Onderwijs

Veertig procent promovendi haakt af

Maar liefst veertig procent van de promovendi aan de TU haakt voortijdig af, aldus de ondernemingsraad. De Graduate School moet het promotiesucces opkrikken.

‘Abnormaal’, noemt de ondernemingsraad (or) het hoge aantal afvallers in haar laatste nieuwsbrief. De or heeft inzage gehad in de voorlopige resultaten van een onderzoek van de afdeling instellingsbeleid naar het ‘promotierendement’ van de TU.

Johan Verweij van de directie instellingsbeleid, die de cijfers op een rij zet, bevestigt noch ontkent de cijfers. “De gegevens zijn nog niet openbaar”, zegt hij. “Eerst krijgen de faculteiten de cijfers te zien. Dat gebeurt zo rond half april.”

De stijgingspercentages op andere universiteiten lijken even hoog.  Het landelijke slagingspercentage schommelt rond de zestig procent. Dat blijkt althans uit de statistieken van de VSNU (vereniging van universiteiten), samengesteld aan de hand van data van negen Nederlandse universiteiten. Van de promovendi die in 2002 startten, verdedigde zestig procent binnen
zeven jaar zijn of haar proefschrift.

De TU heeft al die jaren geen data aangeleverd omdat ze geen betrouwbare gegevens had. Dat gaat veranderen. In juli ontvangt de VSNU voor het eerst de gegevens uit Delft, aldus Verweij.

Promoveren of niet promoveren; het lijkt een duidelijke zaak. Maar niets is minder waar. Bij het bepalen van het aantal promovendi werd tot nu toe zwaar geleund op Peoplesoft, het programma voor de personeelsadministratie. En dat leidt tot verwarring. Sommige mensen werken in deeltijd in plaats van voltijd, en niet iedereen wordt betaald door de universiteit. Van de ruim achttienhonderd promovendi die de TU in 2008 (naar schatting) telde, werden er bijna achthonderd betaald met geld uit de tweede of derde geldstroom. Doordat er zoveel verschillende soorten promovendi zijn, is het lastig om een goed overzicht te krijgen. Daarbij komt dat niet alle promovendi zich al tijdens hun eerste onderzoeksjaar aanmelden bij de pedel.

Wat de exacte cijfers ook mogen zijn, het hoge faalpercentage baart rector Karel Luyben zorgen. “We hebben niet meer promovendi nodig, maar wel meer verdedigingen”, zei hij onlangs tijdens zijn eerste kennismaking met de or.
In 2007 verscheen al een rapport van de taskforce promotiebeleid. Hierin staat dat de TU ernaar streeft dat maar liefst 75 procent van de promovendi binnen vier jaar promoveert. Om deze doelstelling in 2011 te bereiken wil de TU een zogenaamde Graduate School opzetten.

Andere universiteiten hebben al dergelijke organisaties, waarbinnen strakker wordt toegezien op toelatingscriteria, werving, selectie, opleiding en begeleiding.
Betere begeleiding is volgens Sonja Cox van de or cruciaal. “Sommige promovendi voelen zich onvoldoende begeleid, misschien doordat hun promotor al zoveel andere promovendi moet begeleiden.”
Zij wijst erop dat het aantal promovendi per wetenschappelijk staflid flink is gestegen. In 2000 was een kwart van het wetenschappelijk personeel promovendus. Nu is dat een derde.

Cox denkt verder dat buitenlandse promovendi moeite hebben om hun draai te vinden in Nederland. “De TU doet amper iets om ze in te bedden. Die promovendi zijn sociaal geïsoleerd. Verbijsterend.” 

www.delta.tudelft.nl/19437
www.delta.tudelft.nl/18781

Leonardo da Vinci is vermoedelijk in de eerste plaats bekend als de schilder van de Mona Lisa, en daarna als bedenker van talloze mechanische apparaten, van vliegtuigen tot onderzeeërs. Biografieën gaan uiteraard ook in op zijn onderzoekende werk, vooral op het gebied van de anatomie. Water komt er daarbij redelijk bekaaid vanaf.
Wanneer water je beroep is, zoals in het geval van Laurent Pfister, Hubert Savenije en Fabricio Fenicia (de laatste twee zijn werkzaam aan de TU Delft), wil je natuurlijk wel eens wat meer weten over Da Vinci’s inzichten. Tenslotte was hij een van de eersten, die zich empirisch in water verdiepten. De weerslag van het onderzoek van het drietal staat in het boek ‘Leonardo da Vinci’s water theory’. Dit verscheen bij de International Association of Hydrological Sciences (IAHS) en ligt niet in de boekwinkel.
De auteurs speculeren dat Leonardo’s belangstelling voor de (destructieve) kracht van water al vroeg gewekt werd omdat hij in zijn jeugd grote overstromingen meemaakte. De vele tekeningen van woeste waterpartijen, te vinden in zijn onvoltooide manuscript over water, zouden daarvan getuigen.
Van dat manuscript zijn diverse kopieën in omloop, die niet exact overeenkomen of volledig zijn. Voor dit boek zijn ze allemaal geraadpleegd. Zo ontstaat een coherent beeld van Leonardo’s ideeën over water. De meeste daarvan zijn inmiddels achterhaald, maar de logica waarmee Leonardo tot zijn conclusies kwam, gebaseerd op de feiten zoals hij ze kende, is niettemin interessant genoeg. Pfister, Savenije en Fenicia spitten ze tot in detail uit, vooral rond de thema’s atmosfeer, geologie, de watercyclus en bewegend water.
Leonardo’s belangstelling voor de atmosfeer hing sterk samen met zijn verlangen een vliegmachine te maken. Daarvoor moest hij begrijpen wat stabiele meteorologische omstandigheden waren. Hij wist dat lucht bestaat uit gasmoleculen, die zonlicht weerkaatsen, waardoor de lucht blauw lijkt, en dat de luchtdruk afneemt naar mate je hoger in de bergen komt. Anderzijds dacht hij ook dat water altijd ander water opzoekt en dat dit de reden is waarom regen naar beneden valt. Daarin volgde hij de Arestoteliaanse theorie dat de vier elementen aarde, water, lucht en vuur er een voorkeur voor hebben in die volgorde van binnen naar buiten geordend te zijn.
Dat was ook de grondslag voor zijn geologische gedachten. Een van de problemen die hij meende te moeten oplossen, was dat de aarde op veel plekken duidelijk boven het water uitsteekt. Zijn theorie was dat de wereld ooit geheel bedekt was met water, maar dat door erosie de onderliggende aarde in beweging is geraakt en er daardoor op sommige plekken bovenuit steekt. Op die manier ook zouden fossielen hoog in de bergen beland zijn, niet als gevolg van de bijbelse zondvloed. Erosie was een voortdurende kracht, waardoor de bovenlagen van de aarde afslijten en nieuwe stukken omhoog geduwd worden.
Eenzelfde cyclus kende water ook: zon verdampt het water, regen brengt het terug naar de oppervlakte. Leonardo dacht echter dat de zon niet krachtig genoeg was om deze cyclus aan te drijven en bedacht daarom een aanvullende energiebron in de vuurlaag boven de lucht. Hij bedacht verschillende instrumenten om windsnelheden en regenval te meten.
In die cyclus beweegt het water, en Leonardo spande zich in om te begrijpen hoe en waarom, met als belangrijkste doelen betere bescherming tegen overstroming en minder gevaren voor de scheepvaart op rivieren. In die zin
was hij veel meer een ingenieur dan een wetenschapper: hij redeneerde altijd vanuit de toepassing, op zoek naar de kennis die hij daarvoor nodig had.
Uit de nauwgezette onderzoekingen van ‘Leonard da Vinci’s water theory’ komt Leonardo naar voren als een origineel denker, wiens inzichten geplaatst in zijn tijd nog altijd heel veel bewondering verdienen. Dit is een degelijk boek, geschreven in een stijl die meandert tussen toegankelijk en overdreven precies, maar je moet wel behoorlijk in water of Da Vinci geïnteresseerd zijn om het van kaft tot kaft te lezen.

Laurent Pfister, Hubert Savenije en Fabricio Fenicia, ‘Leonardo da Vinci’s water theory; on the origin and fate of water’. IAHS, pp. 94.

Redacteur Redactie

Heb je een vraag of opmerking over dit artikel?

delta@tudelft.nl

Comments are closed.