Onderwijs

Duwen tegen een heilige koe

Een ontwerp voor een groot, modern stadhuis in de angstvallig beschermde stadskern van Gouda: dat moet een grap zijn. Het is geen grap, maar een voorbeeld van fundamenteel onderzoek op de faculteit Bouwkunde, bedoeld om de geesten van de lokale beleidsmakers wat op te schudden.

De gemeente Gouda heeft een dilemma. De bestuurders dromen van een groot, modern stadhuis, maar denken dat daar in de beschermde stadskern geen plaats voor is. Om over de storm van protest die zo’n plan kan oproepen nog maar te zwijgen. De noordzijde van het station lijkt dan een betere locatie.

Onzin, vindt ir. Henk Engel van de afdeling architectuur (Bouwkunde). Een stadhuis hoort in het historische centrum te staan. Als je op zoek bent naar het stadhuis, loop je toch niet richting buitenwijken?

Engel liet het niet bij woorden. Hij maakte na grondige studie van het stadscentrum van Gouda met ir. Otto Diesfeldt een ontwerp voor het nieuwe stadhuis. Een groot kantoorgebouw zweeft op vier speerpunten boven bestaande bebouwing. Het zeventiende-eeuwse Waaggebouw fungeert als hoofdingang voor een centrale publiekshal. Twee panden sneuvelen.

Het bezwaar dat veel Gouwenaren het gebouw als een grove stijlbreuk zouden kunnen ervaren maakt niet veel indruk op Engel. “Het is een illusie te denken dat de binnenstad van Gouda een architectonische eenheid vormt. Het oude stadhuis stamt uit de late gotiek, daarnaast vind je er ook Romaanse en neo-klassieke gebouwen. De afgelopen eeuwen is de sfeer in de stadskern regelmatig veranderd door nieuwe architectuur.”

Het moge duidelijk zijn: Engel gelooft in zijn ontwerp. En toch is verwezenlijking niet het doel, ook al hebben Delftse civielers uitgedokterd dat zoiets technisch zeker mogelijk zou zijn. Engel wil met het ontwerp aan lokale bestuurders laten zien: kijk, het kan wél. In de toelichting bij het ontwerp schrijft hij zelfs plagerig dat het gebouw over vijftig jaar waarschijnlijk op de monumentenlijst zal staan. En mocht het stadhuis in 2054 onverhoopt niet als sieraad voor de stad worden beschouwd, niet getreurd: het kan zonder veel problemen weer worden afgebroken.

Tijdens de presentatie van het ontwerp toonden niet alle lokale bestuurders zich enthousiast. “Wat afschuwelijk, zoiets mag nooit in het centrum worden geplaatst!”, beschrijft Engel een negatieve reactie. Anderen vonden het ‘een interessante oplossing, waar ze zelf nooit aan zouden hebben gedacht’.

Engel is blij dat het ontwerp de discussie heeft aangezwengeld; dat was precies de bedoeling. “Normaal zou de politiek niet eens kijken naar de mogelijkheid om het stadhuis in de stadskern te bouwen. Dat ligt te gevoelig.”
Dakraampjes

Het beschermde stadsgezicht is in de Hollandse steden een heilige koe geworden, luidt de diagnose van prof.ir. Leen van Duin, programmaleider van het onderzoeksprogramma Stedelijke Architectuur. “Dakraampjes kunnen door een welstandscommissie al tot een onaanvaardbare inbreuk op het beschermde stadsgezicht worden verklaard.”

Natuurlijk is deze houding historisch verklaarbaar. “De oude stedenbouwkundige visie, waarin de binnenstad als oude troep werd gezien die je maar het beste met snelwegen kon doorkruisen, had zo zijn nadelen”, zegt Engel met gevoel voor understatement. “Men is er wat laat achter gekomen dat je die snelwegen ook om de stad heen kon leggen. Maar hoe je de binnenstad het beste ontsluit, dat bleef in de afgelopen decennia een probleem. Als je bij alle voorgestelde veranderingen roept: nee, dat kan niet, dan loopt de stad vast. Het gaat trouwens om taboes die in ons eigen vakgebied zijn ontstaan.”

Die taboes vormen volgens Van Duin en Engel een grote belemmering voor wat zij ‘architectonische interventies’ noemen: de ingrepen die een stad een aanzien en aantrekkingskracht kunnen verlenen. Bekende recente voorbeelden van zulke ‘interventies’ noemen. zijn het door Frank Gehry ontworpen Guggenheim museum in Bilbao en het nieuwe stationsgebied in Lille.

Het lijkt een uitkomst: architectuur die de kwaliteiten van de oude Europese steden intact laat, maar ze behoedt voor een toekomst als ‘openluchtmuseum’ waar slechts ruimte is voor winkels en bezienswaardigheden. Delftse onderzoekers bekijken of en hoe zulke interventies in de Hollandse steden mogelijk zijn. Op het congres over de Europese stad wisselen ze deze week ervaringen uit met buitenlandse collega’s.

Het ontwerp van het stadhuis maakt duidelijk wat met de op bouwkunde veelgebezigde term research by design in de praktijk wordt bedoeld. “Bij het ontwikkelen van nieuwe kennis over architectuur gaan we steeds uit van concrete situaties”, vertelt Van Duin. “Zo hebben masterstudenten Floris Cornelisse en Joep Janssen een stedenbouwkundig ontwerp gemaakt voor de Delftse spoorzone. Dat zijn geen abstracte bedenksels.”

Het onderzoek mag dan stevig in de realiteit verankerd zijn, van de druk van de markt trekt men zich bewust niets aan. Van Duin: “Dit is fundamenteel onderzoek. Als onderzoeksgroep willen we geen architectenbureau zijn.” Het ontwerp voor het stadhuis bestaat bij de gratie van die eigenzinnige aanpak, is de overtuiging van Engel. “Als je de randvoorwaarden van politiek, investeerders en planologen bij elkaar optelt zou het plan er nooit gekomen zijn.”

Op zoek naar het hart van de Europese stad

Tientallen bouwkundeonderzoekers uit alle uithoeken van Europa – Turkije meegerekend – presenteren deze week hun werk op een conferentie over nieuwe architectuur in de Europese stad.

Het is geen ooggetuigeverslag . “we spreken over de jaren dertig, ik was nog lang niet geboren” – maar organisator prof.ir. Leen van Duin kan fraai verhalen over hoe een groep vooraanstaande modernistische architecten, Le Corbusier voorop, op een cruiseschip door de Middellandse zee dobberde en sprak over de wijze waarop de nieuwe Europese stad zou moeten worden aangelegd. “Ik stel me zo voor dat die jongens met een glas wijn in de hand in hun dekstoelen zaten en zich afvroegen: hoe kunnen we ons als architecten in de markt zetten?” zegt Van Duin met een mengeling van ironie en bewondering. “Ze stelden het ‘Handvest van Athene’ op, waarin ze stelling namen tegen de bestaande stedenbouw. Werken, wonen, recreatie en verkeer werden strikt van elkaar gescheiden.”

Dat manifest heeft decennialang grote invloed gehad. Ook in Nederland. “Je ziet die invloed van het ‘Handvest van Athene’ terug in Lelystad, maar ook in de uitbreidingswijken die tot de jaren zeventig werden gebouwd.”

Het was één van de laatste pogingen van architecten om een gezamenlijk programma te formuleren, stelt Van Duin vast. De huidige periode wordt volgens hem juist gekenmerkt door het ontbreken van zo’n programma. “De architect is een hybride figuur geworden die snel moet kunnen inspelen op onvoorspelbare veranderingen. Hij moet zakelijk en analytisch zijn, maar ook in een door de media beheerste cultuur de rol spelen van een dichter die de dromen van de moderne samenleving voedt. Dat betekent dat je bijna geen gemeenschappelijke kenmerken in architectuur meer ziet. Hoewel buitenlandse architecten die in Nederland op bezoek komen vaak roepen: het lijkt alsof jullie hier maar één architectenbureau hebben!”

De dagen van een alomvattend manifest over de toekomst van de Europese stad mogen dan lang vervlogen zijn, de conferentie over de Europese stad die deze week in Delft en Antwerpen plaatsvindt past in een trend van internationalisering. Van Duin zit in de raad van de European Association for Architectural Association (Eaae), medeorganisator van het congres. In deze organisatie denken bouwkundeopleidingen gezamenlijk na over hun onderwijsprogramma’s. Onderzoek naar de grondslagen van de architectuur verdient een prominente plaats in die onderwijsprogramma’s, vindt de Eaae. Van Duin: “Delft heeft al een zekere voorsprong op dat gebied.”

De conferentie biedt ook de onderzoekers van het door Van Duin geleide onderzoeksprogramma Stedelijke Architectuur een podium om hun werk te presenteren. Een nieuw, halfjaarlijks te verschijnen blad, Overholland, waarvan deze maand het eerste nummer verschijnt, moet ook helpen het onderzoek bekendheid te geven in het buitenland.

“We moeten kennis en ervaring uitwisselen als universiteiten”, zegt Van Duin. “Niet om de lokale verschillen weg te poetsen, maar om van elkaar te leren. Ik ben zeker niet op zoek naar die Overkoepelende Theorie.”

De vraag welke toekomst voor de Europese stad is weggelegd in een tijd van voortschrijdende globalisering, zal zeker ter sprake komen op het congres. Van Duin: “Je ziet dat steden zich ontwikkelen tot een desperate verzameling gebouwen. Het idee van de stad als architectonisch artefact, waar pleinen, parken, gebouwen en hun onderlinge samenhang nauwkeurig zijn gedefinieerd, dreigt te verdwijnen. De stad is een machine geworden die het stedelijk leven moet huisvesten, een netwerkstad.”

Op zulke ontwikkelingen moeten de onderzoekers een antwoord formuleren. Van Duin: “Ik ben gevoelig voor vernieuwing, maar veel Nederlandse architecten hebben de tradities wel erg radicaal overboord gezet. Je zou de architectuur moeten bevrijden van de chaotische en snelle wisselingen van modes die we nu om ons heen zien, maar zonder de verworvenheden van de twintigste eeuw overboord te zetten.”

Het congres ‘The European City: architectural interventions and urban transformations’ duurt van woensdag 27 oktober tot zaterdag 30 oktober. Gastsprekers zijn onder meer Jo Coenen (TU Delft), en de architectuurhistoricus Anthony Vidler.

www.bk.tudelft.nl/european_city/

De gemeente Gouda heeft een dilemma. De bestuurders dromen van een groot, modern stadhuis, maar denken dat daar in de beschermde stadskern geen plaats voor is. Om over de storm van protest die zo’n plan kan oproepen nog maar te zwijgen. De noordzijde van het station lijkt dan een betere locatie.

Onzin, vindt ir. Henk Engel van de afdeling architectuur (Bouwkunde). Een stadhuis hoort in het historische centrum te staan. Als je op zoek bent naar het stadhuis, loop je toch niet richting buitenwijken?

Engel liet het niet bij woorden. Hij maakte na grondige studie van het stadscentrum van Gouda met ir. Otto Diesfeldt een ontwerp voor het nieuwe stadhuis. Een groot kantoorgebouw zweeft op vier speerpunten boven bestaande bebouwing. Het zeventiende-eeuwse Waaggebouw fungeert als hoofdingang voor een centrale publiekshal. Twee panden sneuvelen.

Het bezwaar dat veel Gouwenaren het gebouw als een grove stijlbreuk zouden kunnen ervaren maakt niet veel indruk op Engel. “Het is een illusie te denken dat de binnenstad van Gouda een architectonische eenheid vormt. Het oude stadhuis stamt uit de late gotiek, daarnaast vind je er ook Romaanse en neo-klassieke gebouwen. De afgelopen eeuwen is de sfeer in de stadskern regelmatig veranderd door nieuwe architectuur.”

Het moge duidelijk zijn: Engel gelooft in zijn ontwerp. En toch is verwezenlijking niet het doel, ook al hebben Delftse civielers uitgedokterd dat zoiets technisch zeker mogelijk zou zijn. Engel wil met het ontwerp aan lokale bestuurders laten zien: kijk, het kan wél. In de toelichting bij het ontwerp schrijft hij zelfs plagerig dat het gebouw over vijftig jaar waarschijnlijk op de monumentenlijst zal staan. En mocht het stadhuis in 2054 onverhoopt niet als sieraad voor de stad worden beschouwd, niet getreurd: het kan zonder veel problemen weer worden afgebroken.

Tijdens de presentatie van het ontwerp toonden niet alle lokale bestuurders zich enthousiast. “Wat afschuwelijk, zoiets mag nooit in het centrum worden geplaatst!”, beschrijft Engel een negatieve reactie. Anderen vonden het ‘een interessante oplossing, waar ze zelf nooit aan zouden hebben gedacht’.

Engel is blij dat het ontwerp de discussie heeft aangezwengeld; dat was precies de bedoeling. “Normaal zou de politiek niet eens kijken naar de mogelijkheid om het stadhuis in de stadskern te bouwen. Dat ligt te gevoelig.”
Dakraampjes

Het beschermde stadsgezicht is in de Hollandse steden een heilige koe geworden, luidt de diagnose van prof.ir. Leen van Duin, programmaleider van het onderzoeksprogramma Stedelijke Architectuur. “Dakraampjes kunnen door een welstandscommissie al tot een onaanvaardbare inbreuk op het beschermde stadsgezicht worden verklaard.”

Natuurlijk is deze houding historisch verklaarbaar. “De oude stedenbouwkundige visie, waarin de binnenstad als oude troep werd gezien die je maar het beste met snelwegen kon doorkruisen, had zo zijn nadelen”, zegt Engel met gevoel voor understatement. “Men is er wat laat achter gekomen dat je die snelwegen ook om de stad heen kon leggen. Maar hoe je de binnenstad het beste ontsluit, dat bleef in de afgelopen decennia een probleem. Als je bij alle voorgestelde veranderingen roept: nee, dat kan niet, dan loopt de stad vast. Het gaat trouwens om taboes die in ons eigen vakgebied zijn ontstaan.”

Die taboes vormen volgens Van Duin en Engel een grote belemmering voor wat zij ‘architectonische interventies’ noemen: de ingrepen die een stad een aanzien en aantrekkingskracht kunnen verlenen. Bekende recente voorbeelden van zulke ‘interventies’ noemen. zijn het door Frank Gehry ontworpen Guggenheim museum in Bilbao en het nieuwe stationsgebied in Lille.

Het lijkt een uitkomst: architectuur die de kwaliteiten van de oude Europese steden intact laat, maar ze behoedt voor een toekomst als ‘openluchtmuseum’ waar slechts ruimte is voor winkels en bezienswaardigheden. Delftse onderzoekers bekijken of en hoe zulke interventies in de Hollandse steden mogelijk zijn. Op het congres over de Europese stad wisselen ze deze week ervaringen uit met buitenlandse collega’s.

Het ontwerp van het stadhuis maakt duidelijk wat met de op bouwkunde veelgebezigde term research by design in de praktijk wordt bedoeld. “Bij het ontwikkelen van nieuwe kennis over architectuur gaan we steeds uit van concrete situaties”, vertelt Van Duin. “Zo hebben masterstudenten Floris Cornelisse en Joep Janssen een stedenbouwkundig ontwerp gemaakt voor de Delftse spoorzone. Dat zijn geen abstracte bedenksels.”

Het onderzoek mag dan stevig in de realiteit verankerd zijn, van de druk van de markt trekt men zich bewust niets aan. Van Duin: “Dit is fundamenteel onderzoek. Als onderzoeksgroep willen we geen architectenbureau zijn.” Het ontwerp voor het stadhuis bestaat bij de gratie van die eigenzinnige aanpak, is de overtuiging van Engel. “Als je de randvoorwaarden van politiek, investeerders en planologen bij elkaar optelt zou het plan er nooit gekomen zijn.”

Op zoek naar het hart van de Europese stad

Tientallen bouwkundeonderzoekers uit alle uithoeken van Europa – Turkije meegerekend – presenteren deze week hun werk op een conferentie over nieuwe architectuur in de Europese stad.

Het is geen ooggetuigeverslag . “we spreken over de jaren dertig, ik was nog lang niet geboren” – maar organisator prof.ir. Leen van Duin kan fraai verhalen over hoe een groep vooraanstaande modernistische architecten, Le Corbusier voorop, op een cruiseschip door de Middellandse zee dobberde en sprak over de wijze waarop de nieuwe Europese stad zou moeten worden aangelegd. “Ik stel me zo voor dat die jongens met een glas wijn in de hand in hun dekstoelen zaten en zich afvroegen: hoe kunnen we ons als architecten in de markt zetten?” zegt Van Duin met een mengeling van ironie en bewondering. “Ze stelden het ‘Handvest van Athene’ op, waarin ze stelling namen tegen de bestaande stedenbouw. Werken, wonen, recreatie en verkeer werden strikt van elkaar gescheiden.”

Dat manifest heeft decennialang grote invloed gehad. Ook in Nederland. “Je ziet die invloed van het ‘Handvest van Athene’ terug in Lelystad, maar ook in de uitbreidingswijken die tot de jaren zeventig werden gebouwd.”

Het was één van de laatste pogingen van architecten om een gezamenlijk programma te formuleren, stelt Van Duin vast. De huidige periode wordt volgens hem juist gekenmerkt door het ontbreken van zo’n programma. “De architect is een hybride figuur geworden die snel moet kunnen inspelen op onvoorspelbare veranderingen. Hij moet zakelijk en analytisch zijn, maar ook in een door de media beheerste cultuur de rol spelen van een dichter die de dromen van de moderne samenleving voedt. Dat betekent dat je bijna geen gemeenschappelijke kenmerken in architectuur meer ziet. Hoewel buitenlandse architecten die in Nederland op bezoek komen vaak roepen: het lijkt alsof jullie hier maar één architectenbureau hebben!”

De dagen van een alomvattend manifest over de toekomst van de Europese stad mogen dan lang vervlogen zijn, de conferentie over de Europese stad die deze week in Delft en Antwerpen plaatsvindt past in een trend van internationalisering. Van Duin zit in de raad van de European Association for Architectural Association (Eaae), medeorganisator van het congres. In deze organisatie denken bouwkundeopleidingen gezamenlijk na over hun onderwijsprogramma’s. Onderzoek naar de grondslagen van de architectuur verdient een prominente plaats in die onderwijsprogramma’s, vindt de Eaae. Van Duin: “Delft heeft al een zekere voorsprong op dat gebied.”

De conferentie biedt ook de onderzoekers van het door Van Duin geleide onderzoeksprogramma Stedelijke Architectuur een podium om hun werk te presenteren. Een nieuw, halfjaarlijks te verschijnen blad, Overholland, waarvan deze maand het eerste nummer verschijnt, moet ook helpen het onderzoek bekendheid te geven in het buitenland.

“We moeten kennis en ervaring uitwisselen als universiteiten”, zegt Van Duin. “Niet om de lokale verschillen weg te poetsen, maar om van elkaar te leren. Ik ben zeker niet op zoek naar die Overkoepelende Theorie.”

De vraag welke toekomst voor de Europese stad is weggelegd in een tijd van voortschrijdende globalisering, zal zeker ter sprake komen op het congres. Van Duin: “Je ziet dat steden zich ontwikkelen tot een desperate verzameling gebouwen. Het idee van de stad als architectonisch artefact, waar pleinen, parken, gebouwen en hun onderlinge samenhang nauwkeurig zijn gedefinieerd, dreigt te verdwijnen. De stad is een machine geworden die het stedelijk leven moet huisvesten, een netwerkstad.”

Op zulke ontwikkelingen moeten de onderzoekers een antwoord formuleren. Van Duin: “Ik ben gevoelig voor vernieuwing, maar veel Nederlandse architecten hebben de tradities wel erg radicaal overboord gezet. Je zou de architectuur moeten bevrijden van de chaotische en snelle wisselingen van modes die we nu om ons heen zien, maar zonder de verworvenheden van de twintigste eeuw overboord te zetten.”

Het congres ‘The European City: architectural interventions and urban transformations’ duurt van woensdag 27 oktober tot zaterdag 30 oktober. Gastsprekers zijn onder meer Jo Coenen (TU Delft), en de architectuurhistoricus Anthony Vidler.

www.bk.tudelft.nl/european_city/

Redacteur Redactie

Heb je een vraag of opmerking over dit artikel?

delta@tudelft.nl

Comments are closed.