Opinion

Veel wijsheid

,,Bij uw verdere beraadslagingen wens ik u veel wijsheid toe. Maar ik ga morgen weer aan het werk, in mijn lab.” Dat was na vier uur praten ongeveer alles wat prof.d

r.ir. A. Verruijt kon samenvatten van het debat over de universitaire bestuursstructuur. De u-raad en het college van bestuur bespraken vorige week woensdag, in een speciale zitting, de hervormingsplannen van Ritzen, die begin volgend jaar in de Tweede Kamer komen.

De wetenschapper Verruijt was een middag lang manmoedig gelegenheidsvoorzitter geweest, maar bleek uiteindelijk toch een andere taal te spreken dan de vergadertijgers om hem heen. Raadsleden vonden de autonomie van de vakgroepen een belangrijk ‘knelpunt’ in de huidige bestuursstructuur. Verruijt niet. ,,Als je een universiteitsraad hebt met maar één professor erin, dan herkennen de wetenschappers zich niet in het topbestuur”, zo zei hij. ,,Dan ga je je eigen zaken regelen, en dat gaat uitstekend.”

Raadsleden benadrukten dat hun verkiezing het ‘draagvlak’ levert voor het universitaire topbestuur. Verruijt zag dat anders. ,,Ik weet best wat een parlementaire democratie is, maar een u-raad is eenderde van dit en eenderde van dat, plus vijf buitenleden en één hoogleraar, en dan is het opeens democratie? Zo weet ik er nog wel een paar.”
Triviaal

No-nonsense in een verpakking van bonhomie leek zijn recept, maar dat pakte niet altijd even goed uit. Een bijdrage van collega-hoogleraar Koolhaas vanaf de publieke tribune werd met een blik van ‘wie-is-die-man?’ onderuit gehaald, hoewel het een poging was om een frisse wind te laten waaien in de moeizame discussie. ,,U formuleert allemaal mooie doelstellingen”, aldus Koolhaas. ,,Maar die vertellen me niks over de vraag waar we als TU nu eens mee moeten ophouden.” Op dat moment had de raad twee uur besteed aan het inventariseren van elf beleidsdoelstellingen, die anderhalf jaar geleden al in de Strategienota waren verwerkt. Bij het buiten-universitaire lid Bart had dat, even later, toch iets losgemaakt: ,,We formuleren triviale uitspraken, bijvoorbeeld dat we voor ‘goed onderwijs’ zijn. Hadden we dan ook voor ‘slecht onderwijs’ kunnen kiezen? Wat is het onderscheidende van de TU Delft?”

Het mocht niet baten. Moeizaam werkte de raad zich door een lijstje van vooraf ingediende knelpunten heen – geen van die knelpunten was overigens een reflectie op het functioneren van de raad zelf. De faculteitsbesturen kennen geen continuïteit, de vakgroepen zijn te autonoom, de samenwerking tussen vakgebieden is te rigide, de communicatie is te slecht en het bestuur is vaak te collegiaal.

Het college van bestuur had weer z’n eigen lijstje gemaakt: de buitenwereld controleert de universiteit niet, intern zijn we te verdeeld, we besturen teveel en detail, en niemand heeftduidelijke bevoegdheden. Enige reflectie op het eigen functioneren zat hierin overigens wèl. Collegevoorzitter De Voogd hamerde op zijn vertrouwde thema dat het universiteitsbestuur aan de samenleving verantwoording wilde afleggen. ,,Het is best plezierig om een baas te hebben.”
Gezellig

Over één punt was iedereen het wel eens: de scheiding tussen ‘besturen’ en ‘beheren’ moest maar opgeheven worden, lang leve de dekaan-alias-manager. Maar dan? Voor Verruijt werd het ‘steeds gezelliger’. Hij dacht de lijstjes te kunnen toetsen aan de hervormingsplannen van minister Ritzen. Dat mocht niet van de raadsleden – die hadden zich voorgenomen om alleen de ‘huidige bestuursstructuur‘ te bespreken (in de nieuwe structuur verliest de u-raad zijn zwaarste bevoegdheden).

Ten einde raad werden de ambtenaren van het college aan het werk gezet. Zij mochten een nieuw lijstje maken: welke knelpunten lieten zich in de ‘oude’ wet nog oplossen, en welke niet? (Stille hoop: misschien blijkt dan wel dat de hervormingen van Ritzen helemaal niet nodig zijn. Stille ambitie: misschien kunnen we dan daarmee ‘Den Haag’ wel overtuigen.)

Terwijl de raadsleden zwoegden op hun lijstjes had het college van bestuur, dat een universiteitsraad zonder budgetrecht allang ziet zitten, een ontspannen middag. ,,We moeten pauzeren voor een sigaar”, riep het nieuwe raadslid Hulsbergen uit op een moment dat het debat weer eens vastliep. Toen aan het eind van de middag bleek dat alle goede bedoelingen in rook waren opgegaan, stelde Hulsbergen voor: ,,We moeten met z’n allen maar een hapje eten, dan gaan we daarna de hele avond door.” De raadsleden waren het in zoverre met hem eens dat het tijd werd voor de borrel. Afgesproken werd dat het een nuttige bijeenkomst was geweest, omdat er toch ‘verder gepraat’ moest worden.

En met het glas in de hand werd bedacht dat ‘de faculteiten’ en ‘de werkvloer’ bij deze discussies betrokken moesten worden, ,,want misschien zien wij wel knelpunten in de bestuursstructuur die zij helemaal niet als zodanig ervaren”. Intrigerend, zo’n inzicht: was de universiteitsraad immers niet de democratisch gekozen vertegenwoordiger van diezelfde werkvloer?

,,Bij uw verdere beraadslagingen wens ik u veel wijsheid toe. Maar ik ga morgen weer aan het werk, in mijn lab.” Dat was na vier uur praten ongeveer alles wat prof.dr.ir. A. Verruijt kon samenvatten van het debat over de universitaire bestuursstructuur. De u-raad en het college van bestuur bespraken vorige week woensdag, in een speciale zitting, de hervormingsplannen van Ritzen, die begin volgend jaar in de Tweede Kamer komen.

De wetenschapper Verruijt was een middag lang manmoedig gelegenheidsvoorzitter geweest, maar bleek uiteindelijk toch een andere taal te spreken dan de vergadertijgers om hem heen. Raadsleden vonden de autonomie van de vakgroepen een belangrijk ‘knelpunt’ in de huidige bestuursstructuur. Verruijt niet. ,,Als je een universiteitsraad hebt met maar één professor erin, dan herkennen de wetenschappers zich niet in het topbestuur”, zo zei hij. ,,Dan ga je je eigen zaken regelen, en dat gaat uitstekend.”

Raadsleden benadrukten dat hun verkiezing het ‘draagvlak’ levert voor het universitaire topbestuur. Verruijt zag dat anders. ,,Ik weet best wat een parlementaire democratie is, maar een u-raad is eenderde van dit en eenderde van dat, plus vijf buitenleden en één hoogleraar, en dan is het opeens democratie? Zo weet ik er nog wel een paar.”
Triviaal

No-nonsense in een verpakking van bonhomie leek zijn recept, maar dat pakte niet altijd even goed uit. Een bijdrage van collega-hoogleraar Koolhaas vanaf de publieke tribune werd met een blik van ‘wie-is-die-man?’ onderuit gehaald, hoewel het een poging was om een frisse wind te laten waaien in de moeizame discussie. ,,U formuleert allemaal mooie doelstellingen”, aldus Koolhaas. ,,Maar die vertellen me niks over de vraag waar we als TU nu eens mee moeten ophouden.” Op dat moment had de raad twee uur besteed aan het inventariseren van elf beleidsdoelstellingen, die anderhalf jaar geleden al in de Strategienota waren verwerkt. Bij het buiten-universitaire lid Bart had dat, even later, toch iets losgemaakt: ,,We formuleren triviale uitspraken, bijvoorbeeld dat we voor ‘goed onderwijs’ zijn. Hadden we dan ook voor ‘slecht onderwijs’ kunnen kiezen? Wat is het onderscheidende van de TU Delft?”

Het mocht niet baten. Moeizaam werkte de raad zich door een lijstje van vooraf ingediende knelpunten heen – geen van die knelpunten was overigens een reflectie op het functioneren van de raad zelf. De faculteitsbesturen kennen geen continuïteit, de vakgroepen zijn te autonoom, de samenwerking tussen vakgebieden is te rigide, de communicatie is te slecht en het bestuur is vaak te collegiaal.

Het college van bestuur had weer z’n eigen lijstje gemaakt: de buitenwereld controleert de universiteit niet, intern zijn we te verdeeld, we besturen teveel en detail, en niemand heeftduidelijke bevoegdheden. Enige reflectie op het eigen functioneren zat hierin overigens wèl. Collegevoorzitter De Voogd hamerde op zijn vertrouwde thema dat het universiteitsbestuur aan de samenleving verantwoording wilde afleggen. ,,Het is best plezierig om een baas te hebben.”
Gezellig

Over één punt was iedereen het wel eens: de scheiding tussen ‘besturen’ en ‘beheren’ moest maar opgeheven worden, lang leve de dekaan-alias-manager. Maar dan? Voor Verruijt werd het ‘steeds gezelliger’. Hij dacht de lijstjes te kunnen toetsen aan de hervormingsplannen van minister Ritzen. Dat mocht niet van de raadsleden – die hadden zich voorgenomen om alleen de ‘huidige bestuursstructuur‘ te bespreken (in de nieuwe structuur verliest de u-raad zijn zwaarste bevoegdheden).

Ten einde raad werden de ambtenaren van het college aan het werk gezet. Zij mochten een nieuw lijstje maken: welke knelpunten lieten zich in de ‘oude’ wet nog oplossen, en welke niet? (Stille hoop: misschien blijkt dan wel dat de hervormingen van Ritzen helemaal niet nodig zijn. Stille ambitie: misschien kunnen we dan daarmee ‘Den Haag’ wel overtuigen.)

Terwijl de raadsleden zwoegden op hun lijstjes had het college van bestuur, dat een universiteitsraad zonder budgetrecht allang ziet zitten, een ontspannen middag. ,,We moeten pauzeren voor een sigaar”, riep het nieuwe raadslid Hulsbergen uit op een moment dat het debat weer eens vastliep. Toen aan het eind van de middag bleek dat alle goede bedoelingen in rook waren opgegaan, stelde Hulsbergen voor: ,,We moeten met z’n allen maar een hapje eten, dan gaan we daarna de hele avond door.” De raadsleden waren het in zoverre met hem eens dat het tijd werd voor de borrel. Afgesproken werd dat het een nuttige bijeenkomst was geweest, omdat er toch ‘verder gepraat’ moest worden.

En met het glas in de hand werd bedacht dat ‘de faculteiten’ en ‘de werkvloer’ bij deze discussies betrokken moesten worden, ,,want misschien zien wij wel knelpunten in de bestuursstructuur die zij helemaal niet als zodanig ervaren”. Intrigerend, zo’n inzicht: was de universiteitsraad immers niet de democratisch gekozen vertegenwoordiger van diezelfde werkvloer?

Editor Redactie

Do you have a question or comment about this article?

delta@tudelft.nl

Comments are closed.