Campus

‘Het is klaar, nu iemand anders’

Cees de Bont neemt eind deze maand afscheid als decaan van de faculteit Industrieel Ontwerpen. Hij wordt decaan van de School of Design aan de Hong Kong Polytechnic University (kortweg PolyU). “Eén van de mooiste plekken om te kunnen zitten in ons vakgebied in dit tijdsgewricht.”


WIE IS… CEES DE BONT?

Prof. dr. Cees de Bont (1964, Raamsdonk) studeerde consumenten- en organisatiepsychologie aan de Universiteit van Tilburg. In 1992 promoveerde hij aan de TU met het proefschrift ‘Consumer evaluations of early product-concepts’. Na zijn militaire dienstplicht werd hij assistent-professor consumentenpsychologie in Tilburg. In die periode vroeg Philips hem een nieuw team op te zetten: Human Behaviour Research. Uiteindelijk werd hij hoofd marktonderzoek en strategie van Philips Domestic Aplliances and Personal Care. In 2005 keerde hij terug naar Delft: waar hij hoogleraar werd en de eerste decaan van een zelfstandig Industrieel Ontwerpen. Per 1 februari vertrekt hij om decaan te worden van de School of Design aan de Hong Kong Polytechnic University.


Heeft u al een mooi stulpje in Hongkong op het oog?

“Ik ga eerst wonen in het university-house, een gastenverblijf voor hoogleraren, totdat de familie komt in de zomervakantie. Dan gaan wij een appartement zoeken in Discovery Bay op Lantau Island. Een prachtige baai waar veel expats wonen en waar ook geen auto’s rijden. Het is heel schoon en stil. Idyllisch.”


Jouke Verlinden, voorzitter van de onderdeelcommissie, noemde uw vertrek een geval van collateral damage: u werkte aan het vergroten van het internationaal netwerk van Industrieel Ontwerpen en prompt ging er een deur open.

“Ja. Sowieso ging ik richting het einde van mijn tweede termijn. Het is dan toch gebruikelijk om op enig moment om je heen te kijken voor een volgende functie. Je wilt de universiteit niet met wachtgeldverplichtingen opzadelen. Ik was nog niet zeer actief aan het zoeken, moet ik eerlijk zeggen. Dat wilde ik vooral in het laatste jaar pas gaan doen. Toch kwam dit in mijn blikveld. Het decaanschap was nu vacant. En Hongkong was en is geen onbekende plek. Wel één van de mooiste plekken om te kunnen zitten in ons vakgebied in dit tijdsgewricht.”


Waarom is het een van de mooiste plekken voor ontwerpers?

“Heel belangrijk voor ontwerpers is dat je ontwerp, productie en markt dicht bij elkaar hebt, want je produceert voor een bepaalde markt. Je moet dingen maken die daar erg aanspreken. In dat ontwerptraject – waarin je ideetjes gaat tonen, uitwerken, prototypen – kun je die dan meteen al testen in de markt. In China heb je én productie én de markt in dezelfde omgeving. Dat is bijzonder. Verder is Hongkong cultureel een zeer belangrijke stad, met name door het bij elkaar komen van de Westerse – lees Britse – en de Aziatische cultuur. Dat maakt mensen ook meer cultuursensitief. Een prachtig gegeven. Het is een wereldstad vergelijkbaar met New York en San Francisco. Als klap op de vuurpijl heeft Hongkong ook veel ambities op het gebied van design: 2012 is in Hongkong Year of Design. Dat maakt het wel prachtig dat ik daar decaan mag zijn. Ik voel me zeer vereerd.”


Was het moeizaam voor Industrieel Ontwerpen om los te komen van werktuigbouwkunde?

“We moesten eerst loskomen om later weer te kunnen samenwerken. Juist de verschillen in bloedgroepen werden maximaal benadrukt in de periode dat ik kwam. Er was nauwelijks samenwerking. Er was een grote drang in de faculteit om ook echt zelfstandig te worden. Ik denk dat hier gevoeld is dat IO een beetje aan het achterspeen lag, richting college van bestuur. IO deed niet mee als iets werd uitgedeeld. Het had ook te maken met – ik probeer een heer te zijn – degene die toen decaan was. Die had niet veel affiniteit met IO. Nu, zoveel jaar later, zie je dat best op veel onderwerpen goed wordt samengewerkt. Nu kunnen we gewoon de beste partner zoeken. Binnen de TU en daarbuiten. Soms is dat 3mE.”


Was het wat dat betreft moeilijk dat behoorlijk nadruk wordt gelegd op rankings?

“De TU Delft heeft een jaar of vijf geleden Leiden gevraagd een assessment te doen van de positie van de TU Delft in de Science Citation Index. Karel Luyben heeft daar toen als decaan van Technische Natuurwetenschappen (TNW) een belangrijke rol in gespeeld, misschien om te laten zien hoe sterk TNW was. Uit die analyse kwam een zeer negatief beeld naar voren van Industrieel Ontwerpen. Over de wijze hoe dat werd gepresenteerd, was ik in eerste instantie nogal verbolgen. En eigenlijk nog steeds wel een beetje. Alsof deze faculteit niet mee zou doen in het eigen wetenschappelijke veld. Ik heb toen gezien dat het geen goede analyse was. Belangrijke tijdschriften uit ons vakgebied – waarin wij goed scoren – werden niet meegenomen. Ik heb met een aantal collega’s en mensen uit Australië een studie gedaan naar wat de peers in ons vakgebied de belangrijke tijdschriften vinden. Als je het netjes onderzoekt, blijkt onze positie heel stevig. Sterker nog: ik denk dat die sterker is dan die van welke faculteit ook in het eigen vakgebied. PolyU ligt als het gaat om vakpublicaties nog achter op Delft.”


Is PolyU wat dat betreft dan een ‘achteruitgang’ voor u?

“Ik denk dat het geen achteruitgang is. Op het punt van de wetenschappelijke output is Delft iets verder. Ik denk dat we aan de wetenschappelijke kant zaken kunnen versterken in Hongkong en dat is prima.”


U wilde meer samenwerken met het bedrijfsleven. Waar merken we dat aan?

“Valorisatie is de afgelopen zeven jaar verviervoudigd. Nog steeds bescheiden als je naar sommige andere faculteiten kijkt. Het allerbelangrijkst is het FES-project (het Fonds Economische Structuurversterking waarvoor de gelden afkomstig zijn uit de aardgasbaten, red.) voor de creatieve industrie: Crisp, Creative Industry Scientific Programme. Dat is een programma met 61 organisaties; een grote klapper die we hebben mogen maken met twintig miljoen euro aan middelen. Wij zijn trekker en penvoerder van Crisp en ik ben voorzitter van de executive board. Die omvang is ongeëvenaard in ons vakgebied. Daar ben ik apetrots op. Dat zal ons veel inzichten leveren. Er is veel gewerkt aan productontwikkeling en nu werken we aan combinaties van producten en diensten: product service systems. Dat programma bestaat uit acht projecten en is een belangrijke slag. We zullen er veel kennis mee opdoen, waardoor we de Nederlandse positiebehoorlijk kunnen versterken. Dat is de mooiste vorm van samenwerking met bedrijven. Ook hebben we veel één-tweetjes: onder meer met BMW, het Duitse bedrijf Storz dat medische instrumenten maakt en PepsiCo.”


Een jaar na uw komst zei u dat IO nog nauwelijks meedeed in de Delft Research Centres (DRC’s) en dat IO om te beginnen vooral moest samenwerken met Bouwkunde.

“Na de DRC’s kwamen de Delft Research Initiatives. Wij hebben aansluiting bij het Delft Institute for Mobility and Infrastructure en het Health Initiative, met Medical Delta. Ook doen we mee met het Energy Initiative door bijvoorbeeld zonnecellen te gebruiken voor productontwikkeling. Met Bouwkunde doen we vooral minors samen. Een mooi voorbeeld op het gebied van onderzoek is het concept village op Heijplaat, bij het voormalige RDM-complex in Rotterdam. Mensen wonen daar in proefwoningen en testen daar nieuwe producten en diensten. Duurzaamheid is daarbij een belangrijk thema. Inpassing van elektrisch vervoer in de bebouwde omgeving doen we ook met Bouwkunde. Ik vind wel dat we ons als universiteit te weinig realiseren dat we én een hoogwaardige faculteit IO én een hoogwaardige faculteit Bouwkunde hebben in één stad. Dat benutten we eerlijk gezegd nog onvoldoende. Zoveel power, uitstraling en aantrekkingskracht. Een kleine boodschap richting het college van bestuur: wat zet je in de etalage? Ik denk dat we die combinatie communicatief nog te weinig benutten. Dat we daar meer impact mee kunnen genereren.”


Een fusie of nauwere samenwerking met Leiden en Rotterdam, is dat een goed plan?

“Ik ben neutraal. Het politiek correcte antwoord is dat je vindt dat het een goed idee is. Er is ook eer te behalen. Er zitten mogelijkheden in – zelfs voor deze faculteit – om bepaalde contacten te versterken. Bijvoorbeeld als je ziet wat we met het Erasmus Medisch Centrum in Rotterdam doen. Je hebt niet echt een fusie nodig om meer te bereiken. Mijn zorg is dat het college van bestuur er veel tijd mee kwijt is. Dat de benefits misschien niet heel groot zijn ten opzichte van de inspanning. De kosten en de tijd die je daar in stopt, zijn enorm. In die tijd kun je geen voorstellen schrijven voor Europa.”


Je hoeft niet per se te trouwen om het leuk te hebben met elkaar.

“Soms zelfs beter niet! We willen niet alleen met Leiden en Rotterdam samenwerken. Wij zijn als faculteit ook redelijk 3TU-trouw. Waar voor ons nog veel eer mee te behalen valt, is een betere samenwerking binnen de TU.”


Welke ontwikkelingen ziet u binnen het vakgebied?

“Ik vind dat de faculteit eigenlijk een soort Crisp op Europees niveau van de grond zou moeten krijgen. We treffen daar voorbereidingen voor door de banden met andere topuniversiteiten aan te halen. Bij Industrieel Ontwerpen is er een overgang van het ontwerpen van spullen naar het ontwerpen dat het mensen stimuleert tot gedragsverandering. Hoe kun je ontwerptools inzetten om mensen te verleiden tot meer sociaal verantwoord gedrag zoals meer bewegen, ontbijten, of minder hufterig gedrag in de openbare ruimte? Dat is een heel mooi veld waarin we ook willen samenwerken met filosofen en ethici.”


Wat vond u het mooiste moment als decaan?

“Naast het binnenhalen van Crisp heb ik genoten van Senz Umbrella die de publieksprijs won bij de Dutch Design Awards. Fantastisch. Ander hoogtepunt was het Automotive Event. We hadden een aula vol topontwerpers, en een zeer interessant programma dat ging over de ontwikkelingen binnen de auto-industrie en de rol van ontwerpers daarin.”


Uw pijnlijkste moment?

“Die presentatie over de wetenschappelijke positie van IO. Ook het feit dat enkele mensen overleden, zoals bijvoorbeeld Piet Westendorp, een behoorlijke autoriteit op het gebied van visuele communicatie. Een enkele keer is ook een student overleden. Ook zeer moeilijk was de situatie waarin we wat minder output hadden en we relatief weinig geld van de universiteit kregen. Hoe krijg je dan de boel op gang? Hans van Luijk (de vorige collegevoorzitter, red.) zei: ‘Beste Cees, het is gewoon een kwestie van survival of the fittest’. Nu zijn we behoorlijk fit, maar dat was toen nog niet het geval. We liepen iedere keer achter op de anderen. We zaten in een wielrenkoers en elk jaar kregen we een slechtere fiets. Daar werd ik een beetje gallisch van. Door het uiteindelijk binnenhalen van grotere projecten, hebben we toch laten zien hoe fit we zijn.”


En is dit uiteindelijk het IO wat u voor ogen stond?

“Wat mij voor ogen stond, is gaandeweg bijgesteld. Ik ben heel trots op wat deze faculteit de afgelopen zeven jaar heeft laten zien. We hebben enorme sprongen gemaakt op het gebied van onderwijs, onderzoek en valorisatie. We hebben een nieuwe bachelor en als eerste blokonderwijs ingevoerd. We hebben alle masterprogramma’s herzien. Met de propedeuse in één jaar scoren we hoger dan andere faculteiten. We beginnen echt een voorbeeldfaculteit te worden binnen de TU. Onderzoek: we hebben nu 114 promovendi. Toen ik er kwam waren het er ongeveer 35. Er is keihard aan getrokken door veel mensen. Met kritische, overwegend Nederlandse medewerkers, die ook nog eens heel veel vakantiedagen hebben. Ik vind het fijn nu op te stappen. Het is klaar. Ik heb een mooie cyclus gemaakt. Nu iemand anders.” 

Redacteur Redactie

Heb je een vraag of opmerking over dit artikel?

delta@tudelft.nl

Comments are closed.