Campus

Van Thonetstoel tot bierkrat-fauteuil

‘Een éénpersoonszitmeubel’, zo luidt de meest simpele omschrijving van een stoel. Er bestaan ontelbare varianten van en onverminderd komen er nieuwe ontwerpen bij.

De expositie ‘Een stoel om te stelen’ in het Techniek Museum presenteert een bondig overzicht vanaf de industriële tijd.

Als de hedendaagse mens ergens mee vergroeid is dan is het wel de stoel. Uitgezonderd chronisch zieken die aan hun bed zijn gekluisterd, postbodes en andere beroepsbeoefenaren die veroordeeld zijn tot de benenwagen en rechtstandigheid, brengen de meeste vertegenwoordigers van de homo sapiens hun leven grotendeels zittend door. De stoel is een onmisbaar onderdeel geworden van onze dagelijkse habitat.

De stoel als kunstmatig verlengstuk van ons lichaam is heel wat minder vanzelfsprekend dan het schijnt. Zo oud is het door de mens eigenhandig gemaakte zitmeubel namelijk nog niet. Wie zich in sommige andere contreien van de wereld begeeft, waar de stoel zich inmiddels ook gretig laat ‘consumeren’, kan zien dat bijvoorbeeld de hurk- en de lotuszit nog altijd wijdverbreid zijn.

De stoel zoals wij die kennen, en vooral de veelsoortige verschijningsvorm ervan, lijkt van westerse oorsprong. Lange tijd was de productie, althans van de verfijnde vormen, het exclusieve domein van ambachtslieden. Het waren veelal houten meubelstukken al of niet voorzien van ornamenten. Hoe luxueuzer uitgevoerd hoe groter de rijkdom en status van de bezitter.

Vanaf de Industriële Revolutie is daar verandering in gekomen. Stoelen konden ineens in grote oplagen machinaal worden geproduceerd. Grofweg betekende dit dat de functie de overhand begon te krijgen op de decoraties. De toepassing van nieuwe materialen en technieken maakte het mogelijk dat er vooral in deze eeuw volop geëxperimenteerd kon worden met de vorm. Sindsdien verschijnen er dan ook doorlopend nieuwe ontwerpen, de een nog vernuftiger dan de ander.
Rietveld

Wie door de draaideur het Techniek Museum betreedt staat oog in oog met de beroemdste zitmeubel van Nederlandse bodem, namelijk de Rood-blauwe stoel van Rietveld uit 1918. Deze mocht op de tentoonstelling met stoelen uit de moderne tijd natuurlijk niet ontbreken. De impact van dit revolutionaire ontwerp is kenbaar gemaakt door de opstelling van drie exemplaren: een vitra-miniatuurmodel, een normale uitvoering en een reuzenzetel.

Rietveld is ook nog met drie andere stoelen present. Eén ervan is de kratstoel (1934) die ooit als doe-het-zelf-pakket op de markt is verschenen. Het museum stelt kinderen in de gelegenheid een kratstoel in het klein te maken. Ze kunnen ook aan de slag metkarton, schaar en lijm om een stoel in elkaar te zetten waarop, als ze het goed doen, ook nog op gezeten kan worden. Het is een model geïnspireerd op het ontwerp van de Amerikaanse architect Frank O. Gehry.

De stoelontwerpen van Rietveld en Gehry zijn uiteraard geen typische produkten van de Industriële Revolutie, maar gaan er lijnrecht tegenin. Hoe belangrijk ze in artistieke zin ook zijn, tot grootschalige massaproduktie heeft het niet geleid. Dat was wel het geval met de Thonet-stoel nr. 14 (1860) van het buigzame beukenhout dat door stomen de ronde vorm verkrijgt. Deze Wener café-stoel – ,,het meest succesvolle massaproduct aller tijden” luidt het bijschrift met enige overdrijving – is een toonbeeld van het samengaan van vormgeving en techniek.
Stam

Innovatief waren ook de eerste buisstoelen die in de jaren twintig werden ontworpen. Of het nu Mart Stam was, Mies van der Rohe of Marcel Breuer – Stam krijgt momenteel de meeste krediet – die als de vader ervan wordt gezien, ze waren bij uitstek producten van industriële vervaardiging. In de hal waar vroeger het restaurant zat en nu wisseltentoonstellingen worden georganiseerd staat een exemplaar opgesteld van Marcel Breuer, de S35R met de bekleding van canvas, die van meet af aan bestemd was voor de woonkamer.

Daarna werd er naar hartelust verder geëxperimenteerd met nieuwe materialen. De ‘Diamond Chair’ van Harry Bertoia, van origine een beeldend kunstenaar, kwam met een stoel van gepuntlaste staaldraden die een netwerk vormen. Met multiplex werd onder andere gewerkt door de gebroeders Charles en Ray Eames. Het materiaal heeft als voordeel dat het kan worden gemodelleerd naar de vorm van het menselijk lichaam. Hetzelfde geldt voor polyester, waar het duo een schommelkuip van maakte.

Opvallend zijn ook de stoelen die in de jaren zestig en zeventig op de markt kwamen. Zitten werd een informele aangelegenheid en vervloeide met liggen of hangen. Bijzonder is ‘The Bird’ van Tom Dixon, een soort vogel, een retro-ontwerp uit 1991, die door de vrijheid die het biedt naar de flower power-tijd verwijst. Hij lijkt zeer aangenaam te zitten, maar eenmaal gezeten kost het, ook zonder een joint te hebben genuttigd, wellicht veel energie om weer op te staan.

Er zijn nog vele andere stoelen te bezichtigen op deze fraaie expositie. De Macramé-stoel van Marcel Wanders en de ‘Welcome Chair’ van Gerrit Schilder, bestaande uit een omgekeerde deurmat op een buisframe, spreken zeer tot de verbeelding. Dat doet ook de bierkrat-fauteuil van Bert Schoeren die nog niet in produktie is genomen. De basis wordt gevormd door een Amstel-bierkrat met daaromheen een ombouw van karton. In de armleuningen zijn twee uitsparingen vrijgelaten voor glazen. De flesjes binnen handbereik een ideale feeststoel, dunkt ons.

De tentoonstelling ‘Een stoel om te stelen’ loopt nog t/m 16 maart in het Techniek Museum. Voor kinderen zijn er op dezaterdag- en zondagmiddag workshops onder deskundige leiding. Voor hen is er ook de prijsvraag ‘Teken je droomstoel’. Verder zijn er lezingen. Paul van Geel zal di. 21 jan. spreken over het ontwerpen met Cad-Cam.

‘Een éénpersoonszitmeubel’, zo luidt de meest simpele omschrijving van een stoel. Er bestaan ontelbare varianten van en onverminderd komen er nieuwe ontwerpen bij. De expositie ‘Een stoel om te stelen’ in het Techniek Museum presenteert een bondig overzicht vanaf de industriële tijd.

Als de hedendaagse mens ergens mee vergroeid is dan is het wel de stoel. Uitgezonderd chronisch zieken die aan hun bed zijn gekluisterd, postbodes en andere beroepsbeoefenaren die veroordeeld zijn tot de benenwagen en rechtstandigheid, brengen de meeste vertegenwoordigers van de homo sapiens hun leven grotendeels zittend door. De stoel is een onmisbaar onderdeel geworden van onze dagelijkse habitat.

De stoel als kunstmatig verlengstuk van ons lichaam is heel wat minder vanzelfsprekend dan het schijnt. Zo oud is het door de mens eigenhandig gemaakte zitmeubel namelijk nog niet. Wie zich in sommige andere contreien van de wereld begeeft, waar de stoel zich inmiddels ook gretig laat ‘consumeren’, kan zien dat bijvoorbeeld de hurk- en de lotuszit nog altijd wijdverbreid zijn.

De stoel zoals wij die kennen, en vooral de veelsoortige verschijningsvorm ervan, lijkt van westerse oorsprong. Lange tijd was de productie, althans van de verfijnde vormen, het exclusieve domein van ambachtslieden. Het waren veelal houten meubelstukken al of niet voorzien van ornamenten. Hoe luxueuzer uitgevoerd hoe groter de rijkdom en status van de bezitter.

Vanaf de Industriële Revolutie is daar verandering in gekomen. Stoelen konden ineens in grote oplagen machinaal worden geproduceerd. Grofweg betekende dit dat de functie de overhand begon te krijgen op de decoraties. De toepassing van nieuwe materialen en technieken maakte het mogelijk dat er vooral in deze eeuw volop geëxperimenteerd kon worden met de vorm. Sindsdien verschijnen er dan ook doorlopend nieuwe ontwerpen, de een nog vernuftiger dan de ander.
Rietveld

Wie door de draaideur het Techniek Museum betreedt staat oog in oog met de beroemdste zitmeubel van Nederlandse bodem, namelijk de Rood-blauwe stoel van Rietveld uit 1918. Deze mocht op de tentoonstelling met stoelen uit de moderne tijd natuurlijk niet ontbreken. De impact van dit revolutionaire ontwerp is kenbaar gemaakt door de opstelling van drie exemplaren: een vitra-miniatuurmodel, een normale uitvoering en een reuzenzetel.

Rietveld is ook nog met drie andere stoelen present. Eén ervan is de kratstoel (1934) die ooit als doe-het-zelf-pakket op de markt is verschenen. Het museum stelt kinderen in de gelegenheid een kratstoel in het klein te maken. Ze kunnen ook aan de slag metkarton, schaar en lijm om een stoel in elkaar te zetten waarop, als ze het goed doen, ook nog op gezeten kan worden. Het is een model geïnspireerd op het ontwerp van de Amerikaanse architect Frank O. Gehry.

De stoelontwerpen van Rietveld en Gehry zijn uiteraard geen typische produkten van de Industriële Revolutie, maar gaan er lijnrecht tegenin. Hoe belangrijk ze in artistieke zin ook zijn, tot grootschalige massaproduktie heeft het niet geleid. Dat was wel het geval met de Thonet-stoel nr. 14 (1860) van het buigzame beukenhout dat door stomen de ronde vorm verkrijgt. Deze Wener café-stoel – ,,het meest succesvolle massaproduct aller tijden” luidt het bijschrift met enige overdrijving – is een toonbeeld van het samengaan van vormgeving en techniek.
Stam

Innovatief waren ook de eerste buisstoelen die in de jaren twintig werden ontworpen. Of het nu Mart Stam was, Mies van der Rohe of Marcel Breuer – Stam krijgt momenteel de meeste krediet – die als de vader ervan wordt gezien, ze waren bij uitstek producten van industriële vervaardiging. In de hal waar vroeger het restaurant zat en nu wisseltentoonstellingen worden georganiseerd staat een exemplaar opgesteld van Marcel Breuer, de S35R met de bekleding van canvas, die van meet af aan bestemd was voor de woonkamer.

Daarna werd er naar hartelust verder geëxperimenteerd met nieuwe materialen. De ‘Diamond Chair’ van Harry Bertoia, van origine een beeldend kunstenaar, kwam met een stoel van gepuntlaste staaldraden die een netwerk vormen. Met multiplex werd onder andere gewerkt door de gebroeders Charles en Ray Eames. Het materiaal heeft als voordeel dat het kan worden gemodelleerd naar de vorm van het menselijk lichaam. Hetzelfde geldt voor polyester, waar het duo een schommelkuip van maakte.

Opvallend zijn ook de stoelen die in de jaren zestig en zeventig op de markt kwamen. Zitten werd een informele aangelegenheid en vervloeide met liggen of hangen. Bijzonder is ‘The Bird’ van Tom Dixon, een soort vogel, een retro-ontwerp uit 1991, die door de vrijheid die het biedt naar de flower power-tijd verwijst. Hij lijkt zeer aangenaam te zitten, maar eenmaal gezeten kost het, ook zonder een joint te hebben genuttigd, wellicht veel energie om weer op te staan.

Er zijn nog vele andere stoelen te bezichtigen op deze fraaie expositie. De Macramé-stoel van Marcel Wanders en de ‘Welcome Chair’ van Gerrit Schilder, bestaande uit een omgekeerde deurmat op een buisframe, spreken zeer tot de verbeelding. Dat doet ook de bierkrat-fauteuil van Bert Schoeren die nog niet in produktie is genomen. De basis wordt gevormd door een Amstel-bierkrat met daaromheen een ombouw van karton. In de armleuningen zijn twee uitsparingen vrijgelaten voor glazen. De flesjes binnen handbereik een ideale feeststoel, dunkt ons.

De tentoonstelling ‘Een stoel om te stelen’ loopt nog t/m 16 maart in het Techniek Museum. Voor kinderen zijn er op dezaterdag- en zondagmiddag workshops onder deskundige leiding. Voor hen is er ook de prijsvraag ‘Teken je droomstoel’. Verder zijn er lezingen. Paul van Geel zal di. 21 jan. spreken over het ontwerpen met Cad-Cam.

Redacteur Redactie

Heb je een vraag of opmerking over dit artikel?

delta@tudelft.nl

Comments are closed.