Onderwijs

Ik was een radicale linkse activist’

José Manuel Barroso is sinds november 2004 voorzitter van de Europese Commissie. Juni vorig jaar kreeg hij een fikse tegenslag te verwerken met het Franse en Nederlandse ‘nee’ tegen de Europese Grondwet.

Maar de Portugees maakt alles behalve een verslagen indruk. “We mogen niet stilzitten. De status quo is geen optie.”

Wat was u zelf voor student?

“Ik was radicaal, heel radicaal mag ik wel zeggen, in mijn jonge jaren. Portugal was tot 1974 een rechtse dictatuur. Vanaf mijn zeventiende was ik politiek actief en betrokken bij demonstraties tegen het toenmalige bewind en de inperking van de vrijheid van meningsuiting. Ik ging rechten studeren aan de universiteit van Lissabon en werd al snel voorzitter van de studentenvakbond. Ik was een van de radicaalste linkse activisten gedurende de democratische revolutie in 1975 en 1976.”

Was u toen al pro-Europees?

“Nee, dat kwam later. Wel was ik in die jaren voor het eerst in Brussel. Bij de Europese Commissie kwam ik steun vragen voor de oprichting van de eerste Europese studentenvereniging in Portugal. Dat was al in 1978, acht jaar voordat Portugal zich bij de EU aansloot.”

U was een briljant student politicologie. Nooit gedacht aan promoveren in Amerika?

“O jawel. Het liefst was ik direct na mijn afstuderen naar de Verenigde Staten vertrokken. In de zomer na het behalen van mijn bul was ik een maand in Amsterdam voor een lesprogramma aan de Universiteit van Amsterdam over Amerikaans recht. Het was een samenwerkingsverband tussen de universiteiten van Amsterdam, Leiden en Columbia. De Amerikaanse professoren van wie ik les kreeg, boden mij een beurs aan voor Yale. Persoonlijke omstandigheden zorgden ervoor dat ik uiteindelijk toch in Europa bleef. Het overlijden van mijn vader was een belangrijke reden. Mijn moeder vroeg me niet zo ver weg te gaan. In Genève studeerde ik Europese studies en politicologie.”

U bent in Delft om het belang van technologische innovatie te benadrukken. Hebt u zelf iets met techniek?

“Niet echt, al kom ik wel uit een bèta-wetenschappelijk nest. Ik was de eerste in de familie die rechten ging studeren.”

Bent u er in geslaagd één van uw drie zonen in die richting te duwen?

“Vooralsnog niet. De oudste zit in het laatste jaar van zijn rechtenstudie in Lissabon. De middelste is eerstejaars bedrijfskunde. De jongste zit in het laatste jaar van de internationale school in Brussel. Hij denkt er wel aan om volgend jaar architectuur te gaan studeren. Dat is toch één uit drie. Die jongste heeft trouwens een Nederlands vriendinnetje!”

U luidde in de aula de noodklok over de stagnerende investeringen in de Europese kenniseconomie. Verkeren we in een crisis?

“Het belang van onderwijs, onderzoek en innovatie voor het bereiken van duurzame economische groei kan niet worden overschat. De Europese Unie investeert veel minder in onderzoek dan de Amerikanen. En terwijl hier de budgetten voor hoger onderwijs worden bevroren, stijgen de budgetten in China jaarlijks met 20 procent. Multinationals verplaatsen hun onderzoekspoten naar Azië om daar te profiteren van het stijgende opleidingsniveau. Als we niet achterop willen raken moet er tienduizend euro per student per jaar bij.”

Waar moet dat geld vandaan komen?

“In Amerika vullen ze dat gat met geld uit private bronnen. Daar moeten we in Europa misschien ook eens wat minder bang voor zijn. Onderwijs is ook een markt en Europa verliest het momenteel in de strijd om de knapste koppen van de wereld. Zelfs onze eigen knappe koppen studeren en promoveren liever in Amerika! Dat moet echt veranderen.”

Hoe kunnen we topwetenschappers vasthouden?

“Binnen de EU moeten we onze krachten bundelen. Ongeveer een jaar geleden zijn we met het plan gekomen voor een European Institute of Technology, een Europese tegenhanger van het Amerikaanse MIT, waarin de beste onderzoeksgroepen van Europa bij elkaar komen. Die onderzoeksgroepen kunnen van de verschillende topuniversiteiten komen, maar óók uit het bedrijfsleven. Zo ontstaat ook in Europa voor talentvolle wetenschappers weer een uitdagende omgeving.”

Wat zou de rol van de TU Delft kunnen zijn in zo’n EIT?

“Hier in Delft blinken jullie bijvoorbeeld uit in waterbouw, nanotechnologie en ruimtevaarttechniek. Onderzoeksgroepen van die faculteiten zouden samen met de beste wetenschappers in die velden van andere Europese universiteiten en research&development-afdelingen van grote Europese bedrijven, een belangrijke pijler kunnen zijn.”

Op wat voor termijn zou zo’n instituut moeten verrijzen?

“Als we deze zomer de eerste knopen doorhakken, zou het er al in 2009 kunnen staan. Tot die tijd steekt de Europese Unie de komende jaren al één miljard euro per jaar in geselecteerde onderzoeksprojecten door heel Europa. We moeten zo snel mogelijk oog krijgen voor topprestaties en die belonen. We hebben geen tijd te verliezen.”

Tot nu toe zijn de regels voor de vermenging van publieke en private investeringen zeer strikt geweest. Moet dat veranderen?

“Universiteiten zouden meer verantwoordelijkheid moeten krijgen over hun budget. Met een grotere autonomie zouden ze zelf kunnen bepalen waar ze de accenten leggen. Wat is er tegen samenwerking met de industrie? Met een grotere autonomie moet de overheid universiteiten tegelijkertijd natuurlijk wel er op kunnen afrekenen als ze het niet goed doen. Het is vreemd dat goede en slechte universiteiten in het huidige systeem dezelfde middelen ontvangen. Innovatie is belangrijk en daarvoor is flexibiliteit noodzakelijk. Laatst sprak ik over dit onderwerp met een groep Europese Nobelprijswinnaars. Ik vroeg een van hen waarom hij er de voorkeur aan gaf in Amerika te werken. Hij antwoordde: ‘Ik ben over de tachtig, in Europa had ik al niet meer mógen werken’.”

Hoe staat de slagkracht van de EU er voor na het Franse en Nederlandse ‘nee’ tegen de Grondwet?

“Het is er natuurlijk niet gemakkelijker op geworden. We zijn nog altijd bezig die klap te boven te komen. Het akkoord over de begroting heeft ons gelukkig weer een positieve impuls gegeven, zodat we aan de slag kunnen met dringende zaken als het stimuleren van economische groei en het creëren van banen. Euroscepsis hangt vaak nauw samen met een slechte economische situatie. Als je werkeloos bent en je buurt verpaupert, is het moeilijk enthousiast te zijn over Europese aangelegenheden.”

Moet de EU nog groeien of moeten we even pas op de plaats maken?

“Met 25 landen zijn we nog steeds niet groot. Als je de huidige Europese Unie vergelijkt met China, India en Amerika, dan horen we nog steeds niet bij de grote jongens. Ik verwelkom . mits ze aan de voorwaarden voldoen . daarom nummer 26 en 27, Kroatië en Turkije. Nummer 28 en 29 zijn ook welkom. Natuurlijk! Globalisatie is geen dreigend onheil, maar een feit. Je kunt twee dingen doen: ervoor weglopen of een poging wagen de nieuwe situatie naar onze Europese waarden te vormen.”

Kunnen we in de toekomst concurreren met landen die het niet zo nauw nemen met het milieu of de mensenrechten?

“Misschien geven andere economische grootmachten nu minder om dat soort zaken, maar dat zal op den duur ook veranderen. Het betekent hoe dan ook niet dat we het tegen ze zullen afleggen als we aan onze waarden vasthouden. We hebben nog altijd veel macht. De groeiende Aziatische economieën zijn niet slechts een bedreiging, maar ook een kans. De Duitse autofabrikanten staan bijvoorbeeld nog altijd aan de top. Zij verkopen nu al meer auto’s in China dan in Europa. Europa is nog altijd handelsbolwerk nummer één en is ook de grootste verstrekker van ontwikkelingshulp. We moeten echter niet stilzitten. De status quo is geen optie. We hebben groei nodig om de gezondheidszorg en de pensioenen te kunnen bekostigen.”

Als we later groot en sterk zijn, staan we dan sterker in onze schoenen als de Amerikanen druk op ons uitoefenen om troepen naar Afghanistan te sturen?

“We zijn nog ver verwijderd van een gezamenlijk buitenlands beleid. De beslissing wel of geen troepen naar Afghanistan te sturen is een nationale aangelegenheid. De Europese Unie is echter gebaat bij een stabiele situatie in Afghanistan. We hebben als EU daarom onze steun toegezegd wat betreft humanitaire hulp en het vergroten van de veiligheid. Vele lidstaten zijn er actief. Of ze troepen sturen en zo ja waarheen, is een beslissing voor de afzonderlijke regeringen. Persoonlijk denk ik dat de Europese lidstaten in de toekomst ook op het gebied van buitenlands beleid meer en meer zullen integreren. De drijvende kracht voor die ontwikkeling is globalisering. Nederland, Portugal, België, afzonderlijk tellen we niet mee. Om een actueel voorbeeld te nemen: als we met onze Russische partners moeten onderhandelen over de toelevering van gas en olie, wanneer staan we dan sterker? Afzonderlijk of samen?”

(Foto’s: Sam Rentmeester/FMAX)

WIE IS JOSé MANUEL BARROSO?

José Manuel Duro Barroso (1956) is geboren en getogen in Lissabon. Hij studeerde rechten aan de Universiteit van Lissabon en Europese studies en economie aan de Universiteit van Genève. Op zeventienjarige leeftijd was hij al politiek actief en demonstreerde hij tegen het rechtse dictatoriale bewind van Portugal. Hij werd voorzitter van de studentenvakbond en was als radicale linkse activist direct betrokken bij de democratische revolutie in 1974. Na zijn afstuderen was hij universitair docent politieke wetenschappen in Lissabon, Genève en Washington. In 1980 sloot hij zich aan bij de sociaal-democratische partij van Portugal. In 1985 werd hij voor het eerst verkozen in het parlement en op 29-jarige leeftijd werd hij minister van buitenlandse zaken. In 2002 werd hij premier van Portugal en voerde hij drastische financiële hervormingen door. In november 2004 werd hij voorzitter van de Europese Commissie. José Manuel Barroso woont in Brussel, is getrouwd en heeft drie studerende zonen.

Wat was u zelf voor student?

“Ik was radicaal, heel radicaal mag ik wel zeggen, in mijn jonge jaren. Portugal was tot 1974 een rechtse dictatuur. Vanaf mijn zeventiende was ik politiek actief en betrokken bij demonstraties tegen het toenmalige bewind en de inperking van de vrijheid van meningsuiting. Ik ging rechten studeren aan de universiteit van Lissabon en werd al snel voorzitter van de studentenvakbond. Ik was een van de radicaalste linkse activisten gedurende de democratische revolutie in 1975 en 1976.”

Was u toen al pro-Europees?

“Nee, dat kwam later. Wel was ik in die jaren voor het eerst in Brussel. Bij de Europese Commissie kwam ik steun vragen voor de oprichting van de eerste Europese studentenvereniging in Portugal. Dat was al in 1978, acht jaar voordat Portugal zich bij de EU aansloot.”

U was een briljant student politicologie. Nooit gedacht aan promoveren in Amerika?

“O jawel. Het liefst was ik direct na mijn afstuderen naar de Verenigde Staten vertrokken. In de zomer na het behalen van mijn bul was ik een maand in Amsterdam voor een lesprogramma aan de Universiteit van Amsterdam over Amerikaans recht. Het was een samenwerkingsverband tussen de universiteiten van Amsterdam, Leiden en Columbia. De Amerikaanse professoren van wie ik les kreeg, boden mij een beurs aan voor Yale. Persoonlijke omstandigheden zorgden ervoor dat ik uiteindelijk toch in Europa bleef. Het overlijden van mijn vader was een belangrijke reden. Mijn moeder vroeg me niet zo ver weg te gaan. In Genève studeerde ik Europese studies en politicologie.”

U bent in Delft om het belang van technologische innovatie te benadrukken. Hebt u zelf iets met techniek?

“Niet echt, al kom ik wel uit een bèta-wetenschappelijk nest. Ik was de eerste in de familie die rechten ging studeren.”

Bent u er in geslaagd één van uw drie zonen in die richting te duwen?

“Vooralsnog niet. De oudste zit in het laatste jaar van zijn rechtenstudie in Lissabon. De middelste is eerstejaars bedrijfskunde. De jongste zit in het laatste jaar van de internationale school in Brussel. Hij denkt er wel aan om volgend jaar architectuur te gaan studeren. Dat is toch één uit drie. Die jongste heeft trouwens een Nederlands vriendinnetje!”

U luidde in de aula de noodklok over de stagnerende investeringen in de Europese kenniseconomie. Verkeren we in een crisis?

“Het belang van onderwijs, onderzoek en innovatie voor het bereiken van duurzame economische groei kan niet worden overschat. De Europese Unie investeert veel minder in onderzoek dan de Amerikanen. En terwijl hier de budgetten voor hoger onderwijs worden bevroren, stijgen de budgetten in China jaarlijks met 20 procent. Multinationals verplaatsen hun onderzoekspoten naar Azië om daar te profiteren van het stijgende opleidingsniveau. Als we niet achterop willen raken moet er tienduizend euro per student per jaar bij.”

Waar moet dat geld vandaan komen?

“In Amerika vullen ze dat gat met geld uit private bronnen. Daar moeten we in Europa misschien ook eens wat minder bang voor zijn. Onderwijs is ook een markt en Europa verliest het momenteel in de strijd om de knapste koppen van de wereld. Zelfs onze eigen knappe koppen studeren en promoveren liever in Amerika! Dat moet echt veranderen.”

Hoe kunnen we topwetenschappers vasthouden?

“Binnen de EU moeten we onze krachten bundelen. Ongeveer een jaar geleden zijn we met het plan gekomen voor een European Institute of Technology, een Europese tegenhanger van het Amerikaanse MIT, waarin de beste onderzoeksgroepen van Europa bij elkaar komen. Die onderzoeksgroepen kunnen van de verschillende topuniversiteiten komen, maar óók uit het bedrijfsleven. Zo ontstaat ook in Europa voor talentvolle wetenschappers weer een uitdagende omgeving.”

Wat zou de rol van de TU Delft kunnen zijn in zo’n EIT?

“Hier in Delft blinken jullie bijvoorbeeld uit in waterbouw, nanotechnologie en ruimtevaarttechniek. Onderzoeksgroepen van die faculteiten zouden samen met de beste wetenschappers in die velden van andere Europese universiteiten en research&development-afdelingen van grote Europese bedrijven, een belangrijke pijler kunnen zijn.”

Op wat voor termijn zou zo’n instituut moeten verrijzen?

“Als we deze zomer de eerste knopen doorhakken, zou het er al in 2009 kunnen staan. Tot die tijd steekt de Europese Unie de komende jaren al één miljard euro per jaar in geselecteerde onderzoeksprojecten door heel Europa. We moeten zo snel mogelijk oog krijgen voor topprestaties en die belonen. We hebben geen tijd te verliezen.”

Tot nu toe zijn de regels voor de vermenging van publieke en private investeringen zeer strikt geweest. Moet dat veranderen?

“Universiteiten zouden meer verantwoordelijkheid moeten krijgen over hun budget. Met een grotere autonomie zouden ze zelf kunnen bepalen waar ze de accenten leggen. Wat is er tegen samenwerking met de industrie? Met een grotere autonomie moet de overheid universiteiten tegelijkertijd natuurlijk wel er op kunnen afrekenen als ze het niet goed doen. Het is vreemd dat goede en slechte universiteiten in het huidige systeem dezelfde middelen ontvangen. Innovatie is belangrijk en daarvoor is flexibiliteit noodzakelijk. Laatst sprak ik over dit onderwerp met een groep Europese Nobelprijswinnaars. Ik vroeg een van hen waarom hij er de voorkeur aan gaf in Amerika te werken. Hij antwoordde: ‘Ik ben over de tachtig, in Europa had ik al niet meer mógen werken’.”

Hoe staat de slagkracht van de EU er voor na het Franse en Nederlandse ‘nee’ tegen de Grondwet?

“Het is er natuurlijk niet gemakkelijker op geworden. We zijn nog altijd bezig die klap te boven te komen. Het akkoord over de begroting heeft ons gelukkig weer een positieve impuls gegeven, zodat we aan de slag kunnen met dringende zaken als het stimuleren van economische groei en het creëren van banen. Euroscepsis hangt vaak nauw samen met een slechte economische situatie. Als je werkeloos bent en je buurt verpaupert, is het moeilijk enthousiast te zijn over Europese aangelegenheden.”

Moet de EU nog groeien of moeten we even pas op de plaats maken?

“Met 25 landen zijn we nog steeds niet groot. Als je de huidige Europese Unie vergelijkt met China, India en Amerika, dan horen we nog steeds niet bij de grote jongens. Ik verwelkom . mits ze aan de voorwaarden voldoen . daarom nummer 26 en 27, Kroatië en Turkije. Nummer 28 en 29 zijn ook welkom. Natuurlijk! Globalisatie is geen dreigend onheil, maar een feit. Je kunt twee dingen doen: ervoor weglopen of een poging wagen de nieuwe situatie naar onze Europese waarden te vormen.”

Kunnen we in de toekomst concurreren met landen die het niet zo nauw nemen met het milieu of de mensenrechten?

“Misschien geven andere economische grootmachten nu minder om dat soort zaken, maar dat zal op den duur ook veranderen. Het betekent hoe dan ook niet dat we het tegen ze zullen afleggen als we aan onze waarden vasthouden. We hebben nog altijd veel macht. De groeiende Aziatische economieën zijn niet slechts een bedreiging, maar ook een kans. De Duitse autofabrikanten staan bijvoorbeeld nog altijd aan de top. Zij verkopen nu al meer auto’s in China dan in Europa. Europa is nog altijd handelsbolwerk nummer één en is ook de grootste verstrekker van ontwikkelingshulp. We moeten echter niet stilzitten. De status quo is geen optie. We hebben groei nodig om de gezondheidszorg en de pensioenen te kunnen bekostigen.”

Als we later groot en sterk zijn, staan we dan sterker in onze schoenen als de Amerikanen druk op ons uitoefenen om troepen naar Afghanistan te sturen?

“We zijn nog ver verwijderd van een gezamenlijk buitenlands beleid. De beslissing wel of geen troepen naar Afghanistan te sturen is een nationale aangelegenheid. De Europese Unie is echter gebaat bij een stabiele situatie in Afghanistan. We hebben als EU daarom onze steun toegezegd wat betreft humanitaire hulp en het vergroten van de veiligheid. Vele lidstaten zijn er actief. Of ze troepen sturen en zo ja waarheen, is een beslissing voor de afzonderlijke regeringen. Persoonlijk denk ik dat de Europese lidstaten in de toekomst ook op het gebied van buitenlands beleid meer en meer zullen integreren. De drijvende kracht voor die ontwikkeling is globalisering. Nederland, Portugal, België, afzonderlijk tellen we niet mee. Om een actueel voorbeeld te nemen: als we met onze Russische partners moeten onderhandelen over de toelevering van gas en olie, wanneer staan we dan sterker? Afzonderlijk of samen?”

(Foto’s: Sam Rentmeester/FMAX)

WIE IS JOSé MANUEL BARROSO?

José Manuel Duro Barroso (1956) is geboren en getogen in Lissabon. Hij studeerde rechten aan de Universiteit van Lissabon en Europese studies en economie aan de Universiteit van Genève. Op zeventienjarige leeftijd was hij al politiek actief en demonstreerde hij tegen het rechtse dictatoriale bewind van Portugal. Hij werd voorzitter van de studentenvakbond en was als radicale linkse activist direct betrokken bij de democratische revolutie in 1974. Na zijn afstuderen was hij universitair docent politieke wetenschappen in Lissabon, Genève en Washington. In 1980 sloot hij zich aan bij de sociaal-democratische partij van Portugal. In 1985 werd hij voor het eerst verkozen in het parlement en op 29-jarige leeftijd werd hij minister van buitenlandse zaken. In 2002 werd hij premier van Portugal en voerde hij drastische financiële hervormingen door. In november 2004 werd hij voorzitter van de Europese Commissie. José Manuel Barroso woont in Brussel, is getrouwd en heeft drie studerende zonen.

Redacteur Redactie

Heb je een vraag of opmerking over dit artikel?

delta@tudelft.nl

Comments are closed.