bewust worden dat de milieucrisis een altijd durende toestand is en opgeven dat we deze ooit kunnen oplossen. Dit laatste is namelijk een uitdrukking van dezelfde wil tot beheersen die de crisis heeft veroorzaakt. De drang om te leven met zekerheden moeten we achter de rug laten. De mens moet zich bewust worden van zijn onvermogen met zekerheid de werkelijkheid te vangen.

Met Heidegger pleit ik voor een ethos van de ‘gelatenheid’. Dat betekent zowel ‘ja’ als ‘nee’ zeggen tegen de techniek. Ja, we laten de techniek in onze wereld binnendringen. Nee, we laten ons er niet door beheersen. We moeten de techniek haar plaats wijzen.

Redacteur Redactie

Heb je een vraag of opmerking over dit artikel?

delta@tudelft.nl

Comments are closed.