Onderwijs

Octrooieren is een zevenkoppige draak verslaan

De drie technische universiteiten willen fors meer octrooien gaan binnenhalen. Op die manier moeten innovatieve vondsten beter doorstromen naar het bedrijfsleven en wordt de kenniseconomie gestimuleerd. Goed plan? Octrooieren blijkt ook nadelen te hebben.

Het is een veelgehoorde klacht: de Nederlandse universiteiten verrichten uitstekend onderzoek, maar bedrijven profiteren daar te weinig van. Op die klacht hebben de drie technische universiteiten nu een antwoord: in hun gezamenlijke toekomstplan lanceren ze het voornemen om vóór 2010 een kwart meer octrooien binnen te halen. Want octrooien zijn dé manier om bedrijven en universiteiten bij elkaar te brengen: wetenschappers ontwikkelen – al dan niet samen met commerciële partijen – een idee, en een bedrijf maakt daar een product van. Zo wordt de samenwerking gestimuleerd. En door kennis in de vorm van octrooien te verkopen, kunnen universiteiten ook nog eens een zakcentje bijverdienen. Het lijkt een plan met alleen maar voordelen. Toch klinken op de werkvloer ook andere geluiden.

Zeven nadelen op een rijtje.

1. Tijdrovende klus

Een octrooi aanvragen kost veel tijd. Of liever gezegd: de procedure die aan de aanvraag voorafgaat vergt veel tijd. In de meeste gevallen zul je iemand anders – een industriële partner of de universiteit – voor de niet geringe kosten willen laten opdraaien. Die ander wil dan natuurlijk wel zeker weten dat zijn geld nuttig wordt besteed. “En aangezien de geldschieters meestal geen specialist zijn op jouw vakgebied, kan het proces om hen te overtuigen lang duren; soms ben je wel een halfjaar bezig met discussiëren”, heeft Gúnter Weickert, hoogleraar industriële polymerisatieprocessen aan de Universiteit Twente, ervaren.

Ook het zoeken van een industriële partner kan de nodige tijd kosten, zegt dr.ir. Michiel Makkee, hoofddocent bij de faculteit Technische Natuurwetenschappen van de TU Delft. “Zolang er op de universiteit geen sterke organisatie is die zich met octrooien bezighoudt en er de boer mee op gaat, moet je dat allemaal zelf doen. Dat gaat ten koste van je andere activiteiten, want je kunt je tijd maar één keer besteden.”

2. Kost veel geld

Octrooien zijn duur. Wil je een gemiddeld octrooi een jaar of zes instandhouden, dan ben je ongeveer tweeënhalf modaal jaarsalaris kwijt. Lieuwe Boersma, patent officer van de TU Delft, rekent voor: “In de eerste tweeënhalf jaar kost het je gemiddeld 15.000 euro – daarmee betaal je een Nederlandse octrooiaanvraag (5000 euro) en een wereldwijde (8000 euro) en een voorlopig nieuwheidsonderzoek (2000 euro), want er moet natuurlijk worden gekeken of jouw vondst wel nieuw is. Is dat het geval, dan moet je gaan bepalen in welke landen je het octrooi daadwerkelijk wilt vestigen. Wij kiezen in de meeste gevallen voor Europa, de Verenigde Staten en Japan; soms zit Canada er ook bij. Daar betaal je aan kosten nog eens gemiddeld 25.000 euro voor. Vervolgens moet je het octrooi in Europa in alle landen apart laten registreren. Stel dat je voor tien landen kiest, dan is dat nog eens ongeveer 25.000 euro. Als je al die bedragen bij elkaar optelt, plus de jaarlijkse taksen die je voor het instandhouden van het octrooi in de verschillende landen betaalt, kom je uit op 75.000 euro.”

3. Rijk worden?

Als één idee over octrooien wijdverbreid is, dan is het dat je er slapend rijk van wordt. Helaas: negen van de tien octrooien leveren nooit iets op en kosten alleen maar geld. Maar ook bij octrooien waar wel iets uitkomt, mag je al heel blij zijn als je er enkele tienduizenden euro’s aan overhoudt. Eddie van Veldhuizen, docent technische natuurkunde aan de TU Eindhoven, legt uit hoe dat zit: “Een idee dat je octrooieert, dat is een tekening en een paar velletjes tekst. Dat is nog geen product. Een bedrijf, Philips bijvoorbeeld, moet dat idee helemaal uitontwikkelen tot het marktklaar is. Dat kan wel een paar jaar duren. Die investering wil Philips terugzien. Op het moment dat er winst is te verdelen, moet je er rekening mee houden dat jouw idee maar een heel klein onderdeeltje is van het uiteindelijke product.” Chemisch ingenieur Makkee: “Op de ontwikkeling van een chip verdien je misschien een duppie. Dan moet je er heel wat verkopen om rijk te worden…”

Volgens beiden moet je het idee uit je hoofd zetten dat je miljoenen kunt verdienen als je een octrooi zelf houdt en royalty’s bedingt over elk verkocht product. Je kunt het octrooi beter zo snel mogelijk verkopen. Van Veldhuizen: “Dan krijg je een eenmalig bedrag en heb je er verder geen omkijken naar.”

4. Minder publiceren

Zodra je over een nieuwe vondst hebt gepubliceerd, vervalt – althans in Europa – de mogelijkheid om octrooi aan te vragen. Wie overweegt om een vinding te laten octrooieren, moet daar dus al in een heel vroeg stadium rekening mee gaan houden. Dat betekent: geen artikelen publiceren voordat je daadwerkelijk naar het octrooibureau stapt. “Die periode kan soms wel twee jaar duren”, zegt Weickert. “Dat is een nadeel voor de aio’s, de prof en de anderen die bij het project zijn betrokken, want die worden juist op het aantal publicaties afgerekend.”

Maar ook nadat een octrooi is toegekend, kun je in een situatie komen waarin je minder kunt publiceren dan je zou willen. De Delftse emeritus hoogleraar luchtvaart- en ruimtevaarttechniek prof.ir.Boud Vogelesang, bekend van het gepatenteerde vliegtuigmateriaal glare, legt uit: “Stel, je hebt een octrooi en je geeft een bedrijf een licentie om daarvan gebruik te maken. Dat bedrijf zegt: ‘Goed, ik ga jouw product verder ontwikkelen, maar dan wil ik niet dat jij met Jan en alleman over je onderzoek praat. En ik wil ook niet dat je nieuwe ontwikkelingen publiceert – anders wordt mijn concurrentiepositie geschaad.’ Dan krijg je de gekke situatie dat een fantastische onderzoeksgroep ineens niet meer kan publiceren. Het gevolg? Die groep krijgt minder punten, dus minder geld, dus die verzwakt.”

5. Oncontroleerbaar

Een octrooi vestig je met de bedoeling dat een ander niet zomaar met jouw vondst aan de haal kan gaan. Maar in de praktijk is het onmogelijk om te controleren of dat gebeurt. Je zou dan namelijk van elk nieuw item op de markt waarvan je vermoedt dat het inbreuk maakt op jouw octrooi het volledige productieproces moeten naspitten. Dat is niet te doen. En al helemaal niet als je, behalve met de Nederlandse markt, ook met het buitenland te maken hebt. “Stel, ik heb in China een octrooi lopen”, legt Makkee uit, “dat is allemaal leuk en aardig, maar hoe moet ik nagaan of daar geen inbreuk op wordt gemaakt? Ik heb daar geen tijd voor, dus ik controleer het niet. En de TU Delft controleert het ook niet. Niemand controleert het.”

6. Demotiverend effect

Onderzoekers laten een octrooi registreren omdat ze denken dat ze een waardevol idee hebben waar de wetenschap iets aan heeft. Maar een van de redenen waarom bedrijven octrooien opkopen is om ze in een la te kunnen stoppen. “Dat kan voorkomen als een bedrijf net heeft geïnvesteerd in een vorige vinding die zijn vruchten nog moet gaan afwerpen”, vertelt de Delftse octrooienman Boersma. “In dat geval heeft dat bedrijf geen belang bij een nieuwe vinding. De enige reden dat ze het octrooi dan toch kopen, is om te voorkomen dat de concurrentie ermee aan de slag gaat.”

Maar dat kan demotiverend zijn voor de uitvinder, zegt natuurkundige Van Veldhuizen van de TU Eindhoven. “Die denkt: nou heb ik zo’n mooi idee, en nu wordt er niks mee gedaan.”

7. Je brengt mensen op een idee

Anderhalf jaar nadat een octrooi is aangevraagd, wordt de aanvraag openbaar gemaakt. Wil je rustig in de luwte aan je onderzoek werken zonder anderen op een idee te brengen, dan kan octrooi aanvragen dus een averechts effect hebben.

In sommige gevallen is het succes van een product zelfs rechtstreeks terug te voeren op niet octrooieren. De Eindhovense ingenieur Hein van den Heuvel, die in Den Bosch een octrooibureau runt, noemt het voorbeeld van Coca-Cola. “Dat bedrijf slaagt er al meer dan honderd jaar in om de succesformule geheim te houden. Als de bedenkers die formule destijds hadden geoctrooieerd, hadden concurrenten zoals Pepsi daar al na anderhalf jaar kennis van kunnen nemen. En na het verlopen van het octrooi, momenteel na twintig jaar, had iedereen die cola mogen maken.”

Als het niet je bedoeling is om de wetenschap als zodanig te bevorderen en je kunt de details van je vondst geheimhouden, adviseert Van den Heuvel om niet te octrooieren.

Als er zoveel nadelen aan octrooien vastzitten, moeten wetenschappers dan wel doorgaan met octrooieren? Zeker wel, meent bijna iedereen die je over het onderwerp spreekt. Maar niet op de huidige voet.

Zo moet de TU Delft meer mensen aanstellen die zich fulltime met octrooizaken bezighouden, vindt Michiel Makkee. “Anderhalve man en een paardenkop, om het zo maar te zeggen, zijn niet genoeg”, aldus de chemisch ingenieur. “Je hebt een sterke organisatie nodig die dat trekt, en die ook werkelijk budget heeft om octrooiactiviteiten te stimuleren. Want wetenschappers zijn niet per definitie geschikt als verkoper; die hebben andere taken.”

Patent officer Lieuwe Boersma steunt die opvatting. De afdeling aan de TU Delft die zich bezighoudt met octrooien bestaat momenteel uit hem alleen. Dat vindt hij ‘inderdaad wel wat aan de krappe kant’. Zeker als de technische universiteiten in de toekomst een kwart meer octrooien willen genereren. Zo’n streven heeft volgens Boersma alleen zin als je het professioneler organiseert; hij ziet niets in een lukrake patentenjacht.

Boersma schetst een ideaalbeeld: “Je gaat in een vroeg stadium op de faculteiten kijken waar interessant octrooieerbaar onderzoek wordt gedaan. Vervolgens zoek je marktpartijen om mee samen te werken; eventueel kun je dan samen octrooi aanvragen. Het zou mooi zijn als je op een aantal specifieke gebieden, bijvoorbeeld nanoscience, een langdurige onderzoeksrelatie kon aangaan met een paar grote, vaste partners. Want de relaties met Shell, Philips en Akzo zijn momenteel nog vaak het gevolg van toevallige contacten.”

Gaat dat allemaal lukken vóór 2010? De octrooienman heeft er een hard hoofd in. “Als we met de drie TU’s iets samen willen doen op het gebied van octrooien, dan moet dat dit jaar of volgend jaar zijn beslag krijgen. Maar op dit moment is er nog totaal geen zicht op.”

Het is een veelgehoorde klacht: de Nederlandse universiteiten verrichten uitstekend onderzoek, maar bedrijven profiteren daar te weinig van. Op die klacht hebben de drie technische universiteiten nu een antwoord: in hun gezamenlijke toekomstplan lanceren ze het voornemen om vóór 2010 een kwart meer octrooien binnen te halen. Want octrooien zijn dé manier om bedrijven en universiteiten bij elkaar te brengen: wetenschappers ontwikkelen – al dan niet samen met commerciële partijen – een idee, en een bedrijf maakt daar een product van. Zo wordt de samenwerking gestimuleerd. En door kennis in de vorm van octrooien te verkopen, kunnen universiteiten ook nog eens een zakcentje bijverdienen. Het lijkt een plan met alleen maar voordelen. Toch klinken op de werkvloer ook andere geluiden.

Zeven nadelen op een rijtje.

1. Tijdrovende klus

Een octrooi aanvragen kost veel tijd. Of liever gezegd: de procedure die aan de aanvraag voorafgaat vergt veel tijd. In de meeste gevallen zul je iemand anders – een industriële partner of de universiteit – voor de niet geringe kosten willen laten opdraaien. Die ander wil dan natuurlijk wel zeker weten dat zijn geld nuttig wordt besteed. “En aangezien de geldschieters meestal geen specialist zijn op jouw vakgebied, kan het proces om hen te overtuigen lang duren; soms ben je wel een halfjaar bezig met discussiëren”, heeft Gúnter Weickert, hoogleraar industriële polymerisatieprocessen aan de Universiteit Twente, ervaren.

Ook het zoeken van een industriële partner kan de nodige tijd kosten, zegt dr.ir. Michiel Makkee, hoofddocent bij de faculteit Technische Natuurwetenschappen van de TU Delft. “Zolang er op de universiteit geen sterke organisatie is die zich met octrooien bezighoudt en er de boer mee op gaat, moet je dat allemaal zelf doen. Dat gaat ten koste van je andere activiteiten, want je kunt je tijd maar één keer besteden.”

2. Kost veel geld

Octrooien zijn duur. Wil je een gemiddeld octrooi een jaar of zes instandhouden, dan ben je ongeveer tweeënhalf modaal jaarsalaris kwijt. Lieuwe Boersma, patent officer van de TU Delft, rekent voor: “In de eerste tweeënhalf jaar kost het je gemiddeld 15.000 euro – daarmee betaal je een Nederlandse octrooiaanvraag (5000 euro) en een wereldwijde (8000 euro) en een voorlopig nieuwheidsonderzoek (2000 euro), want er moet natuurlijk worden gekeken of jouw vondst wel nieuw is. Is dat het geval, dan moet je gaan bepalen in welke landen je het octrooi daadwerkelijk wilt vestigen. Wij kiezen in de meeste gevallen voor Europa, de Verenigde Staten en Japan; soms zit Canada er ook bij. Daar betaal je aan kosten nog eens gemiddeld 25.000 euro voor. Vervolgens moet je het octrooi in Europa in alle landen apart laten registreren. Stel dat je voor tien landen kiest, dan is dat nog eens ongeveer 25.000 euro. Als je al die bedragen bij elkaar optelt, plus de jaarlijkse taksen die je voor het instandhouden van het octrooi in de verschillende landen betaalt, kom je uit op 75.000 euro.”

3. Rijk worden?

Als één idee over octrooien wijdverbreid is, dan is het dat je er slapend rijk van wordt. Helaas: negen van de tien octrooien leveren nooit iets op en kosten alleen maar geld. Maar ook bij octrooien waar wel iets uitkomt, mag je al heel blij zijn als je er enkele tienduizenden euro’s aan overhoudt. Eddie van Veldhuizen, docent technische natuurkunde aan de TU Eindhoven, legt uit hoe dat zit: “Een idee dat je octrooieert, dat is een tekening en een paar velletjes tekst. Dat is nog geen product. Een bedrijf, Philips bijvoorbeeld, moet dat idee helemaal uitontwikkelen tot het marktklaar is. Dat kan wel een paar jaar duren. Die investering wil Philips terugzien. Op het moment dat er winst is te verdelen, moet je er rekening mee houden dat jouw idee maar een heel klein onderdeeltje is van het uiteindelijke product.” Chemisch ingenieur Makkee: “Op de ontwikkeling van een chip verdien je misschien een duppie. Dan moet je er heel wat verkopen om rijk te worden…”

Volgens beiden moet je het idee uit je hoofd zetten dat je miljoenen kunt verdienen als je een octrooi zelf houdt en royalty’s bedingt over elk verkocht product. Je kunt het octrooi beter zo snel mogelijk verkopen. Van Veldhuizen: “Dan krijg je een eenmalig bedrag en heb je er verder geen omkijken naar.”

4. Minder publiceren

Zodra je over een nieuwe vondst hebt gepubliceerd, vervalt – althans in Europa – de mogelijkheid om octrooi aan te vragen. Wie overweegt om een vinding te laten octrooieren, moet daar dus al in een heel vroeg stadium rekening mee gaan houden. Dat betekent: geen artikelen publiceren voordat je daadwerkelijk naar het octrooibureau stapt. “Die periode kan soms wel twee jaar duren”, zegt Weickert. “Dat is een nadeel voor de aio’s, de prof en de anderen die bij het project zijn betrokken, want die worden juist op het aantal publicaties afgerekend.”

Maar ook nadat een octrooi is toegekend, kun je in een situatie komen waarin je minder kunt publiceren dan je zou willen. De Delftse emeritus hoogleraar luchtvaart- en ruimtevaarttechniek prof.ir.Boud Vogelesang, bekend van het gepatenteerde vliegtuigmateriaal glare, legt uit: “Stel, je hebt een octrooi en je geeft een bedrijf een licentie om daarvan gebruik te maken. Dat bedrijf zegt: ‘Goed, ik ga jouw product verder ontwikkelen, maar dan wil ik niet dat jij met Jan en alleman over je onderzoek praat. En ik wil ook niet dat je nieuwe ontwikkelingen publiceert – anders wordt mijn concurrentiepositie geschaad.’ Dan krijg je de gekke situatie dat een fantastische onderzoeksgroep ineens niet meer kan publiceren. Het gevolg? Die groep krijgt minder punten, dus minder geld, dus die verzwakt.”

5. Oncontroleerbaar

Een octrooi vestig je met de bedoeling dat een ander niet zomaar met jouw vondst aan de haal kan gaan. Maar in de praktijk is het onmogelijk om te controleren of dat gebeurt. Je zou dan namelijk van elk nieuw item op de markt waarvan je vermoedt dat het inbreuk maakt op jouw octrooi het volledige productieproces moeten naspitten. Dat is niet te doen. En al helemaal niet als je, behalve met de Nederlandse markt, ook met het buitenland te maken hebt. “Stel, ik heb in China een octrooi lopen”, legt Makkee uit, “dat is allemaal leuk en aardig, maar hoe moet ik nagaan of daar geen inbreuk op wordt gemaakt? Ik heb daar geen tijd voor, dus ik controleer het niet. En de TU Delft controleert het ook niet. Niemand controleert het.”

6. Demotiverend effect

Onderzoekers laten een octrooi registreren omdat ze denken dat ze een waardevol idee hebben waar de wetenschap iets aan heeft. Maar een van de redenen waarom bedrijven octrooien opkopen is om ze in een la te kunnen stoppen. “Dat kan voorkomen als een bedrijf net heeft geïnvesteerd in een vorige vinding die zijn vruchten nog moet gaan afwerpen”, vertelt de Delftse octrooienman Boersma. “In dat geval heeft dat bedrijf geen belang bij een nieuwe vinding. De enige reden dat ze het octrooi dan toch kopen, is om te voorkomen dat de concurrentie ermee aan de slag gaat.”

Maar dat kan demotiverend zijn voor de uitvinder, zegt natuurkundige Van Veldhuizen van de TU Eindhoven. “Die denkt: nou heb ik zo’n mooi idee, en nu wordt er niks mee gedaan.”

7. Je brengt mensen op een idee

Anderhalf jaar nadat een octrooi is aangevraagd, wordt de aanvraag openbaar gemaakt. Wil je rustig in de luwte aan je onderzoek werken zonder anderen op een idee te brengen, dan kan octrooi aanvragen dus een averechts effect hebben.

In sommige gevallen is het succes van een product zelfs rechtstreeks terug te voeren op niet octrooieren. De Eindhovense ingenieur Hein van den Heuvel, die in Den Bosch een octrooibureau runt, noemt het voorbeeld van Coca-Cola. “Dat bedrijf slaagt er al meer dan honderd jaar in om de succesformule geheim te houden. Als de bedenkers die formule destijds hadden geoctrooieerd, hadden concurrenten zoals Pepsi daar al na anderhalf jaar kennis van kunnen nemen. En na het verlopen van het octrooi, momenteel na twintig jaar, had iedereen die cola mogen maken.”

Als het niet je bedoeling is om de wetenschap als zodanig te bevorderen en je kunt de details van je vondst geheimhouden, adviseert Van den Heuvel om niet te octrooieren.

Als er zoveel nadelen aan octrooien vastzitten, moeten wetenschappers dan wel doorgaan met octrooieren? Zeker wel, meent bijna iedereen die je over het onderwerp spreekt. Maar niet op de huidige voet.

Zo moet de TU Delft meer mensen aanstellen die zich fulltime met octrooizaken bezighouden, vindt Michiel Makkee. “Anderhalve man en een paardenkop, om het zo maar te zeggen, zijn niet genoeg”, aldus de chemisch ingenieur. “Je hebt een sterke organisatie nodig die dat trekt, en die ook werkelijk budget heeft om octrooiactiviteiten te stimuleren. Want wetenschappers zijn niet per definitie geschikt als verkoper; die hebben andere taken.”

Patent officer Lieuwe Boersma steunt die opvatting. De afdeling aan de TU Delft die zich bezighoudt met octrooien bestaat momenteel uit hem alleen. Dat vindt hij ‘inderdaad wel wat aan de krappe kant’. Zeker als de technische universiteiten in de toekomst een kwart meer octrooien willen genereren. Zo’n streven heeft volgens Boersma alleen zin als je het professioneler organiseert; hij ziet niets in een lukrake patentenjacht.

Boersma schetst een ideaalbeeld: “Je gaat in een vroeg stadium op de faculteiten kijken waar interessant octrooieerbaar onderzoek wordt gedaan. Vervolgens zoek je marktpartijen om mee samen te werken; eventueel kun je dan samen octrooi aanvragen. Het zou mooi zijn als je op een aantal specifieke gebieden, bijvoorbeeld nanoscience, een langdurige onderzoeksrelatie kon aangaan met een paar grote, vaste partners. Want de relaties met Shell, Philips en Akzo zijn momenteel nog vaak het gevolg van toevallige contacten.”

Gaat dat allemaal lukken vóór 2010? De octrooienman heeft er een hard hoofd in. “Als we met de drie TU’s iets samen willen doen op het gebied van octrooien, dan moet dat dit jaar of volgend jaar zijn beslag krijgen. Maar op dit moment is er nog totaal geen zicht op.”

Redacteur Redactie

Heb je een vraag of opmerking over dit artikel?

delta@tudelft.nl

Comments are closed.