Education

Stroeve start, en toen werd het crisis

Haar opvolger is fysicus Robbert Dijkgraaf. Maar hoe gaat onderwijsminister Ingrid van Engelshoven de geschiedenis in? Een terugblik.

Ingrid van Engelshoven. (Foto: Rijksoverheid)

Wat was het pijnlijk. Op 2 september 2019 ging minister Ingrid van Engelshoven in Leiden een toespraak houden bij de feestelijke opening van het academische jaar en uitgerekend haar gastheer, rector magnificus Carel Stolker, haalde die ochtend in twee kranten keihard naar haar uit. “Ik heb nog nooit meegemaakt dat de relatie – nota bene op het hoogtepunt van de economie – zo slecht was als nu”, zei hij. Stolker zou de minister beleefd ontvangen, beloofde hij, maar wilde “niet ­onder stoelen of banken steken dat haar beleid gewoon desastreus is”.


En Stolker stond niet alleen. Honderden actievoerders verzamelden zich in Leiden voor de ‘Ware Opening’ van het academische jaar. Hun leiders zegden het vertrouwen in de minister op en riepen om haar aftreden. Zou het ooit goed komen?


De start

Twee jaar eerder, in 2017, leek er geen vuiltje aan de lucht. Sterker nog, D66 vierde feest. In het kabinet Rutte III (VVD, CDA, D66 en ChristenUnie) leverden de democraten eindelijk de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Dat mocht de partij nooit eerder, ook niet in de ‘paarse’ kabinetten van de jaren negentig. Het was een lang gekoesterde droom. In verkiezingscampagnes schermen de democraten altijd met grootse plannen voor onderwijs en onderzoek; D66 slaat zich op de borst als dé onderwijspartij, dus de verwachtingen waren hooggespannen.


De partij schoof een oudgediende naar voren: Ingrid van Engelshoven. Ze werd partijlid in haar studententijd en werkte een poosje als secretaris van D66-oprichter Hans van Mierlo. Toen de partij vrijwel was weggevaagd in de Tweede Kamerverkiezingen van 2006 (er bleven drie zetels over) werd ze partijvoorzitter en zette ze samen met de nieuwe leider Alexander Pechtold de schouders eronder. “Hij deed de buitenboel, en ik de binnenboel, de organisatie”, zei ze in een interview met dagblad Trouw. Daarnaast was ze zeven jaar lang wethouder in Den Haag met onder meer jeugd en onderwijs in haar portefeuille. Bijzonder veel ervaring met hoger onderwijs en onderzoek had ze bij haar aantreden niet. Maar daar stond haar grote politieke en bestuurlijke ervaring tegenover.


Meningsverschillen

Het ministerie kon een door de wol geverfde politicus gebruiken, want coalitiepartijen VVD, CDA, D66 en ChristenUnie verschilden flink van mening over onderwijs en onderzoek. Neem alleen al de basisbeurs. VVD en D66 hadden die in 2015 afgeschaft, terwijl CDA en ChristenUnie hem terug wilden. Het moeizame compromis in hun regeerakkoord was een korting op het collegegeld in het eerste studiejaar (uiteindelijk tandenknarsend aanvaard in de Eerste Kamer) met een renteverhoging op studieschulden (gestrand in de Eerste Kamer).


Maar er zaten veel meer gevoelige onderwerpen in haar portefeuille, zoals selectie aan de poort van opleidingen, de verdeling van onderzoeksgeld, het bindend studieadvies en ongelijke kansen. De minister moest goed laveren – en dat zou haar, met al haar ervaring, bij uitstek moeten lukken.


Hoe kon het dan zo vreselijk misgaan, dat de Leidse rector haar in september 2019 zo ijzig ontving en demonstranten om haar aftreden riepen? Dat had alles te maken met niet ingeloste verwachtingen. Van een D66-minister verwachtte men meer geld en progressief beleid, maar daar leek weinig van terecht te komen.


Gebroken belofte

De eerste smet op haar blazoen: het nieuwe kabinet kwam met een ‘doelmatigheidskorting’ op het onderwijs van 183 miljoen euro, waarvan bijna 44 miljoen euro voor rekening van het hoger onderwijs kwam. Zelfs de politieke jongeren van VVD en D66 waren woedend. “Kabinet breekt belofte aan studenten”, schreven ze in een persbericht. De basisbeurs was immers afgeschaft om extra geld in het hoger onderwijs te steken. Hoe kun je dan tegelijkertijd geld afromen?


Ze moesten maar snoeien in het woud van vergaderingen


Beginnen met een bezuiniging, als minister van dé onderwijspartij. Het was niet ideaal, maar haar antwoord op alle kritiek hielp ook niet echt. De universiteiten en hogescholen moesten maar snoeien in het woud van vergaderingen, was haar suggestie. En daarover wilde ze dan – o, ironie – met de instellingen in gesprek. Bovendien gaf ze de schuld aan het oude kabinet, dat de studenten- en leerlingenaantallen niet goed zou hebben ingeschat. Dat was een zwak verwijt, want ministers maken zulke schattingen heus niet zelf en de keuze om dan maar te bezuinigen… die was toch echt van het nieuwe kabinet en dus van deze D66-minister. Het woord ‘doelmatigheidskorting’ viel sowieso slecht. De werkdruk en competitie liepen toch al de spuigaten uit en het onderwijs kwam in het gedrang, waarschuwden bestuurders en activisten in koor. Ze wilden een miljard euro erbij. Aan Van Engelshoven de ondankbare taak om ‘nee’ te verkopen.


Poging één

Ze zat dus in de hoek waar de klappen vallen. In september 2018, nog geen jaar op haar post, deed ze een eerste poging om daaruit te komen. Van Engelshoven besloot het initiatief naar zich toe te trekken.


Vol bravoure hield ze een toespraak bij de opening van het academische jaar in Tilburg. Ze ging paal en perk stellen aan het bindend studieadvies (bsa), was haar boodschap. Sommige studenten moeten even wennen aan het hoger onderwijs en die moet je niet wegsturen als ze in hun eerste jaar te weinig punten behalen. De bsa-norm mocht in elk geval niet hoger zijn dan 40 studiepunten, verkondigde de minister.


Stevig beleid, en het hoefde geen cent te kosten! Eindelijk eens een gesprek dat niet over geld ging, maar over progressieve onderwerpen als studentenwelzijn en gelijke kansen. Hogescholen, vaak iets milder voor de minister, voelden zich in hun wiek geschoten. Waarom had ze dit niet even overlegd? En waar bemoeide ze zich eigenlijk mee? De universiteiten waren nog knorriger.


Ook in de Tweede Kamer kreeg ze felle tegenstand, onder meer van regeringspartijen VVD en CDA. De coalitie liet haar vallen. Ze moest bakzeil halen en deed vervolgens alsof ze dat had voorzien. Ze wilde gewoon een steen in de vijver gooien, beweerde ze.


Poging twee

Haar tegenstanders hadden de wind in de zeilen. De universiteiten overtuigden langzamerhand iedereen ervan dat ze geld tekort kwamen. Ze lieten zien dat ze steeds minder geld per student kregen (als je het budget voor onderzoek en onderwijs samenneemt).


Beeldvorming is alles, moet de minister hebben gedacht. Of: de aanval is de beste verdediging. Hoe dan ook spotte ze dat najaar van 2018 met de klachten over geldgebrek. Sprookjes waren het, verzonnen aan de ‘Universiteit van Kaatsheuvel’. In de Tweede Kamer schamperde ze over de logica van Holle Bolle Gijs, “die propte en schrokte en nog van honger niet kon slapen. Er zijn nog steeds mensen die ons willen doen geloven dat het kommer en kwel is in het hoger onderwijs, dat we aan de rand van de afgrond staan. Als je dat beeld niet corrigeert, gaat dat een eigen leven leiden”, zei ze.


Ze verspreidde een “gortdroog lijstje cijfers” om haar punt te maken. Maar de oppositie kon er makkelijk doorheen prikken: ze liet het geld voor onderzoek immers buiten beschouwing. “Daar heeft u een punt”, gaf ze toe, zodra iemand erop wees.


Bèta

Het deed haar reputatie geen goed. Daar kwam nog een heikele kwestie bovenop. Het kabinet verschoof geld naar bèta en techniek. Het ging om vele miljoenen en het besluit werd nogal bruusk genomen. Vooral de algemene universiteiten vonden het een idiote beslissing. Het zou kunnen dat bèta en techniek meer geld nodig hebben, maar waarom moet je dan medische studies en alfa- en gammastudies afknijpen?


Een jaar later. Het is 2 september 2019 en Van Engelshoven wimpelde het gemor over die verschuiving van geld weg. Het moest even “quick and dirty”, zei ze in NRC Handelsblad, want de technische opleidingen konden naar eigen zeggen de toestroom van studenten niet aan en dreigden met studentenstops.


Quick and dirty, die woorden zouden haar nog lang achtervolgen. “Ik zit hier niet om aardig gevonden te worden”, zei ze ook nog. Dat interview verscheen op de dag dat ze naar Leiden zou gaan voor haar toespraak en de rector naar haar uithaalde.


Doe maar een miljard

Zo was de sfeer tot onder het vriespunt gezakt bij de start van het collegejaar in september 2019. Er moest iets gebeuren. Van Engelshoven moest laten zien dat ze aan de kant van het hoger onderwijs en onderzoek stond.


Dus begon ze drie maanden later een andere toon aan te slaan. Ze kwam met haar strategische agenda en schreef daarin: “Nu even geen nieuwe Haagse ideeën.” Ze wilde de concurrentiedrift temmen, kleine opleidingen redden en hogescholen in krimpregio’s overeind houden.


Opeens gaf ze de activisten en lobbyisten gelijk dat er veel meer geld naar hoger onderwijs en onderzoek moest. Ze noemde zelfs een miljard euro. Zelf was ze gebonden aan het regeerakkoord, dus het zou in een volgend kabinet moeten gebeuren. Die nieuwe toon hielp een beetje, maar voor haar critici was het prijsschieten: als ze dat echt vond, waarom deed ze dan niks?


Corona

En toen kwam corona. Niemand is blij met een wereldwijde pandemie, maar politiek gezien was de coronacrisis voor Van Engelshoven een geschenk uit de hemel. Vanaf het voorjaar van 2020 kon ze eindelijk weer doen waar ze goed in is: overleg voeren, compromissen sluiten en vooruit met de geit. De ene na de andere snelle beslissing werd genomen met het oog op de buitengewone omstandigheden. Ze kon eindelijk haar stempel drukken. Het bindend studieadvies werd bijvoorbeeld uitgesteld of versoepeld, nu alle opleidingen massaal online onderwijs moesten geven. Niemand schreeuwde moord en brand. Nu kon het gewoon.


Corona: ze kon eindelijk haar stempel drukken


Zo nam ze meer stevige beslissingen. Mbo’ers mochten alvast naar het hbo, ook als ze hun diploma nog net niet hadden behaald. Vertraagde afstudeerders kregen coronasteun. En ze nam het, in zekere zin, ook op voor jonge wetenschappers. Klaagden de universiteiten dat die hun werk niet afkregen binnen de termijn van hun tijdelijke contract? Neem ze dan maar in vaste dienst, was haar antwoord, dat ze later weer nuanceerde.


Kritiek op haar beleid klonk er wel – studenten voelden zich vergeten bij de verdeling van alle coronamiljarden – maar zulke kritiek gleed van haar af. Het was nu eenmaal crisis, we moesten door.


En in de coronacrisis zou ze de onderwijsinstellingen heus niet aan allerlei deadlines en kwaliteitsplannen houden, beloofde ze. Die hadden het al moeilijk genoeg, ze mochten hun werk doen zonder dat zij hen lastig viel. De samenwerking met de sector leek opeens lekkerder te lopen.


Aan de start van het huidige studiejaar 2021/22 zette Van Engelshoven bovendien haar collega’s in het demissionaire kabinet voor het blok. Het hoger onderwijs zou de deuren niet meer sluiten, verzekerde ze, ook niet als er een vierde coronagolf kwam. Dat zou niet goed zijn voor studenten. Het kabinet spreekt met één mond, dus ze beloofde het ook namens de andere bewindslieden.


Eind november stak Maurice Limmen van de Vereniging Hogescholen de loftrompet. “Ik heb veel bestuurlijke overleggen meegemaakt, maar als iemand zich het afgelopen anderhalf jaar sterk heeft gemaakt voor het openhouden van onderwijs en het welzijn van studenten, dan is het deze minister.” Ze balen vast allebei dat er nu toch weer een lockdown is.


Diversiteit

Bovendien kon ze zich in 2020 eindelijk profileren als een progressieve minister. Ze maakte zich hard voor diversiteit en inclusie. Ze zette haar handtekening onder een actieplan van universiteiten en wetenschapsorganisaties die discriminatie en seksisme in de eigen geledingen wilden bestrijden. Het streven: meer kansen in de wetenschap voor vrouwen, mensen met een migratieachtergrond en andere mensen die om de een of andere reden worden gehinderd.


Vooral op de rechterflank van de politiek werkte het als een rode lap op een stier. Moesten universiteiten soms lijstjes bijhouden van wetenschappers en hun afkomst? Kwam er diversiteitspolitie op de campus? Het moest niet gekker worden. Beoordeel iedereen gewoon op zijn of haar kwaliteiten, zei rechts Nederland. Die mening kreeg een meerderheid in de Tweede Kamer: weg met die plannen.


Weerstand tegen diversiteitsbeleid: Het blijft me af en toe verbazen


De minister kon erop antwoorden vanuit haar eigen ideologie. “Het blijft me af en toe verbazen hoezeer het streven naar diversiteit in deze samenleving weerstand oproept”, verzuchtte ze in de Kamer. “Was het maar zo dat mensen beoordeeld worden op wat ze kunnen. Als dat zo was, dan zagen onze universiteiten er veel diverser uit.”


Mooi meegenomen: ze kon die felle discussies met de Tweede Kamer in feite niet verliezen. Universiteiten en hogescholen hebben alle vrijheid om hun eigen beleid te voeren en zij staan achter de plannen. Van Engelshoven was met liefde de progressieve kop van Jut die de universiteiten uit de wind hield, maar eigenlijk had ze er weinig over te zeggen.


Verkiezingen

Als iemand haar vraagt wat nu eigenlijk haar nalatenschap is, dan spreekt Van Engelshoven altijd over het ‘rendementsdenken’ waar dit kabinet mee gebroken heeft. Onder haar bewind stelde het ministerie geen harde, cijfermatige eisen aan universiteiten en hogescholen. Ze mochten aan de slag met ‘kwaliteitsafspraken’ die ze zelf hadden vastgesteld met hun medezeggenschap. En het maken van die plannen konden ze in de crisis nog uitstellen ook.


En wat ze zelf ook graag onderstreept: ze heeft adviesbureau PwC gevraagd om zich over de bekostiging van het hoger onderwijs te buigen. Is er nog genoeg geld? Nee, kwam daaruit. Nu ligt er eindelijk een stevige basis onder de roep om extra geld, meent Van Engelshoven – en het volgende kabinet kan daar iets mee doen.


In de aanloop naar de verkiezingen suggereerde ze dat de kritiek op haar beleid eigenlijk de VVD moest treffen. Die partij zette een bezuiniging op het hoger onderwijs in de verkiezingsplannen. “Nu begrijpen jullie misschien waar ik de afgelopen jaren tegenop heb moeten boksen”, zei ze een beetje mismoedig, maar ook triomfantelijk.


Nu begrijpen jullie misschien waar ik tegenop heb moeten boksen


Wie weet zat daar iets in. Hoe dan ook leken studenten, wetenschappers en docenten tegen het einde van haar bewind iets minder fel. Ze hadden hun verwachtingen bijgesteld en keken vooruit naar het volgende kabinet. Misschien kon dat meer voor hen betekenen, dachten ze.


Nieuw kabinet

Nu is er een nieuw kabinet, met dezelfde coalitiepartijen. Inmiddels is bekend dat de bekende fysicus Robbert Dijkgraaf, ook van D66, haar opvolger wordt. In het nieuwe regeerakkoord staan extra investeringen in hoger onderwijs en onderzoek. Bovendien wordt de lijn van stabielere financiering doorgezet, dus de nalatenschap van Van Engelshoven is veiliggesteld. Nu maar zien wie er kan oogsten.


  • Ingrid van Engelshoven (1966) ging in België naar de middelbare school. Ze verhuisde naar Nederland voor een opleiding politicologie aan de Radboud Universiteit Nijmegen en rechten aan de Universiteit Leiden. Ze was partijvoorzitter van D66 en wethouder Onderwijs in Den Haag. Ze was partner bij een adviesbureau en directeur van de Stichting Verantwoord Alcoholgebruik, waarin de producenten en importeurs van bier, wijn en gedestilleerde dranken samenwerken. In oktober 2017 werd ze minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen in het kabinet Rutte III. Sinds 15 januari 2021 is het kabinet demissionair.


HOP, Bas Belleman

HOP Hoger Onderwijs Persbureau

Do you have a question or comment about this article?

redactie@hogeronderwijspersbureau.nl

Comments are closed.