Civiel in Ontwikkeling houdt een ‘week van ontwikkeling’. Tweedejaars student en voorzitter Sandra de Vries: “Na je studie heb je veel kennis waarmee je echt iets kunt bereiken in ontwikkelingslanden.”
Wat is ‘civiel in ontwikkeling’?
“Dat is een commissie van Gezelschap Practische Studie. Civiel in ontwikkeling is voortgekomen uit African Case Studies, waarbij je oplossingen kon bedenken voor problemen in Afrika. Later verbreedde zich dat en kon je ook nadenken over bijvoorbeeld overstromingen in Bangladesh. Elke keer als daar een overstroming is geweest, bouwen mensen hun huis opnieuw, maar als je ze geld geeft voor een dijk of een dam kost het ze uiteindelijk minder.”
Waarom dit initiatief?
“Civiele techniek is een studie waar je wat mee kunt in het buitenland. Denk aan watermanagement en drinkwatervoorzieningen. In Afrika en Zuidoost-Azië is er een probleem om schoon drinkwater te krijgen. Denk ook aan dijken of dammen bouwen in Bangladesh. In Afrika staan rivierbeddingen de helft van de tijd droog, maar soms stroomt er ook weer te veel water. Irrigatie in de landbouw is belangrijk en ook de wegenbouw, om de bereikbaarheid te vergroten. We willen bij studenten onder de aandacht brengen hoe gemakkelijk je al iets bij kunt dragen en hoe spannend en interessant dat is.”
Hoe gaan jullie dat aanpakken?
“We houden van maandag 9 mei tot en met donderdag 12 mei een ‘week van ontwikkeling’ in het pand van civiele techniek. Thema is The white man’s burden. Oud-minister Jan Pronk geeft op maandag een lezing in een tent voor de aula. Op dinsdag 10 mei hebben we twee case studies. Een daarvan is van Artsen zonder Grenzen over de vraag hoe je medische hulp kunt bieden aan landen die dat acuut nodig hebben. Woensdag 11 mei is er een lezingenreeks met onder meer Amref Flying Doctors over watermanagement in Kenia. Donderdag 12 mei sluiten we af met een debat over ontwikkelingssamenwerking.”
Vanwaar ‘The white man’s burden’?
“Westerlingen denken dat zij de problemen in ontwikkelingslanden moeten oplossen, terwijl dat misschien niet zo is. Hebben ze onze hulp wel nodig? Moet het wel op een blanke manier? Moet het niet anders? Met technische kennis kun je veel, maar je moet culturele verschillen niet vergeten. Een voorbeeld is het houden van een siësta als er sprake is van hitte.”
Wat doe jij zelf aan ontwikkeling?
“Ik heb de eerste negen jaar van mijn leven in Zambia, Nicaragua en Bhutan gewoond. Mijn ouders deden aan ontwikkelingshulp in de landbouw. Tijdens een reis in India heb ik twee weken lesgegeven aan kinderen, maar ik voelde me erg nutteloos. Ik zocht ze ’s ochtends tussen zes en zeven uur op bij een station in Calcutta, nam ze mee naar een fontein en liet ze daar hun tanden poetsen. Daarna wilde ik lesgeven, maar ik kende alleen Engels en zij niet. Ook wist ik niet hoe ik les moest geven. Toen kwam bij mij het besef: zonder kennis kun je niks.”
WIE IS SIJBOLT NOORDA?
Sijbolt Jan Noorda (Westeremden, 1945) studeerde theologie aan de Vrije Universiteit (VU) in Amsterdam en aan de Union Theological Seminary / Columbia University in New York. Hij promoveerde in 1989 aan de Universiteit Utrecht. Hij werkte bij de VU als wetenschappelijk medewerker bij de faculteit der Godgeleerdheid en was van 1984 tot 1988 lid van het college van bestuur. Later werd hij docent culturele geschiedenis van religie en bijbel aan de Universiteit van Amsterdam (UvA). In 1991 trad Noorda toe tot het college van bestuur van de UvA. Van 1999 tot 2007 was hij hier bestuursvoorzitter. Zijn voorzitterschap werd in 2003 uitgebreid met dat van de Hogeschool van Amsterdam. Bij zijn afscheid kreeg Noorda door burgemeester Cohen van Amsterdam de zilveren medaille van de stad uitgereikt. Sinds december 2006 is Noorda voorzitter van de Vereniging van Universiteiten. Hij zit namens Nederland in de Council van de European University Association. Noorda was onder andere bestuurslid van de NOS, de Ikon en andere instellingen in de publieke, universitaire en culturele sector.
Hoe zal het hoger onderwijs er over tien jaar uitzien? Zelden was het zo moeilijk te voorspellen. Zal de politiek straks werkelijk in onderwijs en wetenschap investeren? En gaat het hoger onderwijs inderdaad op de schop om de grote studentenaantallen in goede banen te leiden? Het kan niet anders, zegt VSNU-voorzitter Sijbolt Noorda.
Waarom zijn de groeiende aantallen studenten een probleem?
“Vergelijk het met het mooie Marokkaanse kustplaatsje Agadir, waar steeds meer toeristen naartoe wilden. Dat werd zo populair, dat ze er grote gebouwen langs de kust gingen bouwen. Van de charme bleef weinig meer over. Als je nu met het vliegtuig uit Düsseldorf aankomt, denk je: waarom wilde ik hier ook alweer naartoe? Zo is het ook met het Nederlandse hoger onderwijs. De deelname van jongeren behoort hier tot de hoogste ter wereld, maar het onderwijs kan het nauwelijks nog aan en het budget per student wordt steeds lager.”
Universiteiten en hogescholen moeten elkaar geen vliegen afvangen, maar samenwerken en zich profileren, zegt de commissie van Cees Veerman. Bent u nog altijd blij met het advies?
“Jazeker. Al jarenlang hadden we behoefte aan een visie op de massaliteit en kwaliteit van het hoger onderwijs en nu hebben we dit rapport. Beter laat dan nooit. We hebben de kwestie te lang voor ons uitgeschoven. We hebben te lang toegejuicht dat het aantal studenten groeide en niet voldoende onderkend dat dit met kwaliteitsverlies gepaard ging. We deden aan symptoombestrijding. Is er een probleem met studiekeuze? Laten we een paar brede bachelors lanceren. Werken studenten niet hard genoeg? Misschien moeten we de studies eens verzwaren. Maar dat is niet goed. We moeten niet zeggen: we draaien een schroefje aan, we stutten een plankje, we trekken aan een gashandel en ja hoor, het systeem doet het weer even. We moeten een andere benadering kiezen.”
Die nieuwe benadering betreft ook de bekostiging. Die moet minder van studentenaantallen afhangen.“Nu volgt het geld de student en dan krijg je dat opleidingen toch zoveel mogelijk studenten gaan werven, ook als sommigen beter naar een andere opleiding verwezen kunnen worden of eigenlijk in het hbo thuishoren. In het nieuwe plan gaan universiteiten zich meer op hun missie richten, hun profiel. En ze zullen eerder kleiner dan groter worden. Dat zal ook effect hebben op het studiesucces, aangezien studenten dan sneller de juiste opleiding vinden. Wij hebben wel eens uitgerekend wat het aan belastinggeld oplevert als één lichting studenten een jaar eerder zijn diploma zou halen: daarmee betaal je met gemak alle maatregelen die voor zo’n verbetering kunnen zorgen. En dan tellen we de economische winst niet eens mee.”
Universiteiten hadden toch allang onderling kunnen afspreken om zich minder sterk op het werven van studenten te werpen?
“In theorie kun je kartelafspraken maken en het systeem veranderen door je collectief anders te gedragen, als het ware tegen de stroom in. Maar in de praktijk blijkt de prikkel te sterk. Daar moet je niet naïef in zijn. Ik herinner mij de Universiteit Maastricht, die eind jaren tachtig te weinig studenten dreigde te trekken en wier bestaansrecht op het spel stond. Die ging reclame maken. Toen hebben we nog tegen elkaar gezegd: eigenlijk moeten we er niet aan beginnen, anders doen we het straks allemaal. Maar dat is toch gebeurd. Daarom is het van belang die prikkel te verminderen.”
Als u minder studenten wilt, gaan er straks meer studenten naar het hbo.
“En daar moet ook het een en ander veranderen. Meer diversiteit in het onderwijsaanbod, toegesneden op de diverse studenten. Er komen niet alleen mbo’ers en havisten, maar ook vwo’ers naar het hbo. Misschien kunnen die laatsten beter een driejarige hbo-bacheloropleiding volgen of hebben ze andersoortig onderwijs nodig. Er moeten betere docenten komen en sommige hbo-opleidingen kunnen meer nadruk leggen op toegepast onderzoek. Maar bij het plan hoort ook een kieskeuriger universiteit, waar minder studenten heen gaan. Zo interpreteer ik Veerman.”
En als ze afstuderen, krijgen hbo’ers straks dezelfde titel als wo’ers. Daar waren de universiteiten toch altijd tegen?
“Dat klopt, maar het rapport van de commissie-Veerman is geen winkel van Sinkel waarin je kunt zeggen: doet u mij maar de kralen en laat het wasmiddel maar staan. Nee, samen met de studentenbonden en de HBO-raad heeft de VSNU besloten het rapport geheel te omarmen. We gaan niet steggelen over kleinigheden. De commissie heeft een Angelsaksische benadering gekozen, waarin studenten van hogeschool en universiteit uiteindelijk allemaal dezelfde titel krijgen, plus de toevoeging van hun onderwijsinstelling. Dus dan ben je een afgestudeerde bachelor van de Erasmus Universiteit Rotterdam of de Haagse Hogeschool. Het wordt vanzelf duidelijk wat voor opleiding daarbij hoort.”
Hoe kan het dan dat de universiteiten aanvankelijk zo dwars lagen met die titels?
“Sommige dingen hebben tijd nodig. Ik bedoel, we hebben sinds het begin van de jaren tachtig eindeloos lopen tobben over de tweede fase en de studieduur van exacte opleidingen, maar toen minister Hermans halverwege de jaren negentig voorstelde om de bachelor-masterstructuur in te voeren, was het opeens in twee jaar gebeurd. Zoiets is nu ook aan de hand. Er is al veel gediscussieerd en nu is de kurk van de fles geschoten.”
Hoe zal het profileren in zijn werk gaan? Worden alleen de bordjes verhangen?
“Als je wilt weten of instellingen kunnen veranderen, moet je kijken of ze zich al in die richting hebben bewogen. En dat is zo. Weinig mensen beseffen het, maar we hebben tegenwoordig één landelijke masteropleiding wiskunde. Ook in de onderzoeksscholen werken universiteiten samen. Of neem de geneeskundeopleidingen: vroeger kreeg je in Maastricht en Groningen eerder onderwijs in klinische vaardigheden dan elders. Dat is allemaal gelijkgetrokken, en met succes. Misschien dat zoiets voor klinische psychologie ook moet gebeuren.”
Maar zulke samenwerking is toch juist het tegendeel van een eigen profiel scheppen?“Nee, samenwerken hoort erbij. Je vangt elkaar geen vliegen af. Ik stel me zo voor dat de onderwijsinstellingen in pakweg Zuid-Holland eens rond de tafel gaan zitten en samen afspreken wie welke opleiding gaat aanbieden, zodat er een mooi complementair aanbod ontstaat. En als het helpt, moeten ze hun krachten bundelen.”
Wat verwacht u van het komende kabinet?“Dat het advies van Veerman in het regeerakkoord wordt opgenomen. De nieuwe minister van OCW moet vanaf de eerste dag beseffen: ‘Ik ben de regisseur van deze beweging.’ En natuurlijk moet het nieuwe kabinet ook investeren in het hoger onderwijs. De helft van alle jongeren gaat naar hbo of universiteit. Dat verdient alle aandacht.”
Is het makkelijker om geld te krijgen, nu de miljarden voor de banken en Griekenland in het rond vliegen? We raken gewend aan grote bedragen. Een miljard meer of minder…
“Dat geloof ik niet. De miljarden rollen in Den Haag niet zomaar over tafel. Er zijn trouwens wel miljarden die we uitgeven zonder het in de gaten te hebben. Zo had niemand zich gerealiseerd hoe duur de kinderopvang zou worden en ook in de medische zorg rijzen de kosten snel. Maar eigenlijk hoort het hoger onderwijs helemaal niet in dat rijtje thuis. Je moet het niet zien als bekostigen, maar als investeren. Nederland heeft niets anders dan onderwijs en onderzoek om in de toekomst de welvaart mee binnen te halen. Denemarken heeft het onderzoeksbudget verdubbeld. In Duitsland en Frankrijk komen er vele miljarden bij. China doet het al tien jaar. Singapore, Maleisië, Japan…”
Maar zoals Jan Jacob van Dijk van het CDA zegt: geld is niet hetzelfde als kwaliteit.“En hij heeft gelijk. De prestatiecultuur is ook belangrijk: hebben mensen zin om uit te blinken? Kijk maar naar de university colleges, waar geen slimmere studenten naartoe gaan, maar waar ze wel hard willen studeren. Daarom praten we net als Veerman eerst over de vorm en de inhoud, en dan pas over het geld. Maar dat neemt niet weg dat we momenteel per student steeds minder geld kunnen besteden en dat je dat uiteindelijk merkt.”
Comments are closed.