Opinie

Een eeuw innovatie

Het onderzoekslab van Philips is in honderd jaar flink veranderd, maar bestaat nog steeds. Het boek ‘Philips Research – 100 jaar uitvindingen die ertoe doen’ dient als catalogus bij een tentoonstelling in het Leidse Museum Boerhaave.

Op 2 januari 1914 nam de jonge natuurkundige dr. Gilles Holst zijn intrek op de vierde verdieping van een Philipsgebouw in Eindhoven. ‘Ik krijg een heel laboratorium in te richten en zal allerlei metingen moeten doen die ons de formule van de gloeilamp zullen leren kennen’, schreef hij later.

De voormalige assistent van Nobelprijswinnaar Heike Kamerlingh Onnes was de eerste directeur van het Natuurkundig Laboratorium van Philips, het NatLab. Honderd jaar later heeft het onderzoekslab van Philips heel wat veranderingen ondergaan, maar het bestaat onder de naam Philips Research nog steeds en ook het budget is relatief ongewijzigd: een procent van de omzet.

Ter gelegenheid van dat honderdjarig bestaan schreven Dirk van Delft en Ad Maas, directeur en conservator van het Boerhaave museum in Leiden, het compacte boekje ‘Philips Research – 100 jaar uitvindingen die ertoe doen’. Het boek is catalogus bij de gelijknamige tentoonstelling in het Leidse Museum Boerhaave, maar toont meer dan er in het museum te zien is.

De aanzet tot het NatLab kwam voort uit het besef van oprichter ir. Gerard Philips dat het bedrijf niet lang meer de concurrentie voor kon blijven door innovaties van anderen over te nemen en aan te passen. Nederland kende geen octrooiwet, maar dat zou niet lang meer duren. Gerard en zijn broer Anton Philips begrepen dat het bedrijf aan een eigen patentenportefeuille moest werken en dat daarvoor een onderzoekslaboratorium nodig was.

In de begintijd betekende dat bijvoorbeeld oplossingen bedenken voor het zwart worden van lampen. Al snel volgden nieuwe onderwerpen zoals gasontladingslampen, röntgenbuizen en radiobuizen. Het materiaalkundig onderzoek maakte ook compactere luidsprekers mogelijk. De sfeer op het NatLab was academisch, maar de onderzoekers werden wel geacht na te denken over toepasbaarheid van hun vindingen.

Na de Tweede Wereldoorlog werd Hendrik Casimir de nieuwe directeur van NatLab in een periode dat de optimistische denkbeelden van de Amerikaan Vannegar Bush brede aanhang krijgen: investeren in basisresearch staat garant voor technologische doorbraken. Onderzoekers werkten het liefst met ruim budget en vrije agenda aan leuke onderwerpen. De toepassingen zouden vanzelf wel komen. Dat feestje duurde tot ongeveer 1972, toen het rapport van Rome (‘Grenzen aan de groei’) en de oliecrisis samenvielen met toenemende milieuvervuiling en economische crisis. Het NatLab werd gekort en werd voor zijn financiering afhankelijk van de ‘productdivisies’ van Philips. In goed Nederlands: onder directoraat van Eduard Pannenborg werd market pull belangrijker dan technology push.

Fast forward naar 2014: op de High Tech Campus, voorheen het terrein van Philips Research, wordt in keurige moderne kantoorblokken ‘open innovatie’ bedreven in samenwerking met bedrijfjes, onderzoeksinstellingen en universiteiten. Halfgeleiders, computers en consumentenelektronica zijn van het menu verdwenen en wat gebleven is, doet wat soft aan: gezondheid, lifestyle en licht.

Het boek en de tentoonstelling laten aan de hand van nostalgische apparaten (de cassetterecorder!) en brave toekomstvisies (voor een duurzame en gezonde wereld) mooi zien hoe het denken over vernieuwing veranderd is.

Dirk van Delft en Ad Maas, ‘Philips Research – 100 jaar uitvindingen die ertoe doen’, WBOOKS 2013, ISBN:9789066305717, 288 blz, 19,95 euro. De tentoonstelling in Museum Boerhaave in Leiden staat tot 26 oktober. Gratis toegang met studentenkaart. www.museumboerhaave.nl

Redacteur Redactie

Heb je een vraag of opmerking over dit artikel?

delta@tudelft.nl

Comments are closed.