Campus

Baba’s businessplan

Ontwerpers moeten voorkomen dat hechte gemeenschappen in de Derde Wereld in elkaar donderen zoals in de westerse wereld is gebeurd. In zijn vak sociaal cohesief ontwerpen leert ir. Clemens de Lange zijn studenten hoe dat moet.

Baba is een man die in een sloppenwijk leeft. Welke sloppenwijk? Dat maakt niet zoveel uit. Het zou overal kunnen zijn. Zijn foto doet vermoeden dat hij een jaar of dertig is. IO-studente Elsemieke Kuijpers knikt. “Ja dat zou wel kunnen. Het is in ieder geval een man die weet hoe je zaken moet regelen.”
Kuijpers en haar studiegenoten Geertje Hofstee en Arjen Oenema creeërden dit fictieve personage. Achter hun bureau op de grond ligt een sloppenwijk gemaakt van karton en eierdopjes. Kuijpers: “Het maken van zo’n maquette heeft ons geholpen om ons in Baba te verplaatsen.”

De drie studenten zien het helemaal voor zich. Voor het bachelorvak sociaal cohesief ontwerpen werkten ze een idee uit waarmee Baba (of iemand anders) geld kan verdienen met het verwerken van plastic tasjes van de vuilnisbelt. Ook veel andere inwoners van de sloppen profiteren ervan. Zij zamelen afval in en brengen het naar Baba’s met microkrediet gefinancierde fabriek. Daar worden de tasjes in strookjes geknipt en in mallen gesmolten tot prachtige felgekleurde hoeden. Ze zouden niet misstaan in de Bijenkorf en dat was ook de opdracht: bedenk een product voor dit warenhuis.

Volgens docent en promovendus Clemens de Lange die het vak geeft (dit jaar voor het eerst) is de Delftse faculteit Industrieel Ontwerpen het eerste ontwerpinstituut ter wereld met het vak sociaal cohesief ontwerpen op het curriculum.

Maar wat is het precies? “Bij dit vak leren studenten om ontwerpen te maken voor producten die ter plekke gemaakt kunnen worden en waar veel mensen binnen een gemeenschap wat aan hebben, bijvoorbeeld via lokale workshops, winkeltjes en schooltjes”, aldus De Lange, die ook onderzoek doet naar sociaal cohesief ontwerpen. “Ze moeten zich verplaatsen in de mensen daar en businessmodellen verzinnen.”

Een ander idee dat studenten uitwerken is een fiets waarmee sloppenwijkbewoners accu’s kunnen opladen. Zo zijn ze niet meer aangewezen op brandgevaarlijke petroleumlampjes voor hun verlichting. “Die fiets is simpel te maken met een oude stoel en een trapmechanisme”, zegt De Lange. “En als je hem in een gemeenschapsruimte plaatst, bijvoorbeeld waar mensen hun was doen, brengt het mensen ook nader bij elkaar. Het versterkt de contacten binnen de gemeenschap.”

Mensen in sloppenwijken mogen dan weinig geld hebben, ze hebben ander zeer waardevol goed: ‘sociaal weefsel’. Als je iets ontwerpt voor de Derde Wereld dan moet je ervoor zorgen dat dat behouden blijft, is De Langes stellige overtuiging.

“Al decennia lang maken sociologen zich zorgen over het afbreken van ons ‘sociale weefsel’ en wijzen ze op moderne techniek als een van de oorzaken. De televisie die mensen in huis houdt en minder vrienden en kennissen doet opzoeken. De magnetron waarbij gezinsleden minder socialiseren om de eettafel en ieder op verschillende tijdstippen hun eten opwarmen. Het cement dat ons bijeenhoudt brokkelt af. Als we in ontwikkelingslanden techniek introduceren zonder aan de sociale gevolgen te denken, zou daar dan niet dezelfde ‘westerse ziekte’ ontstaan?”
Een hoed dus, en een fiets die mensen bij elkaar brengt; dat zijn dingen waar westerse ingenieurs mee kunnen aankomen. 

Donderdag 15 april tussen 20.00 en 23.00 uur presenteren zes studententeams hun creaties in Speakers. De jury bestaat uit experts op ontwikkelingsgebied. Het evenement wordt opgeluisterd door Afrikaanse live-muziek en dans.

Indonesië, Banda Aceh
Céline Bent, Stephanie van Rappard en Michiel Mollen

Banda Aceh, in het noorden van Sumatra, werd hard getroffen door de tsunami die in 2004 over de vlakke stad raasde en zo’n beetje alles op zijn weg meesleurde. Kort daarna overspoelden hulporganisaties de regio. “Na de tsunami waren er ongeveer zeshonderd non-gouvernementele organisaties (ngo’s) in Banda Aceh”, vertelt Stephanie van Rappard. Céline Bent vult aan: “Zoveel ngo’s en zoveel geld, dat gaf nogal onverwachte effecten.”
Zo telde Banda Aceh na de ramp meer inwoners dan ervoor. “Ongeveer een derde van de bevolking was dood”, zegt Bent, “maar de bevolking groeide in de tijd kort na de tsunami, omdat zoveel gelukzoekers naar de stad kwamen op zoek naar een gratis huis en werk. In de regio was immers veel te doen en genoeg organisaties gaven er hun geld uit.”
De Delftse studenten woonden drie maanden iets buiten de stad waarvan ze de wederopbouw bestudeerden. “In tegenstelling tot de andere groepen, trokken we niet rond, maar bleven we op één plek”, vertelt Bent. “We gingen wekelijks naar yogales, maakten al snel vrienden. Zo leer je de stad goed kennen.”
De groep wilde weten hoe de gebouwde structuren die de tsunami overleefden, invloed hadden op de reconstructie van Banda Aceh. De moskeeën bijvoorbeeld, waarvan vele na de vloedgolf nog fier in de ravage stonden. Bent: “In de regio is een heel sterke structuur van kampongs, wijken met een eigen leider. In de kampongs waar de moskee nog stond, zagen we dat de opbouw veel sneller verliep.” De moskee werd voor bijeenkomsten gebruikt om de bouw van de kampong te regelen.
De zelf gebouwde huizen, die vaak op precies dezelfde plek verrezen als waar de eigenaren eerder woonden, waren niet altijd stevig genoeg. “Sommige moesten weer afgebroken worden, omdat ze niet aardbevingbestendig waren”, vertelt Bent. Toch leek de strategie, waarbij kampongleiders wat geld kregen en bewoners hun eigen huis bouwden, beter te werken dan de topdown-benadering van sommige ngo’s.  Van Rappard: “Organisaties bouwden huizen en gaven ze gratis weg. Wie er recht op had, was na de ramp moeilijk te achterhalen. Met als gevolg dat mensen het huis aannamen in de hoop het te kunnen verhuren. Ongelofelijk, maar veel goede huizen staan nu leeg.”

Redacteur Redactie

Heb je een vraag of opmerking over dit artikel?

delta@tudelft.nl

Comments are closed.