Wetenschap

‘Ruggenprik kan beter’

In zijn promotieonderzoek naar anesthesie met een ruggenprik ontdekte dr. Ruben Armstrong Lee dat de opleiding tekortschiet.
Er bestaat dringend behoeft aan betere trainingsimulators voor het toedienen van ruggenprikken, stelt dr.

Ruben Lee. Dat geldt in het speciaal voor geavanceerde maar risicovolle vormen ervan. Betere simulators lijken de beste manier om klinische fouten te voorkomen.


Armstrong bestudeerde een speciale ‘hoge’ ruggenprik die als alternatief kan dienen voor een totale narcose bij patiënten met hart- of longproblemen. De techniekis een combinatie van de lage ruggenprik, die bijvoorbeeld vrouwen tijdens een bevalling krijgen (epiduraal), en de spinale anaesthesie waarbij het hersenvlies (de ‘dura’) doorboord wordt en het verdovingsmiddel direct in het hersenvocht terechtkomt. De combiprik CSE (combined spinal epidural) is een epidurale anaesthesie waarbij vervolgens met een spinaalnaald het hersenvlies doorboord wordt. Als een arts tijdens toebrengen van een CSE prik doorschiet, beschadigt hij het ruggenmerg.


Bij een gewone (epidurale) ruggenprik is dat risico er niet omdat de prikplaats onder eind van het ruggenmerg ligt. Een anesthesist heeft de ruggenprik pas na 40 tot 70 procedures in de vingers. De hoek waaronder de naald tussen de ruggenwervels past, het herkennen van bot en weefsel op het gevoel, de benodigde kracht, het draaien van de naald – het moet allemaal geleerd worden.


De combiprik CSE is nog lastiger te beheersen vanwege het doorboren van het harde hersenvlies (dura mater) wat sterk wisselende krachten op de naald vereist en het genoemde risico op doorboren.


Lee stelt dat het bestaande oefenmateriaal voor training van aankomende anesthesisten in de CSE-techniek ontoereikend is. Vergelijking tussen twee groepen artsen in opleiding waarvan de ene groep met een geavanceerde simulator had geoefend en de andere groep met een eenvoudige, leverde geen significant verschil op. Volgens Lee ligt dat aan onvoldoende realisme in de huidige trainers, wat terug te voeren is op onbekende mechanische eigenschappen van interactie tussen naald en hersenvlies.


Er is ook goed nieuws: het risico op doorschieten kan aanzienlijk verminderd worden door de naald anders te hanteren: invoeren met de duim terwijl de aaneengesloten vingers tegen de wervelkolom van de patiënt rusten.


Ook het gebruik van een echoscoop om de afstand tussen hersenvlies en ruggenmerg te meten kan het risico op doorschieten verminderen evenals het aansporen van de patiënt om ver voorover te zitten om zodoende het ruggenmerg zover mogelijk naar de voorzijde van de wervelkolom te trekken.


Een andere technische verbetering is een indirect voortbewogen naald die stopt zodra de druk aan de voorzijde wegvalt (wat het geval is zodra de dura doorboord is).



Maar de meeste vooruitgang verwacht Lee van betere trainingssimulators die ook de correcte plaatsing van de naald oefenen en de vorderingen en vergissingen van de artsen in opleiding bijhouden.


Een ding is al wel duidelijk: hoe vaker een poging op een patiënt herhaald wordt, des te kleiner is de kans van slagen.


→ Ruben Armstrong Lee, Technical development of common anesthesiology techniques, 11 september 2013, promotoren Prof.dr.ir. Peter Wieringa (3mE, biomechanical engineering),en prof. dr. Andre van Zundert (Universiteit van Maastricht, Universiteit van Gent, University of Queensland, Australië)


artikel is aangepast op 23 september

Redacteur Redactie

Heb je een vraag of opmerking over dit artikel?

delta@tudelft.nl

Comments are closed.