Opinion

Files oplossen

Willemijn Dicke en Vincent Marchau noteren de meningen op het Elsevier Technologie debat over files. De enige oplossing lijkt de kilometerheffing.

Soms mopperen wetenschappers, ook u. Als het over uw onderzoeksterrein gaat, vindt u dat politici maar weinig kennis van zaken hebben. Bovendien zoeken ze de oplossing voor het probleem (files, stijgende zeespiegel, noem maar op) in de verkeerde hoek. Als ze de feiten toch eens zouden kennen, verzucht u.

Daarin willen we verandering brengen. TU Delft, weekblad Elsevier en Campus Den Haag organiseren een debatreeks waarin onderzoekers van de TU in discussie gaan met politici en ondernemers. De eerste bijeenkomst vond afgelopen maandag plaats en ging over de vraag: Hoe lossen we de files op? Enkele file-feiten:

  • In de periode juli 2008-juni 2009 werd ongeveer negen procent van de totale reistijd met vertraging afgelegd.
  • In de periode 2000-2008 is het totale reistijdverlies door files en vertraagde afwikkeling op het hoofdwegennet met 55 procent gestegen.
  • Files en vertragingen kosten tussen 2,8 en 3,6 miljard euro.

Files zijn dus een probleem. Hoogleraar transport & logistics Bert van Wee denkt niet dat meer asfalt zal helpen: de beschikbaarheid van rijstroken roept ook meer vraag op. Mensen die eerst niet met de auto gingen, besluiten om dat nu wel te doen. En als dan nóg meer wegen worden aangelegd, liggen de kosten hoger dan de baten. Hij citeert verschillende onderzoeken. Het enige wat significant helpt tegen files is de kilometerheffing.

Politici reageren verdeeld op deze wetenschappelijke onderzoeken. Charlie Aptroot, Tweede Kamerlid van de VVD, houdt zijn mantra de hele middag vol: Meer asfalt is het enige wat helpt. Bert van Wee werpt tegen dat uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat mensen bereid zijn hun reiskeuzes aan te passen als gevolg van sterk gedifferentieerde vormen van kilometerheffing. Hierdoor kunnen files drastisch afnemen. Maar Aptroot gaat niet inhoudelijk in op dit punt. Hij zegt dat kilometerheffing niet werkt.

Arno Bonte, gemeenteraadslid voor GroenLinks in Rotterdam, kiest voor een andere veelgehoorde oplossing van de files: hij wil automobilisten ‘verleiden’ om te kiezen voor het openbaar vervoer. Misschien krijg je wel twintig tot dertig procent van de automobilisten zo ver om over te stappen. Van Wee nuanceert dit: uit onderzoek blijkt dat het merendeel van de automobilisten nooit de auto opgeeft, al maak je het openbaar vervoer gratis.

August Mesker, vervoersspecialist van VNO-NCW, is voor beprijzing van gebruik. Maar de politiek is niet zo handig geweest. Psychologisch gezien moet je het geen heffing noemen, want dan gaan de hakken in het zand. Bij alle andere diensten heet het ‘daluren’ en ‘daltarieven.’ In die ‘kortingssfeer’ zou je ook de beprijzing moeten trekken. Hij stelt één voorwaarde aan de invoering van kilometerheffing: het geld moet allemaal ten goede komen aan de wegen.
Elsevier-journalist Simon Rozen-daal peilt de meningen in de zaal, die vrijwel louter uit mannen bestaat. Hen gaat de file aan het hart. Velen hebben thuis de oplossing allang uitgetekend en staan nu te popelen om hun gouden file idee wereldkundig te maken. Zo zou de werkdag van ambtenaren pas om tien uur moeten beginnen; dat zou een geweldige spreiding betekenen. Een ander oppert dat verkeerslichten vervangen moeten worden door verkeersregelaars.

Een derde snapt niet waarom het met files niet zo gaat als met hotelreserveringen: je mag alleen op de weg rijden als je daarvoor hebt gereserveerd. En zo gaat nog even door. Bert van Wee nuanceert en informeert. Aan het einde van het debat
merken de mannen met hun al te gemakkelijke file-oplossingen dat het niet zo eenvoudig is als zij op verjaardagen verkondigen. Nu de politici nog.

Vincent Marchau en Willemijn Dicke, faculteit Techniek, Bestuur en Management, TU Delft 

Vincent Marchau en Willemijn Dicke organiseren de Elsevier Technologie debatten. Het volgende debat vindt plaats op maandag 26 april en zal gaan over het wassende water, met professor Han Vrijling. Voor informatie en aanmeldingen: info@campusdenhaag.nl

Wie is Willemijn Dicke?
Het is nog een werk in uitvoering, maar vooruit: Willemijn Dicke (Delft, 1970) wil wel iets vertellen over haar tweede roman, die zich weer grotendeels in haar woonplaats Rotterdam afspeelt. “Hoogopgeleide ouders stoppen hun dochter op een zwarte middelbare school. Een beetje uit schuldgevoel, omdat ze in een witte wijk wonen, afgeschermd van de problemen van de stad. Hun dochter neemt hen die beslissing zeer kwalijk.” Het verhaal is tot op bepaalde hoogte autobiografisch. De zoon en dochter van Dicke en haar echtgenoot zitten op een zwarte basisschool. “Een initiatief van autochtone ouders om zulke scholen meer gemengd te maken. Sommige mensen reageerden verontwaardigd: wat voor sociaal experiment haal jij uit met je kinderen?”
In 1995 promoveerde Dicke als beleidswetenschapper in Nijmegen. Ze werkte onder meer voor de Wereldbank. Dicke was projectleider van ‘Sturen op Infrastructuren’ (2008), een geruchtmakend rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. De boodschap: als het publieke belang niet beter wordt beschermd, kan de infrastructuur voor wegen, water en energie in gevaar komen. Geen pleidooi voor het terugdraaien van privatisering, wel een waarschuwing tegen te ver doorgevoerde marktwerking.
Als schrijver werd Dicke ontdekt via haar weblog Louterlog. Voor Mea werkte ze al aan twee romans, maar die vond ze uiteindelijk te autobiografisch. “Mea kon ik schaamteloze dingen laten denken en doen, zonder dat ik persoonlijk ter verantwoording kon worden geroepen.”

Is ‘Mea’ een sleutelroman?
“Ik heb drie vrouwelijke universitaire hoofddocenten die ik ken samengevoegd tot Mea. Veel andere karakters in het boek komen één op één in de werkelijkheid voor.”

Maar je gaat hier niet verklappen wie wie is?
“Nee, dat puzzeltje laat ik aan de lezer.”

Herkennen mensen zich in een personage?
“Nog niet. Toen mijn collega’s hoorden dat ik dit boek aan het schrijven was, wilden ze allemaal weten: kom ik er ook in voor? Nu het boek uit is, zeggen mensen die zelf model hebben gestaan voor bepaalde personages: goh, ik herken eigenlijk niemand. Anderen kunnen het puzzeltje precies invullen en geven bij ieder personage de juiste naam.”

De arrogante Axel Gravensmeer is gebaseerd op een wetenschapper die je kent?
“Oh ja!”

Net als hoogleraar Ruud de Schepper, door Mea gediagnosticeerd als ‘klinisch megalomaan’?
“Ja. Veel mensen zien ook meteen wie ik daar beschreven heb. In werkelijkheid is deze hoogleraar nog erger, maar op aanraden van de redacteur heb ik sommige passages geschrapt. Dat hij na een vergadering de aanwezige vrouwelijke ud’s vroeg even de kopjes op te ruimen, dat was nauwelijks geloofwaardig meer, ook is het echt gebeurd.”

Mea is meer dan een satirische schets van het academische milieu. Het gaat ook over ouder worden, over de vluchtigheid van digitale vriendschappen, over de moeizame relaties van Mea. Veel thema’s…
“Voor zo’n dun boek, bedoel je? (lacht) Misschien gaat Mea wel in de eerste plaats over de ‘tweede-golf-feministen’ die in de jaren zeventig en tachtig met een hoop ideologische wind in de rug op bepaalde posities terecht kwamen waar ze niet altijd thuis hoorden. En daar zitten ze nog steeds. Ook als ze inmiddels ondermaats presteren en verzuurd en verhard zijn. In de Nederlandse politicologie en bestuurskunde ben ik zulke vrouwen vaak tegengekomen. Ze hebben zich na hun vijfendertigste niet meer verder ontwikkeld en hun enige streven is om hoger op de academische ladder te eindigen. Hoe voorkom je dat je zo weinig gracieus oud wordt in je werk? Met die gedachte ben ik Mea gaan schrijven.”

Als schrijver zit je dan wel een jaar lang opgescheept met een babyboomer from hell als hoofdpersonage.
“Toen ik aan het boek begon, had ik een hekel aan haar. Dat begon tijdens het schrijven te veranderen. Uiteindelijk dacht ik: toch wel een stoer wijf. Mea heeft altijd alles in haar eentje moeten doen. Zo makkelijk was dat allemaal niet! (lacht)”

Het personage heeft je verrast?
“Ja. De verzuurde vrouw die zich voortdurend op regeltjes en reglementen beroept, blijkt ook leuke kanten te hebben. In de kroeg beleeft ze iets wat dichtbij ware vriendschap komt. En uiteindelijk krijgt ze een normalere relatie met haar dochter.”

De lezer ziet de personages door Mea’s ogen. Vertekent haar satirische blik de werkelijkheid?
“Het boek is in de zij-vorm geschreven, maar de camera rust inderdaad op Mea’s schouders. Zij heeft alleen oog voor de dingen die haar niet aanstaan: het vinexwijkje, de obsessie met gezond leven, de truttigheid. De dochter laat ik tijdens een ruzie tegen Mea zeggen: jij verheerlijkt dat bohémienleven, maar je hebt geen oog voor de dingen die wij goed doen.”

Mea is gedesillusioneerd geraakt – hoe komt dat?
“Ze loopt al te lang rond op dezelfde plek. Ze ziet al die negatieve dingen waar je de eerste vijf jaar nog geen oog voor hebt. En ze is aan het plafond van haar intellectuele capaciteiten gekomen. Dat beseft ze ook heel goed.”

Niet bang dat je mensen die dromen van een academische loopbaan afschrikt met je boek?
“Wat ik in Mea beschrijf, is niet typisch voor de universiteit. Lezers die bij een denktank of ministerie of gemeente werken, vertellen me dat het boek ook over hun organisatie had kunnen gaan. Ze herkennen het gekonkel, het haantjesgedrag, de saaie vergaderingen. Het zijn verschijnselen die horen bij elke bureaucratische organisatie.”

Ik kan me voorstellen dat mensen die een verheven beeld van de universiteit hebben tegen je zeggen: hoe kun je in je boek zo cynisch zijn?
“Laatst vroeg een mevrouw van de Erasmus Universiteit me na afloop van een vergadering of ik haar exemplaar van Mea wilde signeren. ‘Maar’, zei ze, ‘ik wil wel weten: hoe ben je ertoe gekomen om zo gedesillusioneerd en zo leeg over de universiteit te schrijven?’ Het had die vrouw echt geraakt dat ik het instituut universiteit zo had neergezet.”

Wat heb je tegen haar gezegd?
“Dat ik niet blind ben voor de goede kanten, maar dat ik de onplezierige aspecten nu eenmaal óók zie. Natuurlijk zijn er excellente onderzoekers die veel plezier hebben in hun vak. Maar in elke faculteit heb je een clubje dat er te lang zit. Mensen voor wie de baan een gouden kooi is geworden, waar ze eigenschappen hebben gekweekt die nergens anders getolereerd zouden worden.”

Neem je ontslag als Mea een succes wordt?
“Ik kan niet vijf dagen achter een bureau zitten. Ik moet ergens mijn verhalen vandaan halen. Als je boeken schrijft, ben je de hele tijd bezig iets uit het niets te kneden. Soms is dat heel bevredigend, maar het kan ook lastig zijn. Daarom is het prettig om ook werk te hebben waarbij je af en toe mensen moet bellen, waarbij je tevreden over jezelf kan zijn na een drukke werkdag. Maar de neiging van Mea om het belang van haar eigen onderzoek te relativeren, heb ik ook wel een beetje.”

Heb je het idee dat je onderzoek zinvol is?
“Het onderzoek dat ik doe – over liberalisering en privatisering en wat je dan moet om de ‘publieke waarden’ te behouden – vind ik hartstikke leuk en wil ik graag blijven doen. Maar het produceren om het produceren is onbevredigend. Het systeem om wetenschappelijke kwaliteit te meten gaat nu veranderen, maar de afgelopen tien jaar is uitsluitend naar de output gekeken. Hoe meer, hoe beter. Iedereen gaat dan zijn onderzoek in deelpublicaties opknippen. En niemand leest die tijdschriften. Ik krijg meer reacties op mijn column in Delta of op een ingezonden brief in NRC Handelsblad dan op een prachtig artikel in een obscuur internationaal wetenschappelijk tijdschrift.”

Hoeveel artistieke vrijheid kreeg je van je uitgever?
“Uiteindelijk is het natuurlijk mijn boek. Maar als beginnend schrijver vond ik het fijn om veel te sparren met de uitgever en de redacteur. En omdat er pas veertig pagina’s lagen op het moment dat ik een contract kreeg, werd het verhaal gaandeweg becommentarieerd. Op een gegeven moment zei de uitgever: het boek dreigt een beetje saai te worden, kan er niemand dood of zo? (lacht)”

Dacht je nooit: blijf van mijn boek af?
“Soms wel. Maar als drie redacteuren onafhankelijk van elkaar zeggen: deze passage snap ik niet, dan ben ik geneigd hun advies te volgen. Bij andere dingen heb ik juist gezegd: nee, dit wil ik zo in het boek hebben. De beginzin, bijvoorbeeld. ‘Met het derde glas champagne staat Mea van Os als alcoholistische muurbloem in de hoek van de grote hal.’ De redacteur had ‘alcoholistische’ geschrapt – Mea’s drankzucht wordt later in het verhaal wel duidelijk, redeneerde zij. Maar ik wilde in die eerste zin meteen duidelijk maken wie Mea was.”

Wat vind je van de omslag van Mea? Het is een waar feest voor liefhebbers van bloemetjesbehang.
“Tja, met die omslag ben ik het niet eens. De eerste versie had ik al afgekeurd. Je zag een jonge, slanke vrouw een beetje meditatief in de Italiaanse zon liggen. Het boek begint namelijk in Milaan. Maar dat beeld paste helemaal niet bij Mea! Deze omslag was het óók niet, naar mijn gevoel, maar de uitgever was er tevreden over. Ik begrijp wel dat je een omslag moet maken die verkoopt. Zelf had ik werk van schilders als Egon Schiele en Lucian Freud in het hoofd. Dat past bij de meedogenloze manier waarop Mea naar haar aftakelende lichaam kijkt. Of een foto uit de jaren dertig van Brecht-vertolkster Lotte Lenya. Maar volgens de uitgever zou niemand een boek met zo’n omslag kopen. Ik heb dat advies gevolgd, maar was wel teleurgesteld. Inmiddels begreep ik van andere Nederlandse debutanten dat niemand gelukkig is met de omslag van zijn boek (lacht).”

Editor Redactie

Do you have a question or comment about this article?

delta@tudelft.nl

Comments are closed.