Onderwijs

Techniekfolosoof: ‘Maak maar vuile handen’

Wie is verantwoordelijk voor het criminele gedrag van een mens met een hersenimplantaat: de elektrode of de mens? Volgens techniekfilosoof Peter Paul Verbeek moeten we nieuwe technieken niet afwijzen uit angst voor lastige vragen. “Wees niet laf en kijk het beest in de ogen.”


De Twentse filosoof Verbeek gaf donderdag 12 december een filosofielezing voor Studium Generale in de TU Delft Library. Hij stelt dat onze moraal meebeweegt met de technologische ontwikkeling. Tegen een nieuwe techniek kun je volgens hem niet simpel ‘ja’ of ‘nee’ zeggen. Die techniek is er immers al. Wat wel kan, aldus de tecniekfilosoof, is nadenken over het ‘hoe’. Hoe kunnen we goed leven met deze techniek?



Verbeek neemt het voorbeeld van de ‘Google-bril’. Daarmee integreer je ict in het alledaagse, maar hoe ver gaat dat? Moet het mogelijk zijn om een voorbijganger op straat op sociale media na te trekken nadat de bril hem of haar met gezichtsherkenning heeft geïdentificeerd? “Je wordt dan telepathisch, helderziend. Willen we dat?”



Een simpel ja of nee volstaat niet, zegt Verbeek. Een ontwerper kan in zijn ogen vooruit lopen op mogelijke bezwaren. In het geval van de gezichtsherkenning zou Google bijvoorbeeld kunnen instellen dat dat pas mogelijk is als je elkaar tien seconden in de ogen hebt gekeken. Iets wat tussen vreemden alle intimiteitsgrenzen ver overschrijdt.



Angst

De grens tussen mens en techniek wordt steeds moeilijker te trekken, aldus Verbeek. “We grijpen in in het brein. Mensen met dwangstoornissen krijgen een elektrode geïmplanteerd. Ik ben wel eens bij zo’n operatie geweest. Het is ongelooflijk hoe een elektrode direct het gedrag verandert.” Het probleem doet zich voor als een persoon met een hersenimplantaat zich vreemd gaat gedragen, misschien zelfs crimineel wordt. Wie heeft dan schuld, de persoon of de elektrode?


Een ingewikkelde vraag, die wat Verbeek betreft niet toe moet leiden dat we de techniek in zijn geheel verwerpen. “De zorg is dat de techniek de dienst gaat uitmaken en we iets van onze kern kwijtraken: onze vrijheid en autonomie. Dat lijkt akelig, alleen de angst daarvoor klopt niet.”



De techniekfilosoof neemt de industriële revolutie als voorbeeld. Grote machines konden veel sneller veel meer werk doen. In de fabrieken bleven tegelijk arbeiders nodig voor klusjes die machines niet konden klaren. Die arbeiders werden gedwongen op het onmenselijk hoge tempo van de machines te gaan werken. “Dat onaangename is er na een tijd vanaf geveild. Dat kán dus.”



Dat techniek onze moraal beïnvloedt is volgens Verbeek ook niet eng. “Het gebeurt al. Door het muntslot in het winkelwagentje brengen we ons karretje netjes terug. Dat vinden we niet erg, nee, juist handig.”



De filosoof wijst op de publicatie ‘Het leven met technieken. Voorbij de mythe van de rationaliteit’ van hoogleraar antropologie van het lichaam Annemarie Mol. Zij bespreekt daarin het verband tussen de anticonceptiepil en de acceptatie van homoseksualiteit. Verbeek: “Door de pil kwam seks los te staan van voortplanting. Dat maakte homoseks minder gek. Is dat erg? Nee. Onze ethische kaders ontwikkelen zich mét techniek. Wij moeten ons de vraag stellen: hoe kunnen we goed leven met technologie?”



Mensverbetering

De ethische discussie over mensverbetering is Verbeek dan ook veel te zwart-wit. “Er zijn twee radicale kampen. Het ene zegt: je mag de mens niet ombouwen tot voorbij wat we nu menselijk noemen. Dan krijg je een asymmetrie in de mensheid: de ontwerpers en de ontworpenen. Dat is de instrumentalisering van de mens.”



Aan de andere kant staan de transhumanisten. “Zij zeggen juist: wat geeft ons het recht te zeggen dat we bepaalde technieken niet mogen gebruiken? De evolutie gaat altijd door, mét techniek. Daardoor overleven wij in de natuur. Tot nu toe hebben we techniek vooral toegepast op de wereld om ons heen. Nu worden we er steeds beter in om techniek om onszelf toe te passen. We moeten accepteren dat mensen zoals wij van voorbijgaande aard zijn.”



Verbeek ziet de discussie mislopen, omdat beide kampen in zijn ogen een te eenvoudig beeld hebben van mens en techniek. Het eerste kamp moet zich realiseren dat de huidige mens allang het resultaat is van techniek. Hij leest boeken, draagt brillen, rijdt rond in auto’s. Filosoof Plato had het liever anders gezien, herinnert Verbeek zijn toehoorders. Hij was tegenstander van het opschrijven van kennis. “Hij vreesde dat we die dan niet meer zouden onthouden.”



“Aan de andere kant zien transhumanisten over het hoofd dat techniek geen neutraal middel is om een doel te bereiken.” Techniek verandert ons, alleen niet altijd automatisch ten goede. Daarom pleit Verbeek voor het ‘goede midden’. “We moeten het vermogen blijven houden om kritisch te kijken naar techniek. We kunnen echter niet buiten de technologische ontwikkelingen gaan staan. We moeten techniek doordenken en op een goede manier inbedden in de samenleving.”



Over de vraag of hij niet te positief tegen technologie aankijk hoeft de techniekfilosoof niet lang na te denken: “Dat verwijt krijg ik vaker. Het lost niets op om technieken pertinent af te wijzen. Dan sta je moreel juist te zijn aan de zijkant. Ik zeg: maak maar vuile handen. Wees niet laf en kijk het beest recht in de ogen.”

Redacteur Redactie

Heb je een vraag of opmerking over dit artikel?

delta@tudelft.nl

Comments are closed.