Campus

‘Ik heb de kennis en jij het probleem’

Als wetenschapper samenwerken met het bedrijfsleven: hoe doe je dat? Er zijn kansen, maar ook valkuilen. Delta vroeg het aan Leo de Vreede, die onlangs door YesDelft en het TU-valorisatiecentrum werd uitgeroepen tot meest ondernemende wetenschapper, en aan Frido Smulders, die studenten aanzet om te ondernemen en daarvoor de Motivator Award 2015 won.

Of het nu contractonderzoek, publiek-private samenwerking of consultancy betreft: elke samenwerking tussen universiteit en bedrijfsleven zou moeten beginnen met erkennen dat beide partners verschillende doelstellingen hebben, schreef hoogleraar industriële microbiologie Jack Pronk in het maartnummer van Nature Biotechnology.

In dat artikel, ‘How to set up collaborations between academia and industrial biotech companies’, schrijft hij met zijn mede-auteurs dat het belangrijkste doel van wetenschappelijke instellingen is: het integreren van de opleiding van onafhankelijke wetenschappers met grensverleggend fundamenteel onderzoek. Het kerndoel van bedrijven is winst maken voor aandeelhouders, vaak via innovatie en praktische toepassing van geavanceerde technologie, aldus Pronk. Wanneer beide partijen geen rekening houden met die verschillende doelen, leidt dat volgens hem tot wrijvingen en verspilde tijd.

De beschikbare tijd is bij samenwerking met het bedrijfsleven nu juist vaak de beperkende factor, zegt Leo de Vreede, universitair hoofddocent bij het electronics research laboratory. Hij richtte onder meer het bedrijf Anteverta-mw op dat de kennis uit diverse promotieonderzoeken combineerde in een gepatenteerd apparaat dat het doormeten van basisstations voor mobiele telefonie versnelt en verbetert.

Twee weken geleden won De Vreede de Delft Entrepreneurial Scientist Award 2015, omdat hij naast het oprichten van start-ups veel met bedrijven samenwerkt. Niet alleen met bedrijven voor hoogfrequente meettechniek (zoals Keysight, Cascade, NI en Maury-mw), maar ook met bedrijven die zich richten op het ontwikkelen van componenten en concepten voor energiezuinige en breedbandige zenders voor draadloze communicatie (zoals Skyworks, RFMD, TriQuint, Infineon, Catena en in het bijzonder NXP, het voormalige Philips semiconductors).

Daaruit blijkt dat De Vreede veel mogelijkheden ziet om samen te werken met het bedrijfsleven. Hij weet echter ook dat hij zijn tijd maar één keer kan besteden, en daar stuiten wetenschappers volgens hem nogal eens op. “En dus moet je je focus goed kiezen om een bepaald resultaat op tijd te bereiken.”

Ingaan op elke wens van het bedrijfsleven is de belangrijkste valkuil voor wetenschappers, aldus De Vreede. “Het is zaak om slim te kiezen. Vaak kun je je eigen plannen en ideeën voorstellen aan de industrie. Meestal wordt hier zeer welwillend mee omgegaan. Met een paar kleine aanpassingen kun je het onderzoeksplan in een industrieproject gieten.”

Kennis-push
Andere valkuilen voor wetenschappers zijn niet de taal van het bedrijfsleven spreken en ‘kennis-push’, betoogt Frido Smulders. Hij is universitair hoofddocent innovatie management & entrepreneurship bij Industrieel Ontwerpen, begeleidt masterstudenten bij het opzetten van hun bedrijf en geeft verschillende ondernemerschapsvakken, zoals cleantech launch pad I en II en het keuzevak cutting edge: design, innovation and entrepreneurship.

‘Ik heb de kennis en jij hebt volgens mij het probleem’, dát bedoelt Smulders met ‘kennis-push’. “Het bedrijf denkt vervolgens: ik heb dat probleem helemaal niet en als ik het probleem wel heb, dan had ik al een oplossing gezocht. Een voorbeeld is een hoogleraar die zei: ‘ik heb een oplossing voor de NS, zodat het netwerk beter is aan te sturen’. De NS wilde er niet aan.” Een ander voorbeeld is volgens Smulders Wubbo Ockels’ Superbus. “Eigenlijk een fantastisch idee om op een andere manier naar vervoer te kijken. Hij krijgt de handen op elkaar en een paar miljoen euro om een prototype te bouwen. Dat vind ik een fantastisch proces om te leren hoe je dingen moet doen, maar het werd verkocht als oplossing. Je moet juist uitgaan van trial and error: iets doen, leren van die stap en die kennis toepassen in stap twee. Dat doen al die nieuwe bedrijven in YesDelft ook.”

Voor De Vreede geen kennis-push. Hij werkt met de meeste bedrijven vrijblijvend: de industrie draagt een probleem aan dat hij dermate interessant moet vinden om er tijd in te stoppen. Dat probleem lost hij dan op via afstudeerprojecten van masterstudenten (met een kleine financiële bijdrage van het bedrijf), of – als het grotere of moeilijkere projecten zijn – via een promovendus.

Partnerships
Wanneer de inzet van een promovendus over een langere tijd nodig is, streeft De Vreede meestal naar een onderzoeksproject als financiering. “Worden deze kosten geheel door het betrokken bedrijf gedragen (contractonderzoek) dan wordt de samenwerking natuurlijk minder vrijblijvend”, zegt De Vreede. “Vaak streven we er naar het onderzoek te combineren met bijvoorbeeld een STW- of Europees project, om de kosten voor het betrokken bedrijf draaglijker te maken.” Het betreft dan zogeheten bi- of trilaterale partnerships, waarbij de universiteit een flink deel van de projectkosten op zich neemt via bijvoorbeeld supervisie en infrastructuur.

Samenwerking tussen de academische wereld en het bedrijfsleven kent voor- en nadelen. In zijn artikel in Nature Biotechnology noemt Pronk er een aantal. Het bedrijfsleven vaart wel bij: toegang tot specialistische vaardigheden en bronnen, de mogelijkheid tot het ontwikkelen en screenen van talent, kosteneffectief onderzoek, out-of-the-box denken en toegang tot uitgebreide netwerken.

Als voordelen voor de academische wereld noemt Pronk onder meer inspiratie voor onderzoek door toepassingsgerichte vragen, mogelijkheden voor jonge onderzoekers om op het grensvlak van industrie en universiteit te werken, het verwerven van fondsen voor onderzoek, snelle praktische toepassing van academisch onderzoek en bewustwording van trends in de industrie.

Pronk benadrukt dat succesvolle samenwerking voortdurende communicatie tussen beide partijen vereist. Zo moeten er heldere afspraken worden gemaakt over intellectueel eigendom, het relatief belang van directe toepasbaarheid en fundamenteel begrip, en eventuele conflicten voortkomend uit de verschillende tijdslijnen in academisch en industrieel onderzoek.

Vertrouwelijkheid
Verder waarschuwt Pronk academici zich van tevoren bewust te zijn van de vertrouwelijkheid die gekoppeld is aan samenwerking met het bedrijfsleven. Ze kunnen onderzoeksresultaten niet onmiddellijk en onbeperkt delen met de buitenwereld. Ook De Vreede gaat daar behoedzaam mee om. “Als bedrijven substantieel financieel bijdragen aan een onderzoek, hebben ze zekere rechten op het resultaat. Je kunt je niet veroorloven je partners boos te maken, door ‘hun’ resultaten binnen de contractperiode aan hun concurrent beschikbaar te stellen. Zelfs al is de officiële contractstermijn verstreken, dan nog moet je hier zeer terughoudend in zijn, om eventuele goodwill niet te verspelen.”

Om het belang van de student niet te schaden, moeten resultaten altijd kunnen worden gepubliceerd, vindt De Vreede. Bij al zijn projecten is dat in beginsel de bedoeling. “Dat lukt in de praktijk ook meestal. Wel kan een publicatie maximaal een jaar worden vertraagd om een bedrijf in de gelegenheid te stellen eventuele vindingen afdoende te kunnen beschermen of om in ieder geval een voorsprong op te bouwen op de concurrentie.”

Als studenten in het bedrijfsleven afstuderen, is dat na een opdracht van een bedrijf, zegt Smulders. Dan is het meestal zo dat het bedrijf het intellectueel eigendom heeft. “Dat is voor de hand liggend, omdat studenten worden betaald door het bedrijf”, zegt Smulders. “Belangrijk voor de carrière van de student is dat zijn naam op het patent staat als hij een uitvinding heeft gedaan. Ere wie ere toekomt.”

Spanningsveld
Pronk wijst verder op een mogelijk spanningsveld tussen onderwijs en commerciële belangen. De Vreede komt dat in de praktijk echter niet tegen, zegt hij. “Het enige spanningsveld zit in de beschikbare tijd: hoe wordt die verdeeld over de universitaire taken?” Volgens Smulders is onderzoek versus commercie is een veel groter probleem. “Onderzoek moet wetenschappelijk gefundeerd zijn. Dan kunnen bepaalde uitkomsten wel eens vervelend zijn voor het bedrijf. Hoe ga je daarmee om?”

Moet een universiteit haar oren laten hangen naar de wil van de industrie en bereid zijn tot compromissen? Geldt: wie betaalt, bepaalt? “Nee, natuurlijk niet”, zegt Smulders. “Het is maar net welke onderzoeksvraag bedrijven stellen. Als ze een uitvoerende vraag stellen, geldt: wie betaalt bepaalt. Dus als een ingenieursbureau opdracht krijgt iets door te rekenen, bepaalt de klant. Als Shell een opdracht geeft aan de universiteit om iets uit te vogelen, is het erg afhankelijk van de situatie. Daar moet je een open discussie over voeren.”

Smulders doet dat in zijn samenwerking met Unilever. “Dat bedrijf is zo goed in innoveren dat het een productieproces is geworden, maar drie jaar geleden wilden ze gaan innoveren op een andere manier. Wij zijn samen gaan experimenteren, maar ik heb vanaf dag één gezegd dat als het succesvol is, ik vind dat zij onderzoek moeten financieren om te bepalen waarom het succesvol is. Want dan bouwen we er een theorie van en heb ik er ook wat aan. Daar kunnen zij nooit iets tegen hebben, want dat is theorie. Het gaat niet over Unilever.”

De Vreede is ook stellig in zijn oordeel bij de vraag of wie betaalt, bepaalt. “Je werkt bij een universiteit om de dingen te doen waar je in gelooft! Echter, wetenschap is wetenschap, dus je moet open staan voor kritiek of technische argumenten. De koers van een project moet worden bepaald op basis van technische argumenten, niet door wie het voor het zeggen heeft.”

Voor wie wil samenwerken met het bedrijfsleven, heeft Pronk een aantal aanbevelingen:

  • Discussieer openlijk over voordelen, vereisten en risico’s voor beide partners
  • Bepaal welke vorm van samenwerking optimaal is voor gezamenlijke doelstellingen
  • Sluit professionele contracten over intellectueel eigendom, geheimhouding en publicatieprocedures
  • Behoud volledige transparantie binnen de academische onderzoeksgroep over bepalingen en voorwaarden van de samenwerking en instrueer onderzoekers en studenten over het belang van geheimhouding en regels voor intellectueel eigendom
  • Hou de voortgang van het project voortdurend in de gaten en communiceer over de aansluiting op gezamenlijke en individuele doelen.
  • Baseer relaties op wederzijds vertrouwen en respect. Benoem en vier successen, leer van fouten

‘How to set up collaborations between academia and industrial biotech companies’, Jack Pronk et al, Nature Biotechnology, volume 33, nummer 3, maart 2015

Redacteur Redactie

Heb je een vraag of opmerking over dit artikel?

delta@tudelft.nl

Comments are closed.