Campus

Studenten voor de klas

Biertjes tappen of vakken vullen zijn veel voorkomende studentenbaantjes. Maar je kunt ook op middelbare scholen werken als persoonlijke assistent voor de leraar (Pal).

In klaslokalen waar de M&M’s soms door de lucht vliegen, geven Delftse studenten bijles, helpen bij practica of verzorgen zelf lessen.

Dinsdagochtend tijdens het eerste lesuur gaapt Jeroen Gelton (16) uitgebreid. De 5vwo’er wrijft de slaap uit zijn ogen en rekt zich nog eens extra goed uit. Voor hem ligt een handboek scheikunde. Hij kijkt naar de opgaven over cis-trans-isomerie. “Je moet altijd naar de dubbele bindingen kijken om te bepalen of het cis- of transisomeren zijn”, zegt Evelien van Winsen (21). Achter haar hangt een poster van fel oplichtende lippen met de tekst ‘chemie=lust’.
Gelton en zijn klasgenote Imke Singeling (16) buigen zich over de voorbeelden. Stap voor stap doorlopen ze de opgaven met Van Winsen. Vlak voor de bel van tweede lesuur klinkt, lost Singeling zonder problemen een lastige opgave op. “Nu snap ik het eindelijk”, zegt ze opgelucht.

Evelien van Winsen studeert bouwkunde in Delft, maar acht uur per week is ze leraar op het Emmauscollege in de Rotterdamse deelgemeente Prins Alexander. Deze dinsdagochtend is de docent ziek en vangt ze scholieren op die extra uitleg willen. “De leraar heeft soms maar weinig tijd voor je”, zegt Singeling. “Deze uitleg was heel persoonlijk, dan kun je direct vragen stellen en dat is heel fijn. Normaal gaat het voor mij vaak te snel.”

Juist voor die scholieren huurt het Emmauscollege Van Winsen in. Zij ondersteunt bètadocenten als persoonlijk assistent voor de leraar (Pal). Scholieren met vragen kunnen voor bijlessen bij haar terecht. Daarnaast assisteert ze docenten bijvoorbeeld bij scheikunde practica en helpt ze scholieren op gang met profielwerkstukken. “Sinds kort hebben ze hier smartboards, digitale schoolborden waarmee je ook filmpjes kunt laten zien tijdens de les. Een docente op leeftijd had filmpjes, die het rondpompen van bloed door het hart stap voor stap tonen, op internet gevonden. Maar ze wist niet hoe ze die in haar presentatie moest krijgen. Ik heb dat voor haar uitgezocht”, zegt Van Winsen.

Magnetisme
In totaal werken momenteel meer dan zeventig TU-studenten als Pal-student. Ze zijn kriskras verspreid over middelbare scholen in de buurt van Delft. De Nationale Denktank 2007 bedacht dit initiatief om docenten te ontlasten van de zware werkdruk. Het wordt sinds begin dit jaar toegepast. Detacheringsbureau Bètawijs bemiddelt in opdracht van de TU Delft tussen middelbare scholen en Delftse studenten. Het bedrijf verzorgt ook didactische trainingen voor de studenten.

Naast Van Winsen werkt ook vierdejaars luchtvaart- en ruimtevaarttechniek Ferdi Kaynar (22) op het Emmauscollege als Pal-student. “Het spreekt mij aan dat ik bij het lesgeven weer veel oude stof ophaal”, zegt hij. “Er kwam net een meisje naar mij toe met vragen over magnetisme. Ze begreep niet goed hoe polen elkaar afstoten. Ik heb toen uitgelegd dat je het kunt vergelijken met een schaatser. Als een schaatser zich afzet tegen een muur, dan gaat hij de andere kant op. Dat begreep ze wel. Een beeldende uitleg sprak haar aan. Ik vind het leuk om met jonge mensen te werken, ze zijn enthousiaster. Maar je moet daar wel wat voor doen. In Delft is de instelling: ‘als je niet wilt, dan is dat jouw probleem en eigen verantwoordelijkheid’. Op een middelbare school is dat anders. Hier moet je alle kinderen er bij betrekken.”

“Ik vind het een goed initiatief dat er Pal-studenten zijn”, zegt natuurkundeleraar Raoul Majewski (34) van het Emmauscollege. “Ze nemen ons werk uit handen. Onlangs gingen ze mee op excursie naar Diergaarde Blijdorp. Daardoor hoefden er minder docenten mee. Ze zijn makkelijk benaderbaar voor scholieren en geven ook goede voorlichting over hun studie. Scholieren krijgen zo een beter beeld van bètastudies aan een universiteit. Begin dit jaar hadden we twee studenten technische scheikunde van de TU Delft. Het niveau van de studenten vind ik goed.”

Stiekem hoopt Majewski de Pal-studenten enthousiast te maken voor het leraarschap. “Dit initiatief is natuurlijk niet bedoeld om zieltjes te winnen. Toch is dat wel een persoonlijk doel van mij, zonder dat ik er veel aan doe. Ik hoop dat de studenten zien dat lesgeven een prachtig vak is. Twaalf jaar lang probeer ik iedere dag weer de verbazing van kinderen te prikkelen. Ik hoop ze een abstracte manier van denken mee te geven. Of ze over twee jaar nog precies weten wat de Wet van Ohm is, vind ik niet zo belangrijk. Het gaat mij erom hoe je scholieren leert over problemen na te denken.”

Of Van Winsen juf wil worden, weet ze nog niet. “Ik twijfel. Onder meer omdat een educatiemaster niet zo goed aansluit op mijn studie bouwkunde. Ik vind het leuk werk. Het enige nadeel is dat ik er op dinsdagochtend vroeg uit moet om bij het eerste lesuur aanwezig te zijn.” Kaynar: “Het lijkt mij te makkelijk om elke dag dingen uit te leggen, die je al weet. Ik denk dat ik liever in het bedrijfsleven aan de slag ga. Dat is veel dynamischer.”

Andere studenten reageren vaak erg verbaasd op de bijbanen van Van Winsen en Kaynar. De twee Pal-studenten proberen hun studiegenoten enthousiast te maken voor hun werk. “Maar je moet het wel serieus nemen”, zegt Kaynar. “Tijdens een voorlichting voor Pal-studenten was er een studente die zei dat ze tijdens het toezicht houden van lessen dingen voor haar studie doet. Waarom doe je dit werk dan? Dan kun je net zo goed receptioniste worden.”

Stoer
Ook op het Wateringse Veld College in Den Haag werken twee TU-studenten. Ze verzorgen sinds begin september de lesreeks ‘Inpakken en Wegwezen’ van acht weken voor de brugklas. Ze geven les in een bijzonder vormgegeven gebouw met veel hoogteverschillen, dat een opvallende rode bol als entree heeft. De school heeft specialisatieprojecten, waar de lessen op dinsdagmiddag van studenten industrieel ontwerpen Benjamin Mul (19) en Nadine Rodewijk (21) onder vallen.

De afgelopen weken lieten ze de brugklassers een melkpak ontwerpen. “Daarin moesten ze iets verpakken dat van henzelf was”, zegt Rodewijk. “We motiveren hen om rare dingen te bedenken. Dat lukt. We zijn verrast door hun vindingrijkheid. Zo was er scholier die een melkpak maakte waar een geurtje uit kwam. Een andere brugklasser bedacht een melkpak met muziek erin. Per pak kon je kiezen welke muziek je wilde horen: klassiek, hiphop of pop. Dat bedachten ze in twee weken tijd. Een bijdehante scholier vroeg zelfs waarom wij vijf jaar over onze IO-studie doen, als zij dit al zo snel kunnen bedenken.”
De nieuwe opdracht van Rodewijk en Mul voor hun scholieren is het bedenken van een verpakking voor iets dat ze heel mooi vinden. Tijdens de uitleg van Mul over hoe je een ontwerpplan maakt, draait een meisje met een paardenstaart zich om en kletst met de achterbuurvrouw. “Even opletten dames”, zegt Rodewijk snel. Vliegensvlug draait het meisje weer om. Mul geeft als voorbeeld een eigen verpakkingsontwerp van zwarte spijkerstof voor een tekentablet. “Stoer!” roept een jongen met stekeltjeshaar.

Mul instrueert de brugklassers een ‘heleboel ideeën’ te bedenken en er vervolgens drie uit te kiezen om tot het uiteindelijke ontwerp te komen. Een meisje in een felroze trui steekt haar hand op. “Ik wil het graag voor een hond maken.” “Dat kan toch niet! Maak dan maar een hondenkist”, lacht een van de brugklassers gemeen. Het meisje kijkt beteuterd. Even dreigt het uit de hand te lopen. Maar Mul neemt snel het initiatief over. “Natuurlijk kan dat wel. Je kunt ook een verpakking maken voor bijvoorbeeld hondenbrokken.”
Al snel weten de brugklassers waar ze hun verpakking voor willen maken. Ze zitten in groepjes aan tafels. Een groepje giebelende meisjes wil verpakkingen maken voor mascara, oogschaduw en lipgloss. “Zo, is dit de make-up tafel meiden?”, vraagt Rodewijk retorisch. Dominique Valk (12) wil een doos voor een handbal ontwerpen. “Want die zien er altijd zo lelijk uit.” Ze trekt een vies gezicht. “Als de verpakking mooi is, denk ik dat mensen veel sneller een handbal kopen.”

Valk, lang blond haar en cowboylaarzen, zegt het ‘heel leuk’ te vinden dat ze les krijgt in industrieel ontwerpen. “Ik vind het fijn om creatief bezig te zijn. Ze laten je heel vrij.” Dat ze les krijgt van studenten vindt ze niet vreemd. “Ze helpen goed. Ik vind het fijn dat ze meer onze taal spreken dan oudere docenten. Daardoor begrijp ik sneller wat ze bedoelen.”

Mul en Rodewijk houden opvallend goed orde in de klas. Wie te hard praat wordt op een vriendelijke manier terechtgewezen. Ze motiveren een meisje dat geen zin heeft door steeds maar vragen te blijven stellen over wat ze mooi vindt aan producten en hoe stevig verpakkingen moeten zijn. Met succes: aan het eind van de les heeft zij de meeste ontwerpen gemaakt, die ze trots omhoog houdt. Uiteraard kunnen de IO-studenten niet overal tegelijkertijd zijn, want scholieren die achter in de klas stiekem M&M’s overgooien merken ze niet op.

Na de les zijn de twee studenten uitgeput. “Dat was weer een zware les”, zegt Rodewijk. Maar juist de interactie met de kinderen spreekt haar zo aan in deze bijbaan. “Ik probeer scholieren mijn kennis door te geven”, zegt ze. “Dat maakt dit werk zo veel interessanter dan achter de bar staan. Dat lijkt me ook heel gezellig, maar daar worden ik en de mensen die aan de bar hangen niets wijzer van.”

WIE IS KEES KAAN?
Kees Kaan is sinds 1987 mede-eigenaar van architectenbureau ‘Claus en Kaan Architecten’ en heeft een achtergrond als docent in de architectuur. Sinds 2006 is hij praktijkhoogleraar architectuur bij Bouwkunde. Daarvoor was hij sinds 1993 als gastdocent verbonden aan de TU. Buiten de TU doceerde hij onder andere aan de Academies van Bouwkunst in Rotterdam en Amsterdam. Bij Claus en Kaan werkte hij aan enkele prestigieuze projecten, zoals het nieuwe gebouw voor het Nederlands Forensisch Instituut, de Nederlandse ambassade in Mozambique en het ontwerp voor het havengebied Euromed in Marseille. Kaan ontving ook diverse architectonische prijzen. Onlangs won zijn team de ontwerpwedstrijd voor een nieuwe wijk van Barcelona.

Hoe gaat zo’n internationale prijsvraag in z’n werk?
“De regionale bestuursorganen van Barcelona schreven samen een internationale stedenbouwkundige prijsvraag uit en selecteerden tien teams, op basis van cv’s en referenties. Na de eerste selectie kregen die tien teams een briefing en met die informatie ging iedereen aan de slag. Dat was een paar maanden werk. Het resultaat was een plan dat anoniem werd ingediend en daarna besliste een jury wie de uiteindelijke winnaars waren.”

Kunt u wat over uw plan vertellen?
“Het gebied waar het om gaat ligt naast Barcelona en boven El Prat, bij het gelijknamige vliegveld. De druk vanuit de metropool op dat gebied is enorm. Wij hebben voorgesteld om de snelweg die vanaf het vliegveld komt, ondergronds te maken. Hij loopt dan onder een groot park door, dat een beetje het kernstuk is van ons voorstel. Aan de overkant van het park stellen we een grote woonwijk voor en naast het park komt een wijk met grote panden, kantoren en (sport)voorzieningen.”

Maar het park is dus het belangrijkste?
“Ja. Het wordt een park voor de nieuwe en oude bewoners van El Prat. Die laatsten kunnen straks zo vanuit hun wijk het park inlopen. Het park wordt groot genoeg om ook iets te bieden aan de inwoners van Barcelona, aan de andere kant van de Llobregat-rivier. Er komen twee metrostations, zodat ze het park eenvoudig bereiken. Het park wordt een bijzondere ruimte. We willen er veel voorzieningen in stoppen. Dat je bij wijze van spreke een paard kunt huren om het landschap te verkennen. Verder planten we grote bomen in het midden van het park. We graven daar ook wat grond weg, zodat het een soort dal wordt. De wortels van de bomen kunnen dan beter bij het grondwater. In de rand van dat dal kunnen we voorzieningen aanbrengen die vanuit de stadsdelen niet zichtbaar zijn. Het park moet de identiteit van de wijk bepalen. Ook is het het verbindende element tussen de twee stadsdelen.”

Hoe zullen die stadsdelen eruit zien?
“In het stedelijke gebied, dat we ‘de spiegel’ noemen, wordt de straat de belangrijkste open ruimte. Het is een grid met een stratenpatroon, een beetje zoals in het huidige El Prat ook al het geval is. In het andere deel komen de grote voorzieningen. De grove gebouwen waar duizenden vierkante meters voor nodig zijn. Daar ontleent het gebied dan ook zijn eigenheid aan.”

Zo’n groot project lijkt wel wat op een moeilijke puzzel. Wat was het eerste stukje dat u legde?
“Mijn eerste wandeling door het gebied was met onze bioloog, een echte Catalaan. Hij sprak enthousiast over de vruchtbare grond, pakte wat in z’n handen, wreef het tussen zijn vingers, rook eraan en riep: ‘Ik zou dit wel willen eten!’ Door zijn enthousiasme zag ik een geweldig park voor me. Daarna ben ik gaan zitten voor een eerste schets. Ik zag direct voor me hoe je vanaf het vliegveld de stad inkomt en dan langs een mooie boulevard rijdt, aan de rand van het park. Een beetje grandeur. En vanuit dat beeld ben ik gaan puzzelen. Dan komen alle praktische aspecten en de exacte indeling. Maar dat eerste gevoel, het originele idee, dat kwam door de wandeling met die gek, die bioloog.”

Op welke projecten van uw bureau bent u echt trots?
“We hebben de Nederlandse ambassade ontworpen in Mozambique. Dat deden we op een Nederlandse manier, maar gebruikmakend van lokale materialen. Het gebouw is met mensenhanden gemaakt, wat het een zekere ‘onstrakheid’ geeft. Het was een van de eerste gebouwen daar in de wederopbouwperiode na de burgeroorlog. Tegelijkertijd waren we bezig met het ontwerp van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). De Rijksgebouwendienst was de opdrachtgever en die had een goed pakket van eisen klaarliggen, inclusief industriële bouweisen en voorgefabriceerde onderdelen die we daarna alleen nog maar in elkaar hoefden te zetten. Die twee gebouwen hadden een enorm cultureel verschil, maar als je ze naast elkaar legt, blijken ze wel verwant.”

Heeft u een eigen identiteit, zijn uw ontwerpen herkenbaar?“Ons bureau heeft een duidelijke signatuur. Wij geven ruimte aan accenten. Maar: iedere opgave is anders. Zo hebben we voor de Kop van Zuid in Rotterdam een mooi gebouw ontworpen, maar we weten nog niet wie de uiteindelijke gebruikers zijn. De belangrijkste vraag is dan: wat kun je aan de stad toevoegen? Dat levert goede confectie.
Het NFI-gebouw is een maatpak. Je gaat dan vragen stellen als: wat is de identiteit van dit instituut? Dat zijn andere belangen. Dat zou kunnen leiden tot totaal verschillende gebouwen, maar over de jaren heen blijkt ons oeuvre best veel samenhang te vertonen.”

Een van uw uitspraken is dat je als architect niet kunt ontwerpen, maar alleen kunt bouwen. Wat bedoelt u daarmee?
“Laat ik vooraf duidelijk zijn: natuurlijk moeten architecten ontwerpen. Maar met een bouwopdracht anticipeer je ook op de realisatie. Je ontwerpt dan niet voor het discours, als manifest of om een discussie te ontlokken. Dat past niet bij ons. De insteek dat je ontwerpt om te bouwen, geeft ons extra inspiratie. Kijk naar die ambassade: zodra je weet wat er beschikbaar is aan vakmanschap en materialen, ben je bezig in de fysieke realiteit en dat kan je ontwerp positief beïnvloeden. Dat vind ik inspirerend.”

Wat zijn de eigenschappen van een goede architect?
“Veel architecten zijn met zichzelf bezig. Die hebben hun eigen ideeën die ze willen verwezenlijken. Dat levert soms heel bijzondere producten op, maar vaak ook een academische vorm van navelstaren. Die valkuil probeer ik te omzeilen. Ieder project is een eigen verhaal en daar moet iets unieks uit komen. Opdrachtgevers verwachten vaak dat je als architect heel dwingend bent. Maar ik werk liever vanuit het project zelf. Een goede architect moet dat kunnen.”

Loopt u niet het risico dat uw collega’s zeggen: ‘Die Kaan, die heeft geen ideeën’?
“Nee, want dit ís mijn visie. Bouwen is te veelomvattend om het op jezelf te betrekken. Wat we nu bouwen is de spiegel van onze cultuur. De vraag is vaak cultureel of politiek bepaald. Over tien tot twintig jaar is het type opdrachten dat architecten krijgen weer anders. Je werkt altijd in de publieke ruimte. Een grote verantwoordelijkheid. En dat is geen smoesje om een gebrek aan ideeën te verhullen.”

Loopt er nog genoeg talent rond?
“Je komt altijd talent tegen. Niet alleen in Delft, maar ook op mijn eigen bureau. Ik vind alleen dat de nadruk in het onderwijs verkeerd ligt. De TU stimuleert bijvoorbeeld vooral persoonlijke ideeën en meningen. Maar als je talent hebt, komen die ideeën vanzelf wel. Dat hoef je niet dag in dag uit te bewijzen. Het is veel belangrijker om die ideeën te laten ontwikkelen en rijpen. Daar probeer ik in mijn onderwijs veel aandacht aan te besteden. Helaas hebben we in Nederland een cultuur van collectieve verontwaardiging. Je ziet het iedere avond op televisie in de talkshows, waar iedereen over alles een mening heeft. Er is te weinig ruimte voor reflectie, teveel gelul. Dat is in de architectuur ook zo: het mag allemaal wel wat langzamer en meer doordacht.”

Hoe ziet de tijdlijn voor de ontwikkeling van El Prat eruit?“Het kan nog wel twintig jaar duren. Ik ga er over twee weken weer heen om over de planning te praten. Na de zomer beginnen we aan het doorontwikkelen, het verbeteren van de ideeën in onze prijsvraaginzending. Ze moeten uitrijpen. Een aantal dingen behoeft bovendien een lange voorbereidingstijd. Bij het afbreken van een snelweg komt bijvoorbeeld ook een politiek aspect kijken. Dat gaan we de komende maanden bespreken. Ook bekijken we dan hoe veel van het uiteindelijke stadsdeel we zelf ontwerpen en hoe betrokken we blijven bij de uitbesteding van deelprojecten. We zitten in een periode zonder economische druk. Dus als we nu aan het plan werken, dan is alles klaar tegen de tijd dat de economie weer aantrekt.”

Editor Redactie

Do you have a question or comment about this article?

delta@tudelft.nl

Comments are closed.