Campus

’Studenten zijn het zout in de pap’

Als secretaris van de universiteit ben je een ‘opbouwende middenvelder’, vindt Hans Krul. Een middenvelder die geen spelverdeler moet willen zijn, want dan brand je op. Na bijna veertien jaar trouwe dienst aan de TU wordt Krul volgende maand gemeentesecretaris in Delft.


WIE IS HANS KRUL?

Hans Krul (1954) had al een carrière achter de rug als jurist en beleidsmedewerker bij het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en als afdelingshoofd bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, toen hij in 1997 hoofd juridische zaken werd bij de TU. Drie jaar later werd hij secretaris van de universiteit: een functie waarin hij onder meer directeur bestuursondersteuning en secretaris van het college van bestuur en van de raad van toezicht was en intensief betrokken was bij strategische projecten als Technopolis en de samenwerking met Leiden en Rotterdam. Hij ziet zichzelf als een ‘bestuurlijke verkeersagent’, dienend en opererend achter de schermen. Krul is getrouwd, golft, skiet en is dol op Whisky: zijn kat.


Gefeliciteerd met uw nieuwe functie als gemeentesecretaris. Hebt u lang geaarzeld?

“Ik zit tien jaar in mijn huidige functie en dan ga je eens om je heen kijken. Je moet niet te lang wachten, anders ben je te oud om nog te switchen. Delft is interessant met zijn kennisstad-ambities.”


Wat trekt u aan in de functie van gemeentesecretaris?                                 “Het is weer een dubbelfunctie: je bent gemeentesecretaris en algemeen directeur. Je hebt de eindverantwoordelijkheid van het ambtelijk apparaat, dat is wel een verschil met hier. Je hebt een bredere bestuurlijke thematiek, breder dan onderwijs, en je zit in een meer politieke omgeving met de gemeenteraad. Wij proberen als TU ook een meer samenhangende kennisregio te maken door met Leiden en Rotterdam in gesprek te zijn. Er is relatief weinig samenhang. Rotterdam en Den Haag gingen hun eigen weg. Ik noem dat altijd maar ‘het Nootdorp moet zelfstandig blijven’-syndroom. Ieder voor zich. De buitenwereld holt door en wij zijn maar met onszelf bezig. Daar zie je nu een kentering in, zowel bij kennisinstellingen als bij overheden. Bij Brussel gaat het over regio’s. De gemeente wil dat de gemeentesecretaris zich meer dan voorheen oriënteert op versterking van de kennisregio.”


Delft Kennisstad leeft absoluut niet bij Delftenaren, bleek in 2005 uit een onderzoek van Nyfer. ‘Voor de meeste studenten is het een ver-van-mijn-bed-show’, zei u zelf in Delta. 

“Ja, dat zie je in Leiden ook: een deel van de bevolking is kennis-minded en een deel zegt: wat moet ik er mee? Dit college van burgemeester en wethouders zet duidelijk in op de kenniseconomie. Na Amsterdam heb je hier in Delft de grootste creatieve industrie. Die is vooral technologisch georiënteerd. Dat komt door de TU natuurlijk, met haar industrieel ontwerpers en architecten. We hebben veel ict- en hightechbedrijfjes. Veel spin-off. Technopolis is daar belangrijk voor. Daar kan ik vanuit mijn nieuwe rol ook weer een bijdrage aan leveren.”


Welke gevolgen heeft uw overstap voor de relatie tussen de gemeente en de TU? Die relatie was een tijd niet zo denderend.

“Positief hoop ik. De belangen van de TU en de stad lopen parallel. Daar zie ik geen tegenstelling in. Je hebt elkaar hard nodig om een kenniseconomie van de grond te krijgen. Ik denk dat het alleen maar goed is als er dan dit soort bewegingen zijn van mensen die de organisaties van beide kanten goed kennen en die relatie goed kunnen houden.”


Bij uw aantreden als hoofd van de stafeenheid juridische zaken in 1997 schudde u wekenlang handen. ‘Een plezierige bezigheid. Ik heb nog niets gedaan dus iedereen vindt mij aardig’, zei u destijds. Geldt dat nog steeds denkt u?

(Lacht) “Dat denk ik niet. Je krijgt ook wel eens vervelende reacties. Al dan niet anoniem. Je kunt het nooit voor iedereen goed doen. De TU is een redelijk politieke omgeving met veel belangen. Je ontkomt er niet aan dat je mensen onbedoeld tegen schenen schopt, omdat je standpunt niet met dat van hen strookt. Dat nemen ze niet altijd in dank af. Als mensen aan je integriteit gaan twijfelen is dat niet leuk. Gelukkig zijn dat grote uitzonderingen. Het is meestal een bepaald type mensen dat weinig geloof heeft in het systeem.”


Mensen met wie u samenwerkt, vinden u in ieder geval een harde werker, een goede jurist en joviaal. Ook bent u nogal eens breedsprakig: afspraken met u lopen regelmatig uit. Kunt u in één woord zeggen wat uw grootste uitdaging wordt bij de gemeente?

“In één woord? Er is daar een grote reorganisatie aan de gang en Delft heeft de ambitie een omslag te maken van een uitvoeringsgemeente naar een regiegemeente. De gemeente doet heel veel dingen zelf: musea, zwembaden en dergelijke. Een aantal zaken wordt verzelfstandigd. Dat vergt een omslag. Grootste uitdaging is om daar vorm en inhoud aan te geven.”


Hoe kijkt u aan tegen de samenwerking van de TU Delft met Rotterdam en Leiden? 

“Die samenwerking is er al behoorlijk. Wil je goed bijblijven in de kenniswedloop, dan denk ik dat het een goede zaak zou zijn als we die samenwerking verder kunnen intensiveren. Je hebt drie universiteiten en twee medische centra op gemiddeld zeventien kilometer van elkaar. Sowieso moet je altijd in allianties met andere kennisinstellingen en met de industrie gaan zitten. Langs die manier komt het geld steeds meer beschikbaar. Dat spel kun je nog veel beter spelen vanuit die gezamenlijkheid.” 


Bestaat de TU Delft over tien jaar nog als zodanig?

“Als je één universiteit zou worden, dan is er geen TU Delft meer. Dan zou je bijvoorbeeld een Delft Institute of Technology hebben. Je houdt natuurlijk altijd een technologische campus met de naam Delft. Delft en techniek: dat zal altijd blijven bestaan, maar het kan anders georganiseerd zijn. Kijk naar de University of California: Los Angeles en San Francisco zijn zelfstandig maar zitten wel in een holdingmodel. Dat is een ander model dan fuseren. Je kunt ook zeggen: we maken één strategie met zijn drieën en qua organisatie laten we alles hetzelfde. Juridisch heb je heel veel opties, maar je wilt de synergie natuurlijk maximaal benutten. Bijvoorbeeld naar de EU toe.”


Wat was uw dieptepunt?

“Poeh. Frustrerend is dat steeds als je hard gewerkt had aan een plan – zoals de OOD (Organisatie Ondersteunende Diensten, red.) – er een of andere regeringsmaatregel dwars door heen kwam. Je bent jaren bezig om geld vrij te spelen voor versterking van de primaire processen en dan: pats… is dat geld weer weg. Die onvoorspelbaarheid. Elke keer moet je vanwege dat geld de boel op stelten zetten. Nu ook: dan zeggen ze: we gaan eerst bezuinigen want dat is goed voor u. Goed voor de kwaliteit. Sorry, dat gaat er bij mij niet zo in. Ze gooien eerst een granaat naar binnen en dan zeggen ze: ‘Goh ja dat is wel een beetje uitgebrand hier. Nou, weet je wat: over drie jaar heb je weer een prachtig opgeknapt verblijf. En dat is beter dan wat u had.’ Maar ja, ik zit dan wel twee jaar in een wat mindere omgeving. Dat is gewoon doodzonde. Juist op een moment dat alle energie naar Europa en naar samenwerking moet gaan, moet je weer heel veel energie stoppen in interne processen.”


Je ziet dat ook aankomen met het geld dat wordt vrijgespeeld met de herijking.

“Ja, maar ook dan geldt weer net als bij de OOD: het is maar goed dat we ons huiswerk hebben gedaan, want het geld raak je altijd kwijt. Dan zeggen ze in Den Haag: het komt terug, maar ja. Dan komt er minder terug. En hoe komt het terug? Je moet maar zien dat het terugkomt. Begrijpen ze dan niet waar we mee bezig zijn? Kom eens kijken wat er aan de hand is.” 


U hebt meerdere collegebesturen meegemaakt. Hoe was de sfeer? 

“Over het algemeen goed. Ik heb met alle collegeleden een goede band gehad, maar het is geen geheim dat de samenwerking van het college van bestuur onder Nico de Voogd onderling niet zo goed ging. Er waren tussen alle collegeleden verschillen van inzicht over strategie. Er was te weinig eenheid van visie en strategie.”


Hoe zit dat met het huidige college?

“Uitstekend. Collegeleden moeten er alles aan doen om dat ook goed te houden. Anders kun je niet succesvol zijn.”


U bent enorm betrokken bij studenten. Oras benoemde u tot erelid en noemt u ‘een ontzettende koning’.

“Koning?” (Lacht). “Dat begrip zegt mij niet zoveel. Een van de leukste dingen van mijn werk vind ik het contact met studenten. Studenten zijn het zout in de pap. Juist ook collegeleden steken veel tijd in het onderhouden van een goede relatie met studenten. En dat heb ik ook altijd heel belangrijk en leuk gevonden. Die band met Oras is begonnen toen ik met studenten heb onderhandeld over het reglement van de studentenraad. Als je ziet wat ze allemaal kunnen en doen met studentenverenigingen. Daar heb ik bewondering voor. Studenten denken out of the box. Erg leuk om mee te vertoeven. Erg inspirerend.” 


Wat zou u uw opvolger aan de TU willen meegeven?

“Je moet je open stellen voor alle groepen in de universiteit, zodat je je intermediaire rol optimaal kunt vervullen. Je probeert zaken te harmoniseren. Fricties vermijden. Wat ik vind is uiteindelijk niet interessant. Je probeert de verschillende actoren goed te laten samenwerken binnen de universiteit.” 


Is dat soms niet lastig?

“Ja, maar dat is juist de sport. Dat vind ik juist de lol. Je mag je met alles bemoeien: vastgoed, studenten, medewerkers, science park, de relatie met de gemeente, Den Haag. Je komt een heleboel interessante mensen tegen. En die jongelui ook nog. Wat wil je nog meer? Studenten zal ik het meest missen. En dan zeggen zij meteen: ja maar je hebt Stip bij de gemeente. Dat is zo, maar ik blijf erelid van Oras. Dat gaat nooit verloren.”

Immers en Marchau volgen Henk van Zuylen en Arjan van Binsbergen op. Ze zijn geen onbekenden bij Trail: beiden maakten al onderdeel uit van de staf. In Link, het informatiebulletin van Trail, zegt Immers te verwachten dat het instituut een sleutelrol kan gaan spelen in de besluitvorming rond transport infrastructuur en logistiek. Hij constateert een ‘democratisering van onderzoek’, waarbij er veranderingen optreden in het politieke proces.

Samenwerking
“Beslissingen op het gebied van infrastructuur voor transport en van logistiek vereisen samenwerking van uiteenlopende partijen. Naast overheidsinstanties, wetenschappers en commerciële partijen zullen ook burgers betroken zijn bij beleidsontwikkeling. Door zijn interdisciplinaire rol en zijn uitgebreide netwerk kan Trail in dat proces een sleutelrol spelen”, stelt hij in Link Daarnaast verwacht hij de komende jaren bij de onderzoeksonderwerpen een verschuiving in de richting van duurzaamheid.

Uitdagingen
Marchau ziet Trail ‘een aantal grote uitdagingen tegemoet’ gaan. Trail wil allereerst voor promovendi het onderwijsaanbod en begeleiding verder professionaliseren. Daarnaast moet Trail volgens hem onder meer ‘de intermediaire rol tussen de stafleden uitbouwen’. Ook beoogt hij meer synergie tussen de verschillende disciplines om zo onderzoek en ontwikkeling op het gebied van transport, infrastructuur en logistiek te verbeteren.

Redacteur Redactie

Heb je een vraag of opmerking over dit artikel?

delta@tudelft.nl

Comments are closed.