Campus

Deelnemers voelen zich soms proefkonijn

Aanbevelen zouden ze het Masters of Science-programma zeker, maar er zijn nog veel verbeteringen mogelijk. Dit menen Marisa Balas en Kornel Sihombing, twee M.S

c.-studenten van de eerste generatie.

De tweejarige internationale Masters-opleiding ging vorig jaar september van start. In eerste instantie begonnen alleen Indonesische studenten, maar in de loop van het jaar kwamen er ook studenten uit andere landen bij. Nu het programma voor de tweede keer gestart is, is het gezelschap nog internationaler geworden. Onder andere Mozambique, Tanzania, Colombia, Vietnam en de Filippijnen zijn vertegenwoordigd.

,,We hebben allemaal gedeeltelijk dezelfde achtergrond – we komen uit onontwikkelde, tropische landen. Dat geeft ons in ieder geval iets om over te praten”, vertelt Marisa Balas uit Mozambique. ,,Dat is belangrijk, want als je zo ver van huis bent zijn vrienden je enige familie.”

Ze viel pas in januari in in het programma. Dat kon omdat ze twee jaar geleden al haar afstudeeropdracht bij Informatica deed en in Delft wat mensen kende. De TU bevalt haar zo goed dat ze de opleiding ook heeft aanbevolen aan een aantal collega’s van haar bedrijf in Mozambique.

Ook Kornel Sihombing, die de opleiding bij Materiaalkunde volgt, was al bekend met Delft. Hij werkt bij de Indonesische vliegtuigbouwer IPTN. Dit bedrijf heeft goede contacten met de TU; veel werknemers zijn hier afgestudeerd. Sihombing deed een aantal jaren geleden een project samen met L&R.
Taal

De twee zijn het meest tevreden over het praktische werk, dat bij de Masters-opleiding hoort. Bij Informatica doen de studenten projecten bij bedrijven. Dat ‘werken in de echte wereld’ spreekt Balas erg aan. Sihombing is vooral blij met de interactie met begeleiders tijdens zulke projecten.

Wat ze minder goed bevalt, zijn de beperkte mogelijkheden om de taal te leren. ,,Het programma is best strikt. Er is geen tijd om een aantal maanden Nederlands te leren”, zegt Balas. ,,Ik los dat op door met mijn – Nederlandse – huisgenoten elke dag verplicht een uur Nederlands te spreken.”

Sihombing vult aan: ,,Bijna iedereen spreekt wel wat Engels, maar ik heb het idee dat alles net iets makkelijker gaat als je Nederlands spreekt.” Uit contacten met Nederlandse studenten begreep hij dat zij de stof vaak kregen aangeboden in dictaten, waarin de docent precies opschrijft wat de studenten moeten weten. ,,Het dictaat is er alleen maar in het Nederlands. Wij moeten alles uit dikke boeken halen, waarin het minder overzichtelijk staat.”

De mentor van de studenten, Joke Snippe, vindt die situatie eigenlijk raar. ,,We bieden hier een Engelstalige opleiding aan, dan kunnen we toch niet van de studenten eisen dat ze ook nog Nederlands moeten leren om de opleiding te kunnen volgen?” Tijdens de introductiecursus krijgen ze wel een week taalcursus, maar dat is ‘supermarktnederlands’, zoals Snippehet noemt. Net voldoende om je in een winkel te kunnen redden.
Discussie

Behalve aan de taal moesten de Masters-studenten ook wennen aan het individuele studeren. ,,Ik was hoorcolleges gewend”, vertelt Balas. ,,Tijdens de eerste bijeenkomsten met de docent vroeg hij alleen maar of we vragen hadden over de stof. Zo niet, dan gaf hij ons een nieuw hoofdstuk op om te bestuderen. Wij hebben gevraagd of er wat meer discussie kon komen. Nu zijn de colleges echte discussiegroepen.”

Sihombing heeft hiermee tot nu toe minder positieve ervaringen. Omdat er bij Materiaalkunde maar twee M.Sc-studenten zijn, zijn er geen regelmatige bijeenkomsten voor vakken. Voor vragen over de stof moeten zij zelf een afspraak met de docent maken. ,,Een vast rooster helpt je bij het studeren”, zegt Sihombing. ,,Daardoor kun je je tijd veel beter plannen. Dat vind ik lastig.”

Dit jaar zijn er ook organisatorisch een aantal dingen misgegaan. Zo was na lang onderhandelen tussen de faculteiten besloten een gemeenschappelijk WTM-blok in te voeren. Maar wanneer dat precies gegeven zou worden was nog onduidelijk, waardoor sommige begeleiders op dat tijdstip al stages hadden ingepland.

,,De studenten zeiden vaak tegen mij dat ze zich net guinea pigs, proefkonijnen, voelden,” vertelt Snippe. ,,Maar dit heeft geen negatief effect gehad op nieuwe aanmeldingen. We hadden gehoopt op een verdubbeling van het aantal studenten. Dat hebben we ruimschoots gehaald.”

Na hun studie willen Balas en Sihombing weer terug naar hun thuisland. Sihombing omdat hij nog in dienst is bij IPTN en Balas om weer bij haar familie te zijn. ,,Bovendien is er in Mozambique nog veel op te bouwen en daar wil ik graag een bijdrage aan leveren.”
——————-
De Masters-opleiding

De tweejarige Masters of Science-opleiding van de TU is een engelstalig programma, waarmee Lucht- en Ruimtevaart, Elektrotechniek, Materiaalkunde en TWI vorig jaar begonnen. Inmiddels is het aantal programma’s uitgebreid tot tien.

In het eerste jaar van de opleiding volgen de studenten, na een korte introductie, vakken bij de verschillende faculteiten. De faculteiten bepalen zelf de inrichting van het programma, dat speciaal voor de Masters-studenten is opgezet. Een aantal practica doen ze samen met de reguliere studenten. Het tweede jaar is gericht op het schrijven van de Masters-thesis, het afstudeerverslag. Als vooropleiding wordt van de studenten tenminste een bachelors-diploma – gelijkwaardig aan het Nederlandse hbo-diploma – geëist.

Omdat sommige studenten al een aantal jaren werkervaring hebben en anderen vers van hun vooropleiding komen, verschillen de programma’s van studenten die eenzelfde opleiding volgen, onderling soms ook. Zo kan iemand zonder werkervaring een extra stage voorgeschreven krijgen.

In eerste instantie begonnen in 1997 tien Indonesischestudenten aan de opleiding. In de loop van het jaar kwamen er drie anderen bij. Dit jaar is het aantal studenten gegroeid tot 32, waarvan veertien uit Indonesië.

Aanbevelen zouden ze het Masters of Science-programma zeker, maar er zijn nog veel verbeteringen mogelijk. Dit menen Marisa Balas en Kornel Sihombing, twee M.Sc.-studenten van de eerste generatie.

De tweejarige internationale Masters-opleiding ging vorig jaar september van start. In eerste instantie begonnen alleen Indonesische studenten, maar in de loop van het jaar kwamen er ook studenten uit andere landen bij. Nu het programma voor de tweede keer gestart is, is het gezelschap nog internationaler geworden. Onder andere Mozambique, Tanzania, Colombia, Vietnam en de Filippijnen zijn vertegenwoordigd.

,,We hebben allemaal gedeeltelijk dezelfde achtergrond – we komen uit onontwikkelde, tropische landen. Dat geeft ons in ieder geval iets om over te praten”, vertelt Marisa Balas uit Mozambique. ,,Dat is belangrijk, want als je zo ver van huis bent zijn vrienden je enige familie.”

Ze viel pas in januari in in het programma. Dat kon omdat ze twee jaar geleden al haar afstudeeropdracht bij Informatica deed en in Delft wat mensen kende. De TU bevalt haar zo goed dat ze de opleiding ook heeft aanbevolen aan een aantal collega’s van haar bedrijf in Mozambique.

Ook Kornel Sihombing, die de opleiding bij Materiaalkunde volgt, was al bekend met Delft. Hij werkt bij de Indonesische vliegtuigbouwer IPTN. Dit bedrijf heeft goede contacten met de TU; veel werknemers zijn hier afgestudeerd. Sihombing deed een aantal jaren geleden een project samen met L&R.
Taal

De twee zijn het meest tevreden over het praktische werk, dat bij de Masters-opleiding hoort. Bij Informatica doen de studenten projecten bij bedrijven. Dat ‘werken in de echte wereld’ spreekt Balas erg aan. Sihombing is vooral blij met de interactie met begeleiders tijdens zulke projecten.

Wat ze minder goed bevalt, zijn de beperkte mogelijkheden om de taal te leren. ,,Het programma is best strikt. Er is geen tijd om een aantal maanden Nederlands te leren”, zegt Balas. ,,Ik los dat op door met mijn – Nederlandse – huisgenoten elke dag verplicht een uur Nederlands te spreken.”

Sihombing vult aan: ,,Bijna iedereen spreekt wel wat Engels, maar ik heb het idee dat alles net iets makkelijker gaat als je Nederlands spreekt.” Uit contacten met Nederlandse studenten begreep hij dat zij de stof vaak kregen aangeboden in dictaten, waarin de docent precies opschrijft wat de studenten moeten weten. ,,Het dictaat is er alleen maar in het Nederlands. Wij moeten alles uit dikke boeken halen, waarin het minder overzichtelijk staat.”

De mentor van de studenten, Joke Snippe, vindt die situatie eigenlijk raar. ,,We bieden hier een Engelstalige opleiding aan, dan kunnen we toch niet van de studenten eisen dat ze ook nog Nederlands moeten leren om de opleiding te kunnen volgen?” Tijdens de introductiecursus krijgen ze wel een week taalcursus, maar dat is ‘supermarktnederlands’, zoals Snippehet noemt. Net voldoende om je in een winkel te kunnen redden.
Discussie

Behalve aan de taal moesten de Masters-studenten ook wennen aan het individuele studeren. ,,Ik was hoorcolleges gewend”, vertelt Balas. ,,Tijdens de eerste bijeenkomsten met de docent vroeg hij alleen maar of we vragen hadden over de stof. Zo niet, dan gaf hij ons een nieuw hoofdstuk op om te bestuderen. Wij hebben gevraagd of er wat meer discussie kon komen. Nu zijn de colleges echte discussiegroepen.”

Sihombing heeft hiermee tot nu toe minder positieve ervaringen. Omdat er bij Materiaalkunde maar twee M.Sc-studenten zijn, zijn er geen regelmatige bijeenkomsten voor vakken. Voor vragen over de stof moeten zij zelf een afspraak met de docent maken. ,,Een vast rooster helpt je bij het studeren”, zegt Sihombing. ,,Daardoor kun je je tijd veel beter plannen. Dat vind ik lastig.”

Dit jaar zijn er ook organisatorisch een aantal dingen misgegaan. Zo was na lang onderhandelen tussen de faculteiten besloten een gemeenschappelijk WTM-blok in te voeren. Maar wanneer dat precies gegeven zou worden was nog onduidelijk, waardoor sommige begeleiders op dat tijdstip al stages hadden ingepland.

,,De studenten zeiden vaak tegen mij dat ze zich net guinea pigs, proefkonijnen, voelden,” vertelt Snippe. ,,Maar dit heeft geen negatief effect gehad op nieuwe aanmeldingen. We hadden gehoopt op een verdubbeling van het aantal studenten. Dat hebben we ruimschoots gehaald.”

Na hun studie willen Balas en Sihombing weer terug naar hun thuisland. Sihombing omdat hij nog in dienst is bij IPTN en Balas om weer bij haar familie te zijn. ,,Bovendien is er in Mozambique nog veel op te bouwen en daar wil ik graag een bijdrage aan leveren.”
——————-
De Masters-opleiding

De tweejarige Masters of Science-opleiding van de TU is een engelstalig programma, waarmee Lucht- en Ruimtevaart, Elektrotechniek, Materiaalkunde en TWI vorig jaar begonnen. Inmiddels is het aantal programma’s uitgebreid tot tien.

In het eerste jaar van de opleiding volgen de studenten, na een korte introductie, vakken bij de verschillende faculteiten. De faculteiten bepalen zelf de inrichting van het programma, dat speciaal voor de Masters-studenten is opgezet. Een aantal practica doen ze samen met de reguliere studenten. Het tweede jaar is gericht op het schrijven van de Masters-thesis, het afstudeerverslag. Als vooropleiding wordt van de studenten tenminste een bachelors-diploma – gelijkwaardig aan het Nederlandse hbo-diploma – geëist.

Omdat sommige studenten al een aantal jaren werkervaring hebben en anderen vers van hun vooropleiding komen, verschillen de programma’s van studenten die eenzelfde opleiding volgen, onderling soms ook. Zo kan iemand zonder werkervaring een extra stage voorgeschreven krijgen.

In eerste instantie begonnen in 1997 tien Indonesischestudenten aan de opleiding. In de loop van het jaar kwamen er drie anderen bij. Dit jaar is het aantal studenten gegroeid tot 32, waarvan veertien uit Indonesië.

Redacteur Redactie

Heb je een vraag of opmerking over dit artikel?

delta@tudelft.nl

Comments are closed.