Campus

De Joint Strike Fighter

.chap Gewoon, betaalbaar, lichtgewichtVoelen we meer voor kleine deelname in een groot project of voor grote deelname in een klein project? Zo laat zich de hamvraag formuleren waarvoor Nederland staat nu er nieuwe straaljagers moeten worden gekocht.

br />
In 2010 zijn de 138 F-16 straaljagers van de Nederlandse Luchtmacht toe aan vervanging. Vorige week stuurden de Nederlandse luchtvaartinstituten, waaronder de Delftse faculteit Luchtvaart- en Ruimtevaarttechniek, een brandbrief naar de Tweede Kamer met een krachtig pleidooi voor deelname aan het Amerikaanse JSF-project. Aanschaf van de Joint Strike Fighter, de nieuwe Amerikaanse ‘standaardstraaljager’ en vooral deelname in de ontwikkeling ervan, zouden goed zijn voor het Nederlandse kennispeil. Gunstiger dan de aanschaf van jachtvliegtuigen van Europese makelij en ook flink goedkoper.

Dat ‘goedkoper’ is overigens nogal relatief. De nieuwe JSF zal per stuk minstens 40 miljoen euro kosten. Omdat de luchtmacht er een kleine 100 denkt nodig te hebben gaat het in totaal om minstens vier miljard euro. Het is daarmee de grootste order uit de Nederlandse defensiegeschiedenis. De Europese alternatieven zijn nog fiks duurder.

Het is geen wonder dat de politiek bij het doorhakken van deze knoop niet over één nacht ijs wenst te gaan. Is het misschien op langere termijn toch verstandiger om aan te haken bij een duurdere Europese tegenhanger van het Amerikaanse megaproject? Over het antwoord is de huidige minister van Defensie De Grave in elk geval een stuk minder zeker dan zijn voorganger en partijgenoot Voorhoeve, die rechtstreeks aankoerste op de JSF. ,,Voelt Nederland meer voor kleine deelname in een groot project of voor grote deelname in een klein project?” zo vroeg De Grave zich onlangs openlijk af.

Inmiddels is het aantal serieuze alternatieven voor de Amerikaanse jager geslonken tot twee: de Duits-Brits-Italiaans-Spaanse Eurofighter en de Franse Rafale. Nu hun burgers rondlopen met allemaal dezelfde munten op zak, lijkt het voor de hand te liggen dat Europese landen ook wat hun straaljagers betreft kiezen voor Europees, maar dat is te kort door de bocht. Om te beginnen vliegt de Luchtmacht vanouds het liefst Amerikaans en roest deze oude hartstocht nog niet. Maar belangrijker is misschien dat het Amerikaanse jachtvliegtuig weliswaar is ontworpen en gedemonstreerd, maar nog niet is ontwikkeld. En het kan interessant zijn daaraan mee te doen.

Aan de Joint Strike Fighter wordt sinds 1994 gewerkt en gedacht. Vorig jaar heeft het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden de voorkeur gegeven aan het ontwerp van Lockheed Martin boven dat van Boeing. Van het toestel, dat inmiddels ook F-35 mag worden genoemd, bestaan momenteel alleen drie (vliegende) demonstratiemodellen. De ontwikkeling van de JSF – zorgen dat het toestel echt kan worden geproduceerd – moet nog beginnen.

Pikant is dat de JSF nooit is bedoeld om technologisch het onderste uit de kan te halen. Integendeel, het project laat zich veeleer omschrijven als een stapje terug. Na de val van het IJzeren Gordijn hadden de VS, als enige overgebleven supermacht, weinig behoefte aan almaar maar krachtiger wapentuig. Het JSF-project is dan ook vanaf het begin opgezet als een toonbeeld van efficiency en zuinigheid, op een schaal die in de wapenindustrie nog nooit is vertoond. Lockheed Martin rept op zijn website zelfs over de JSF als een low cost-product. Illustratief is dat een van de – afgeblazen – projecten waarop de JSF voortborduurt Calf heette, van Common Affordable Lightweight Fighter. De JSF moet nog steeds een beetje een gewoon, betaalbaar, lichtgewicht jachtvliegtuig worden.

Wie technologisch het neusje van de zalm wil, kieze dan ook niet de JSF maar de eveneens in de catalogus van Lockheed Martin aan te treffen F-22. Van deze duurste jager ooit (83 miljoen dollar) vliegen er nu acht en is een twintigtal in aanbouw. Uiteindelijk moeten er 339 operationeel worden.

De F-22 is een zogeheten ‘luchtoverwichtsjager’ die overweg kan met ‘BVR’-doelen (beyond visual range), terwijl de JSF excelleert in het lucht-grondgevecht en vooralsnog alleen ‘WVR’-vijanden (within visual range) aankan. De F-22 is zo spectaculair goed, dat de Amerikanen vooralsnog niet van plan zijn om het toestel met anderen te delen. De low cost, lightweight JSF, zoals het vakblad Global Defense Review hem omschrijft, is eigenlijk ontworpen om zijn werk te doen als de geavanceerde F-22 het luchtruim heeft vrijgemaakt. Kortom, de JSF steekt wat bleekjes af tegen de niet voor niets Raptor gedoopte F-22.

Met de Europese tegenhangers Eurofighter en Rafale is dat minder het geval. Die zijn, net als de F-22, op de tekentafel gezet als luchtoverwichtsjager. Nadeel van de Europese toestellen is echter dat ze al ontwikkeld zijn en, misschien nog wel meer, dat ze zo duur zijn. De Eurofighter staat voor 53 miljoen euro op de prijslijst, de Rafale zelfs voor bijna 60. Die hoge stuksprijzen zijn voornamelijk terug te voeren op de aantallen: de Amerikanen verwachten uiteindelijk maar liefst 5000 JSF’s te kunnen slijten, terwijl de Franse vliegtuigfabriek Dassault al in zijn handjes zou knijpen als er 500 Rafales over de toonbank gaan.

Dat de JSF nog moet worden ontwikkeld is het aantrekkelijke voor de Nederlandse industrie en instituten zoals de Delftse faculteit. De Amerikanen hebben het Nederlandse bedrijfsleven aangeboden voor vijf procent partner te worden in dit project. Voorwaarde is wel dat Nederland om te beginnen zo’n 800 miljoen dollar investeert. En snel ook, want anders zoeken de Amerikanen hun onderaannemers elders.

Tot dusver heeft de overheid een kleine 80 miljoen euro in allerlei projectvoorstellen gestoken en het bedrijfsleven 40 miljoen. Het laatste bod van het bedrijfsleven, vorige week, omvatte 400 miljoen euro. Staatssecretaris Van Hoof heeft bij diverse gelegenheden laten doorschemeren dat hij de Amerikaanse jagers misschien wel liever in een later stadium ‘van de plank koopt’ en afziet van Nederlandse deelname in de ontwikkeling. Hij wordt daarin gesteund door het Centraal Plan Bureau, dat van meeontwikkelen geen hoge pet op heeft. ,,Het netto effect op de economie is naar verwachting verwaarloosbaar klein”, schrijft het.

Inmiddels begint de nervositeit rond de duurste defensieaanschaf toe te nemen. Premier Kok mocht de afgelopen tijd niet alleen een telefoontje ontvangen van de Amerikaanse vice-president Cheney, maar ook een brief van de Franse premier Jospin. De Rafale was weliswaar al ontwikkeld, maar zou Nederland niet willen participeren in de vérdere ontwikkeling? Stork Aerospace – het vroegere Fokker – zou bijvoorbeeld een belangrijke rol kunnen spelen in de ontwikkeling van een tweepersoons marineversie. Bovendien zou de prijs van 60 miljoen euro misschien wel omlaag kunnen naar 48 miljoen. Tegenorders zouden het bedrijfsleven op den duur tien miljard euro opleveren. Sterker nog, Nederland zou de énige coproducent van de Rafale worden. En is het niet beter om een grote partner te zijn in een klein project, dan een kleine partner in een groot project?

.chap Gewoon, betaalbaar, lichtgewicht

Voelen we meer voor kleine deelname in een groot project of voor grote deelname in een klein project? Zo laat zich de hamvraag formuleren waarvoor Nederland staat nu er nieuwe straaljagers moeten worden gekocht.

In 2010 zijn de 138 F-16 straaljagers van de Nederlandse Luchtmacht toe aan vervanging. Vorige week stuurden de Nederlandse luchtvaartinstituten, waaronder de Delftse faculteit Luchtvaart- en Ruimtevaarttechniek, een brandbrief naar de Tweede Kamer met een krachtig pleidooi voor deelname aan het Amerikaanse JSF-project. Aanschaf van de Joint Strike Fighter, de nieuwe Amerikaanse ‘standaardstraaljager’ en vooral deelname in de ontwikkeling ervan, zouden goed zijn voor het Nederlandse kennispeil. Gunstiger dan de aanschaf van jachtvliegtuigen van Europese makelij en ook flink goedkoper.

Dat ‘goedkoper’ is overigens nogal relatief. De nieuwe JSF zal per stuk minstens 40 miljoen euro kosten. Omdat de luchtmacht er een kleine 100 denkt nodig te hebben gaat het in totaal om minstens vier miljard euro. Het is daarmee de grootste order uit de Nederlandse defensiegeschiedenis. De Europese alternatieven zijn nog fiks duurder.

Het is geen wonder dat de politiek bij het doorhakken van deze knoop niet over één nacht ijs wenst te gaan. Is het misschien op langere termijn toch verstandiger om aan te haken bij een duurdere Europese tegenhanger van het Amerikaanse megaproject? Over het antwoord is de huidige minister van Defensie De Grave in elk geval een stuk minder zeker dan zijn voorganger en partijgenoot Voorhoeve, die rechtstreeks aankoerste op de JSF. ,,Voelt Nederland meer voor kleine deelname in een groot project of voor grote deelname in een klein project?” zo vroeg De Grave zich onlangs openlijk af.

Inmiddels is het aantal serieuze alternatieven voor de Amerikaanse jager geslonken tot twee: de Duits-Brits-Italiaans-Spaanse Eurofighter en de Franse Rafale. Nu hun burgers rondlopen met allemaal dezelfde munten op zak, lijkt het voor de hand te liggen dat Europese landen ook wat hun straaljagers betreft kiezen voor Europees, maar dat is te kort door de bocht. Om te beginnen vliegt de Luchtmacht vanouds het liefst Amerikaans en roest deze oude hartstocht nog niet. Maar belangrijker is misschien dat het Amerikaanse jachtvliegtuig weliswaar is ontworpen en gedemonstreerd, maar nog niet is ontwikkeld. En het kan interessant zijn daaraan mee te doen.

Aan de Joint Strike Fighter wordt sinds 1994 gewerkt en gedacht. Vorig jaar heeft het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden de voorkeur gegeven aan het ontwerp van Lockheed Martin boven dat van Boeing. Van het toestel, dat inmiddels ook F-35 mag worden genoemd, bestaan momenteel alleen drie (vliegende) demonstratiemodellen. De ontwikkeling van de JSF – zorgen dat het toestel echt kan worden geproduceerd – moet nog beginnen.

Pikant is dat de JSF nooit is bedoeld om technologisch het onderste uit de kan te halen. Integendeel, het project laat zich veeleer omschrijven als een stapje terug. Na de val van het IJzeren Gordijn hadden de VS, als enige overgebleven supermacht, weinig behoefte aan almaar maar krachtiger wapentuig. Het JSF-project is dan ook vanaf het begin opgezet als een toonbeeld van efficiency en zuinigheid, op een schaal die in de wapenindustrie nog nooit is vertoond. Lockheed Martin rept op zijn website zelfs over de JSF als een low cost-product. Illustratief is dat een van de – afgeblazen – projecten waarop de JSF voortborduurt Calf heette, van Common Affordable Lightweight Fighter. De JSF moet nog steeds een beetje een gewoon, betaalbaar, lichtgewicht jachtvliegtuig worden.

Wie technologisch het neusje van de zalm wil, kieze dan ook niet de JSF maar de eveneens in de catalogus van Lockheed Martin aan te treffen F-22. Van deze duurste jager ooit (83 miljoen dollar) vliegen er nu acht en is een twintigtal in aanbouw. Uiteindelijk moeten er 339 operationeel worden.

De F-22 is een zogeheten ‘luchtoverwichtsjager’ die overweg kan met ‘BVR’-doelen (beyond visual range), terwijl de JSF excelleert in het lucht-grondgevecht en vooralsnog alleen ‘WVR’-vijanden (within visual range) aankan. De F-22 is zo spectaculair goed, dat de Amerikanen vooralsnog niet van plan zijn om het toestel met anderen te delen. De low cost, lightweight JSF, zoals het vakblad Global Defense Review hem omschrijft, is eigenlijk ontworpen om zijn werk te doen als de geavanceerde F-22 het luchtruim heeft vrijgemaakt. Kortom, de JSF steekt wat bleekjes af tegen de niet voor niets Raptor gedoopte F-22.

Met de Europese tegenhangers Eurofighter en Rafale is dat minder het geval. Die zijn, net als de F-22, op de tekentafel gezet als luchtoverwichtsjager. Nadeel van de Europese toestellen is echter dat ze al ontwikkeld zijn en, misschien nog wel meer, dat ze zo duur zijn. De Eurofighter staat voor 53 miljoen euro op de prijslijst, de Rafale zelfs voor bijna 60. Die hoge stuksprijzen zijn voornamelijk terug te voeren op de aantallen: de Amerikanen verwachten uiteindelijk maar liefst 5000 JSF’s te kunnen slijten, terwijl de Franse vliegtuigfabriek Dassault al in zijn handjes zou knijpen als er 500 Rafales over de toonbank gaan.

Dat de JSF nog moet worden ontwikkeld is het aantrekkelijke voor de Nederlandse industrie en instituten zoals de Delftse faculteit. De Amerikanen hebben het Nederlandse bedrijfsleven aangeboden voor vijf procent partner te worden in dit project. Voorwaarde is wel dat Nederland om te beginnen zo’n 800 miljoen dollar investeert. En snel ook, want anders zoeken de Amerikanen hun onderaannemers elders.

Tot dusver heeft de overheid een kleine 80 miljoen euro in allerlei projectvoorstellen gestoken en het bedrijfsleven 40 miljoen. Het laatste bod van het bedrijfsleven, vorige week, omvatte 400 miljoen euro. Staatssecretaris Van Hoof heeft bij diverse gelegenheden laten doorschemeren dat hij de Amerikaanse jagers misschien wel liever in een later stadium ‘van de plank koopt’ en afziet van Nederlandse deelname in de ontwikkeling. Hij wordt daarin gesteund door het Centraal Plan Bureau, dat van meeontwikkelen geen hoge pet op heeft. ,,Het netto effect op de economie is naar verwachting verwaarloosbaar klein”, schrijft het.

Inmiddels begint de nervositeit rond de duurste defensieaanschaf toe te nemen. Premier Kok mocht de afgelopen tijd niet alleen een telefoontje ontvangen van de Amerikaanse vice-president Cheney, maar ook een brief van de Franse premier Jospin. De Rafale was weliswaar al ontwikkeld, maar zou Nederland niet willen participeren in de vérdere ontwikkeling? Stork Aerospace – het vroegere Fokker – zou bijvoorbeeld een belangrijke rol kunnen spelen in de ontwikkeling van een tweepersoons marineversie. Bovendien zou de prijs van 60 miljoen euro misschien wel omlaag kunnen naar 48 miljoen. Tegenorders zouden het bedrijfsleven op den duur tien miljard euro opleveren. Sterker nog, Nederland zou de énige coproducent van de Rafale worden. En is het niet beter om een grote partner te zijn in een klein project, dan een kleine partner in een groot project?

Redacteur Redactie

Heb je een vraag of opmerking over dit artikel?

delta@tudelft.nl

Comments are closed.