Opinion

Nogmaals het ongelijk van Rijlaarsdam

Naar aanleiding van de nota ‘Beleid inzake intellectuele eigendomsrechten’ meldde de heer Rijlaarsdam in de Delta van 17 februari 1994 dat deze nota geen juridische basis had.

Het uitgangspunt van de nota was dat de rechten op octrooi zouden toekomen aan de universiteit. Het college van bestuur baseerde dit standpunt onder meer op wat in de praktijk (het bedrijfsleven) gebruikelijk was. Eerder dit najaar hebben Rijlaarsdam en ik in deze kolommen hierover reeds gedebatteerd.

Onlangs is het standpunt van het cvb in de Rijksoctrooiwet 1995 (ROW) verankerd. De octrooirechten komen toe aan de universiteit en niet aan de medewerkers. Ten aanzien van octrooirechten van studenten die deelnemen aan onderzoek heeft deze wet niets geregeld. Het cvb heeft bij de formulering van zijn standpunt gekeken naar het belang van de universiteit, de praktijk, maar ook naar de geest van de ROW.

Tegen de achtergrond van het complex van de door de universiteit te dienen belangen (inclusief die van haar financiers en die van de bij haar werkzame wetenschappers en dergelijke) is niet vol te houden dat de universiteit studenten de mogelijkheid moet bieden met zeer waardevolle kennis aan de haal te gaan. Alleen al gegeven dit uitgangspunt is het noodzakelijk om met studenten van te voren afspraken te maken. Deze afspraken zijn helder en voorkomen dat er achteraf problemen ontstaan. Om deze afspraken te zien als zijnde wettelijk ongeoorloofde toelatingseisen is overdreven.

Voor de inwerkingtreding van de ROW was het gebruikelijk dat een bedrijf afspraken maakte met de student ten aanzien van intellectuele eigendomsrechten, waarbij de student eigenlijk bij voorbaat verklaarde van zijn rechten afstand te doen. Indien de student en het bedrijf niet tot overeenstemming kwamen moest de student een andere stageplaats zoeken. Was hier ook sprake van ongeoorloofde toelatingseisen? Zie de huidige ROW waarin dit principe is vastgelegd.
Expliciet

De wetgever heeft expliciet bepaald dat studenten die een opleiding volgen bij een bedrijf geen aanspraak kunnen maken op octrooirechten. Een analoge toepassing van deze wet betekent dat een student die meewerkt aan een onderzoek binnen de universiteit in principe ook werkzaamheden ‘in het kader van zijn opleiding’ verricht. Nu dit niet bij wet geregeld is moet, net zoals vroeger bij stages gebeurde, een afspraak met de student worden gemaakt.

Daarbij claimt de universiteit de rechten niet op basis van het feit dat de universiteit ook de rechten van haar medewerkers bezit. De universiteit claimt de rechten van de studenten op grond van het feit dat de wetgever de universiteiten een aparte plaats heeft gegeven en daarmee erkent dat uitvindingen gedaan door medewerkers van een universiteit uitsluitend gedaan kunnen worden door aanwending van de aanwezige kennis en niet te vergeten faciliteiten. Deze kennis wil de universiteit beschermen ook ten aanzien van studenten.

Tevens zou ik willen opmerken dat het aanstellen van medewerkers voor het doen van ‘onderzoek’ niet betekent dat de universiteit haar medewerkers aanstelt voor het doen van uitvindingen, zoals de heer Rijlaarsdam suggereert.

Zoals eerder gesteld zou deze analoge toepassing kunnen betekenen dat studenten eventueel recht kunnen hebben op een billijke vergoeding. Dat de heer Rijlaarsdam dit ‘schot voor open doel’ aangrijpt om de nota op ditpunt onzorgvuldig te noemen is te snel geoordeeld, immers nu ten aanzien van de billijke vergoeding niets is geregeld is het aan de studenten om, bijvoorbeeld bij de ondertekening van de verklaring of bij de aanvraag van een octrooi, hier met de universiteit afspraken over te maken.
Bestrijden

Tot slot wil ik bestrijden dat de nota in strijd is met de ROW omdat in deze wet een bepaling zou staan dat medewerkers niet bij voorbaat afstand zouden mogen doen van octrooirechten door middel van een verklaring. In de ROW is duidelijk gesteld dat werkgever en werknemer te allen tijde anders kunnen afspreken dan in de wet is bepaald. ,,Nietig, onwettig, onzorgvuldig en geen wettelijke basis” zijn mijns inziens in dit verband kwalificaties van de zijde van Rijlaarsdam die niet overtuigen.

Naar aanleiding van de nota ‘Beleid inzake intellectuele eigendomsrechten’ meldde de heer Rijlaarsdam in de Delta van 17 februari 1994 dat deze nota geen juridische basis had. Het uitgangspunt van de nota was dat de rechten op octrooi zouden toekomen aan de universiteit. Het college van bestuur baseerde dit standpunt onder meer op wat in de praktijk (het bedrijfsleven) gebruikelijk was. Eerder dit najaar hebben Rijlaarsdam en ik in deze kolommen hierover reeds gedebatteerd.

Onlangs is het standpunt van het cvb in de Rijksoctrooiwet 1995 (ROW) verankerd. De octrooirechten komen toe aan de universiteit en niet aan de medewerkers. Ten aanzien van octrooirechten van studenten die deelnemen aan onderzoek heeft deze wet niets geregeld. Het cvb heeft bij de formulering van zijn standpunt gekeken naar het belang van de universiteit, de praktijk, maar ook naar de geest van de ROW.

Tegen de achtergrond van het complex van de door de universiteit te dienen belangen (inclusief die van haar financiers en die van de bij haar werkzame wetenschappers en dergelijke) is niet vol te houden dat de universiteit studenten de mogelijkheid moet bieden met zeer waardevolle kennis aan de haal te gaan. Alleen al gegeven dit uitgangspunt is het noodzakelijk om met studenten van te voren afspraken te maken. Deze afspraken zijn helder en voorkomen dat er achteraf problemen ontstaan. Om deze afspraken te zien als zijnde wettelijk ongeoorloofde toelatingseisen is overdreven.

Voor de inwerkingtreding van de ROW was het gebruikelijk dat een bedrijf afspraken maakte met de student ten aanzien van intellectuele eigendomsrechten, waarbij de student eigenlijk bij voorbaat verklaarde van zijn rechten afstand te doen. Indien de student en het bedrijf niet tot overeenstemming kwamen moest de student een andere stageplaats zoeken. Was hier ook sprake van ongeoorloofde toelatingseisen? Zie de huidige ROW waarin dit principe is vastgelegd.
Expliciet

De wetgever heeft expliciet bepaald dat studenten die een opleiding volgen bij een bedrijf geen aanspraak kunnen maken op octrooirechten. Een analoge toepassing van deze wet betekent dat een student die meewerkt aan een onderzoek binnen de universiteit in principe ook werkzaamheden ‘in het kader van zijn opleiding’ verricht. Nu dit niet bij wet geregeld is moet, net zoals vroeger bij stages gebeurde, een afspraak met de student worden gemaakt.

Daarbij claimt de universiteit de rechten niet op basis van het feit dat de universiteit ook de rechten van haar medewerkers bezit. De universiteit claimt de rechten van de studenten op grond van het feit dat de wetgever de universiteiten een aparte plaats heeft gegeven en daarmee erkent dat uitvindingen gedaan door medewerkers van een universiteit uitsluitend gedaan kunnen worden door aanwending van de aanwezige kennis en niet te vergeten faciliteiten. Deze kennis wil de universiteit beschermen ook ten aanzien van studenten.

Tevens zou ik willen opmerken dat het aanstellen van medewerkers voor het doen van ‘onderzoek’ niet betekent dat de universiteit haar medewerkers aanstelt voor het doen van uitvindingen, zoals de heer Rijlaarsdam suggereert.

Zoals eerder gesteld zou deze analoge toepassing kunnen betekenen dat studenten eventueel recht kunnen hebben op een billijke vergoeding. Dat de heer Rijlaarsdam dit ‘schot voor open doel’ aangrijpt om de nota op ditpunt onzorgvuldig te noemen is te snel geoordeeld, immers nu ten aanzien van de billijke vergoeding niets is geregeld is het aan de studenten om, bijvoorbeeld bij de ondertekening van de verklaring of bij de aanvraag van een octrooi, hier met de universiteit afspraken over te maken.
Bestrijden

Tot slot wil ik bestrijden dat de nota in strijd is met de ROW omdat in deze wet een bepaling zou staan dat medewerkers niet bij voorbaat afstand zouden mogen doen van octrooirechten door middel van een verklaring. In de ROW is duidelijk gesteld dat werkgever en werknemer te allen tijde anders kunnen afspreken dan in de wet is bepaald. ,,Nietig, onwettig, onzorgvuldig en geen wettelijke basis” zijn mijns inziens in dit verband kwalificaties van de zijde van Rijlaarsdam die niet overtuigen.

Editor Redactie

Do you have a question or comment about this article?

delta@tudelft.nl

Comments are closed.