Campus

Fax van verre

Scheikunde-student Bas Wilschut, ook wel bekend als illustrator van Delta, loopt stage in Berlijn. Hij stuurde een geschreven cartoon van zijn impressies.

br />
Om niet de volle acht jaar in Delft te hoeven zijn studeer ik af in Berlijn. En eigenlijk is Berlijn net Delft in het groot, alleen heet alles anders. De V heet hier Hardenberg, de Tango heet hier Taggeles, Kurk is Zosh, de TU Delft heet hier TU Berlin, de C1000 heet hier Kaiser, bier heet Bier, pils heet Pils, Köhler verhuurt hier zijn busjes, Ajax heet hier Bayern, Belgen zijn Oostenrijkers, shoarma heet hier dönner en met deze basisbegrippen kom je in Berlijn een heel eind.

Er is ook een Tanthof. Het heet Lichtenberg en daar woon ik. Goed, niet een centrum van gezelligheid, maar het kost niets (150 mark) en de S-bahn, die me in een half uur bij de TU afzet, stopt op één minuut lopen. Je kan het in Delft slechter treffen. Ik zit daar met zo’n tweehonderd studenten van de Humboldt universiteit. Allemaal Ossies, van de voormalige DDR dus. Waar ik voor mijn vertrek over grapte bleek waar. Er zit géén knop op m’n verwarming; een mankement dat nog voortkomt uit een verouderd gelijkheidsprincipe. Maar er wordt hard gestookt en dat kost niks, dus dat is leuk.

Er zijn hier drie universiteiten. De TU, de Freie en de Humboldt. De gemiddelde Berlijnse student is niet zo conservatief. Vijftig jaar geleden hebben de universiteiten hier met een iets te groot enthousiasme meegewerkt aan iets waaraan men natuurlijk helemaal niet herinnerd hoeft te worden, en sindsdien is een erg groot politiek besef gaan groeien onder de studenten en medewerkers van de universiteiten. Een gesprek over studentenverenigingen levert dan ook steevast een vies gezicht op, met een verwijzing naar een of ander sekte-achtig clubje idioten die zichzelf een snee in het gezicht sabelen. Leuk zo’n herkenningsteken. Wij hebben een das.

De café’s zijn hier zeven dagen in de week tot vijf uur of later open. Dit zijn, tenminste in de interessantere gebieden in Berlijn, een soort kraakpanden waaraan men van buiten niet kan zien dat het café’s zijn. Binnen is het vaak een bedompte gemoedelijkheid. Vriendelijke barmannen met verweerde koppen (waarschijnlijk nog van het hakken in de muur) tappen met veel zorg en liefde een grote bier van ‘t vat. Dit duurt gewoon tien minuten en dat is niet erg, dat is leuk. Zo’n halve liter kost dan vier mark en dat went. Na een week sla je zo’n glas net zo snel weg als zo’n lullig fluitje, zoals tegenwoordig helaas ook in de Tango wordt getapt. Al gauw ben je dan afhankelijk van het nachtbussensysteem, maar de buschauffeurs hier zijn altijd in voor een praatje. (,,Nee, nicht von Amsterdam!”)

Koffie drinken ze hier één op één met melk. En humor hebben ze wel, alleen het duurt een tijdje (vijf bier). Maar dan geht het ook loos: ,,De vierde aggregatietoestand van water? Hollandse tomaten.”

Scheikunde-student Bas Wilschut, ook wel bekend als illustrator van Delta, loopt stage in Berlijn. Hij stuurde een geschreven cartoon van zijn impressies.

Om niet de volle acht jaar in Delft te hoeven zijn studeer ik af in Berlijn. En eigenlijk is Berlijn net Delft in het groot, alleen heet alles anders. De V heet hier Hardenberg, de Tango heet hier Taggeles, Kurk is Zosh, de TU Delft heet hier TU Berlin, de C1000 heet hier Kaiser, bier heet Bier, pils heet Pils, Köhler verhuurt hier zijn busjes, Ajax heet hier Bayern, Belgen zijn Oostenrijkers, shoarma heet hier dönner en met deze basisbegrippen kom je in Berlijn een heel eind.

Er is ook een Tanthof. Het heet Lichtenberg en daar woon ik. Goed, niet een centrum van gezelligheid, maar het kost niets (150 mark) en de S-bahn, die me in een half uur bij de TU afzet, stopt op één minuut lopen. Je kan het in Delft slechter treffen. Ik zit daar met zo’n tweehonderd studenten van de Humboldt universiteit. Allemaal Ossies, van de voormalige DDR dus. Waar ik voor mijn vertrek over grapte bleek waar. Er zit géén knop op m’n verwarming; een mankement dat nog voortkomt uit een verouderd gelijkheidsprincipe. Maar er wordt hard gestookt en dat kost niks, dus dat is leuk.

Er zijn hier drie universiteiten. De TU, de Freie en de Humboldt. De gemiddelde Berlijnse student is niet zo conservatief. Vijftig jaar geleden hebben de universiteiten hier met een iets te groot enthousiasme meegewerkt aan iets waaraan men natuurlijk helemaal niet herinnerd hoeft te worden, en sindsdien is een erg groot politiek besef gaan groeien onder de studenten en medewerkers van de universiteiten. Een gesprek over studentenverenigingen levert dan ook steevast een vies gezicht op, met een verwijzing naar een of ander sekte-achtig clubje idioten die zichzelf een snee in het gezicht sabelen. Leuk zo’n herkenningsteken. Wij hebben een das.

De café’s zijn hier zeven dagen in de week tot vijf uur of later open. Dit zijn, tenminste in de interessantere gebieden in Berlijn, een soort kraakpanden waaraan men van buiten niet kan zien dat het café’s zijn. Binnen is het vaak een bedompte gemoedelijkheid. Vriendelijke barmannen met verweerde koppen (waarschijnlijk nog van het hakken in de muur) tappen met veel zorg en liefde een grote bier van ‘t vat. Dit duurt gewoon tien minuten en dat is niet erg, dat is leuk. Zo’n halve liter kost dan vier mark en dat went. Na een week sla je zo’n glas net zo snel weg als zo’n lullig fluitje, zoals tegenwoordig helaas ook in de Tango wordt getapt. Al gauw ben je dan afhankelijk van het nachtbussensysteem, maar de buschauffeurs hier zijn altijd in voor een praatje. (,,Nee, nicht von Amsterdam!”)

Koffie drinken ze hier één op één met melk. En humor hebben ze wel, alleen het duurt een tijdje (vijf bier). Maar dan geht het ook loos: ,,De vierde aggregatietoestand van water? Hollandse tomaten.”

Editor Redactie

Do you have a question or comment about this article?

delta@tudelft.nl

Comments are closed.