Campus

Fax van verre

Student industrieel ontwerpen Christiaan Hoogerwerf (zevendejaars) voelt zich aan het begin van zijn stage in Estland als in een speeltuin.Het klinkt zo eenvoudig: in Zweden kwam ik de rector van de Tallinn Technical University tegen, die me uitnodigde om in Estland stage te komen doen.

Twee jaar later zette ik voet aan wal. Ik werd op zaterdagmiddag afgehaald door een professor, die me na een korte toer door de stad en de universiteit afzette bij mijn kamer.

Die ligt op de campus. Het zijn flats van vijf verdiepingen waarvan door achterstallig onderhoud de leeftijd moeilijk te schatten is. De wooneenheden bestaan meestal uit vijf kamers, maar dat betekent niet per se dat er ook vijf mensen wonen. Een aantal kamers staat leeg, maar veel studenten delen een kamer, om de kosten te drukken. In iedere kamer staan dan ook twee bedden. Ik, als ‘rijke’ westerse student, heb een kamer alleen.

De enige gemeenschappelijke ruimten zijn een iets te vochtige badkamer en de gang, waar één elektrisch kookplaatje staat. Bij de ingang van de flat hangt een sowjettelefoon waar ooit roebels in moesten. Maar omdat Estland nu zijn eigen munt heeft, is het gleufje dichtgemaakt en kun je binnen Estland gratis bellen. De verbinding is vaak slecht. Niet zo verwonderlijk als je de centrales ziet, midden in de binnenstad, in (van de buitenkant) normale woonhuizen.

De universiteit hier heeft ongeveer vijfduizend studenten en de afmetingen van het gebouw van WbMT (inclusief de IO-enclaves). Er zou nieuwbouw gepleegd worden, maar alle materialen, behalve betonplaten, zijn gejat. De universiteit kan maar weinig nieuws aanschaffen. Westerse boeken zijn veel te duur. Toen ik op de toilet zat dacht ik :,,Wat doen die netjes-in-stukken-gescheurde kranten hier?” Dat werd me dus duidelijk toen ik op zoek ging naar het wc-papier.

Toch is in de winkels bijna alles wel te koop, zelfs Gouda’s Glorie Halvarine. Het meeste is geïmporteerd en heeft dus Westerse prijzen. Met een gemiddeld arbeidsloon van tweehonderd gulden per maand is dat niet te betalen. Alleen de lokale produkten en diensten zijn goedkoop. Een studentenmaandkaart voor tram, bus en trolley binnen Tallinn (net zo groot als Rotterdam) kost 2,80 gulden; niet-studenten betalen vier keer zoveel. De ‘nieuwe rijken’ hebben dat natuurlijk niet nodig: die rijden in hun geblindeerde Mercedessen of BMW’s.

Na een paar dagen van toerisme is het echte werk begonnen, op de afdeling ‘produktontwikkeling’ van Eesti Talleks. Dit bedrijf maakte onder Sowjetbewind met negenhonderd medewerkers sleuvengraafmachines en andere wegenbouwapparatuur. Díe produktie ligt stil en de negen produktiehallen zijn nu semi-onafhankelijke bedrijfjes. Slechts van drie daarvan kun je zeggen dat ze redelijk functioneren, de rest staat leeg. Toch kan het niet liggen aan de machinecapaciteit: er staan ongeveer veertig draaibanken, twintig freesmachines,staalplaatvouwmachines, een galvaniseermachine, enorme hydraulische persen en zelfs een vrij nieuwe lasrobot. Maar het meeste staat stil. Op het ogenblik worden er containers en tandwielen geproduceerd: te weinig om van te kunnen bestaan. Voor een IO-er dus een soort speeltuin-opdracht: bedenk een nieuw produkt, bijna alle machines staan ter beschikking.

Christiaan Hoogerwerf

Student industrieel ontwerpen Christiaan Hoogerwerf (zevendejaars) voelt zich aan het begin van zijn stage in Estland als in een speeltuin.

Het klinkt zo eenvoudig: in Zweden kwam ik de rector van de Tallinn Technical University tegen, die me uitnodigde om in Estland stage te komen doen. Twee jaar later zette ik voet aan wal. Ik werd op zaterdagmiddag afgehaald door een professor, die me na een korte toer door de stad en de universiteit afzette bij mijn kamer.

Die ligt op de campus. Het zijn flats van vijf verdiepingen waarvan door achterstallig onderhoud de leeftijd moeilijk te schatten is. De wooneenheden bestaan meestal uit vijf kamers, maar dat betekent niet per se dat er ook vijf mensen wonen. Een aantal kamers staat leeg, maar veel studenten delen een kamer, om de kosten te drukken. In iedere kamer staan dan ook twee bedden. Ik, als ‘rijke’ westerse student, heb een kamer alleen.

De enige gemeenschappelijke ruimten zijn een iets te vochtige badkamer en de gang, waar één elektrisch kookplaatje staat. Bij de ingang van de flat hangt een sowjettelefoon waar ooit roebels in moesten. Maar omdat Estland nu zijn eigen munt heeft, is het gleufje dichtgemaakt en kun je binnen Estland gratis bellen. De verbinding is vaak slecht. Niet zo verwonderlijk als je de centrales ziet, midden in de binnenstad, in (van de buitenkant) normale woonhuizen.

De universiteit hier heeft ongeveer vijfduizend studenten en de afmetingen van het gebouw van WbMT (inclusief de IO-enclaves). Er zou nieuwbouw gepleegd worden, maar alle materialen, behalve betonplaten, zijn gejat. De universiteit kan maar weinig nieuws aanschaffen. Westerse boeken zijn veel te duur. Toen ik op de toilet zat dacht ik :,,Wat doen die netjes-in-stukken-gescheurde kranten hier?” Dat werd me dus duidelijk toen ik op zoek ging naar het wc-papier.

Toch is in de winkels bijna alles wel te koop, zelfs Gouda’s Glorie Halvarine. Het meeste is geïmporteerd en heeft dus Westerse prijzen. Met een gemiddeld arbeidsloon van tweehonderd gulden per maand is dat niet te betalen. Alleen de lokale produkten en diensten zijn goedkoop. Een studentenmaandkaart voor tram, bus en trolley binnen Tallinn (net zo groot als Rotterdam) kost 2,80 gulden; niet-studenten betalen vier keer zoveel. De ‘nieuwe rijken’ hebben dat natuurlijk niet nodig: die rijden in hun geblindeerde Mercedessen of BMW’s.

Na een paar dagen van toerisme is het echte werk begonnen, op de afdeling ‘produktontwikkeling’ van Eesti Talleks. Dit bedrijf maakte onder Sowjetbewind met negenhonderd medewerkers sleuvengraafmachines en andere wegenbouwapparatuur. Díe produktie ligt stil en de negen produktiehallen zijn nu semi-onafhankelijke bedrijfjes. Slechts van drie daarvan kun je zeggen dat ze redelijk functioneren, de rest staat leeg. Toch kan het niet liggen aan de machinecapaciteit: er staan ongeveer veertig draaibanken, twintig freesmachines,staalplaatvouwmachines, een galvaniseermachine, enorme hydraulische persen en zelfs een vrij nieuwe lasrobot. Maar het meeste staat stil. Op het ogenblik worden er containers en tandwielen geproduceerd: te weinig om van te kunnen bestaan. Voor een IO-er dus een soort speeltuin-opdracht: bedenk een nieuw produkt, bijna alle machines staan ter beschikking.

Christiaan Hoogerwerf

Redacteur Redactie

Heb je een vraag of opmerking over dit artikel?

delta@tudelft.nl

Comments are closed.