Campus

‘Sociale wetenschappers kijken anders’

Jenny de Boer kreeg vorige week de UfD Marina van Dammebeurs voor getalenteerde vrouwelijke alumni van de TU Delft. Ze wil de negenduizend euro gebruiken voor een masterstudie culturele antropologie.


Op welke manier is culturele antropologie een aanvulling op je eerdere studie industrieel ontwerpen?

“Een ontwerper onderzoekt hoe hij met een nieuw product of een nieuwe dienst de problemen kan oplossen waar mensen tegenaan lopen. Sociale wetenschappers bekijken hoe die problemen zijn ontstaan. Als ontwerper moet je dat wel een beetje weten, maar ik merk in samenwerking met sociale wetenschappers dat zij echt anders kijken. Ik zou me hun manier heel graag eigen willen maken. Ik werk veel in de ontwikkelingssamenwerkingssector. Mensen in die sector hebben vaak een achtergrond in de sociale of communicatiewetenschappen. Als zij een probleem benaderen, doen ze dat meer vanuit die culturele, menselijke kant.”


Wat kunnen zij wat jij ook zou willen kunnen?

“Toen ik voor mijn stage in India was, merkte ik al dat de mensen daar fundamenteel anders zijn. En nu voor TNO zit ik ook vaak met veel verschillende culturen om tafel. De onderzoeksmethodes die antropologen gebruiken, kunnen mij meer inzicht in en begrip voor andere culturen geven. Het zou mij heel erg helpen om te zorgen dat ik de juiste vragen op de juiste manier stel. Zodat er uiteindelijk meer uit een sessie komt.”


Waar loop je in de praktijk tegenaan?

“Ik werkte in Namibië bijvoorbeeld samen met een mensenrechtenorganisatie, die bij de verkiezingen mobiele telefoons wilde inzetten. Wij moesten eerst uitvinden hoe die mensen samenwerkten. Maar als de baas er was, zeiden de mensen uit het veld niks meer. Hij deed het woord. Het was een grote uitdaging om toch vanuit de werknemers input te krijgen, omdat zij degenen zijn die een eindproduct moeten gebruiken. Je moet je kans grijpen als je even alleen met ze bent. Want de baas zit op een hoger niveau en die mag je niet van zijn voetstuk stoten. Je kunt niet tegen hem zeggen: volgens mij weten je werknemers er meer van. Ik vind het fascinerend om te weten wat daaronder zit en hoe mensen daar er in het dagelijks leven mee omgaan.”


Heeft TNO een ontwikkelingspoot?

“TNO heeft vier jaar geleden het innovation for development-programma opgezet. Hierin probeert TNO samen met Nederlandse en lokale organisaties gezamenlijk nieuwe producten en diensten te ontwikkelen, die mensen met lagere inkomens kunnen en willen aanschaffen en die ook lokaal geproduceerd kunnen worden. We zijn vooral actief in India en Afrika op de vlakken energie, ict, voedsel en gezondheid. Binnen het TNO-thema ‘informatiemaatschappij’ werkt ook een aantal collega’s specifiek aan ict in ontwikkelingssamenwerking. Daarbij ligt de focus op de vraag hoe ict een bijdrage kan leveren aan het oplossen van maatschappelijke problemen. Daar zit ik ook bij.”


Je wilt de studie combineren met je werk. Hoe ga je dat aanpakken?

“Dat moet ik nog uitzoeken, maar ik wil geen sabbatical nemen. Voor mij is het juist heel belangrijk dat ik de theorie meteen in de praktijk kan gaan toepassen.”

De vraag naar studiemaatjes onder studenten met een functiebeperking stijgt licht sinds het project twee jaar geleden begon. Het project is onderdeel van het ‘actieplan terugdringing belemmeringen voor studenten met functiebeperking aan de TU Delft’, waarvan onlangs het eindverslag verscheen.
Dit studiejaar is van ongeveer honderd eerstejaars studenten bekend dat zij een functiebeperking hebben. Dat konden zij vrijwillig aangeven bij hun inschrijving via studielink. Ook konden zij laten weten of zij behoefte hadden aan een studiemaatje. Dat deden tien studenten. Voor hen is in de loop van het jaar een maatje gevonden.

Gemakkelijk was dat niet. Volgens de projectmedewerkers is dat niet vreemd, omdat er binnen de TU geen sociale opleidingen zijn. De redenering is dat studenten die een sociale opleiding volgen vaak studiepunten krijgen voor dit soort activiteiten, of deze in ieder geval op hun CV kunnen zetten.
Toch bleek het geen goed idee studenten uit andere steden als Leiden in Delft in te zetten. Alleen studenten van de eigen faculteit zijn immers volledig op de hoogte van de lokale onderwijsorganisatie.

Studenten met dyslexie vormen de grootste groep studenten met een functiebeperking. Voor hen wordt op dit moment een pilot ingericht om te werken met Kurzweil-software, die hen stukken tekst voorleest. De TU-bibliotheek is van plan op korte termijn studiematerialen te scannen, zodat ze geschikt zijn voor dit programma. Dat zou voor de studenten een uitkomst zijn, aangezien velen nu terugvallen op hun ouders om de teksten voor te lezen.

In 2009 heeft onderzoeksinstituut Risbo een onderzoek gedaan waaruit blijkt dat in Delft 12,3 procent van de studenten een beperking ervaart. Na dyslexie volgen chronische aandoeningen, beperkingen in het uithoudingsvermogen en beperkingen in concentratievermogen als meest genoemde klachten. De universiteit heeft inmiddels een breed scala aan maatregelen genomen om deze studenten zoveel mogelijk ongehinderd te laten studeren.

www.functiebeperking.tudelft.nl

Redacteur Redactie

Heb je een vraag of opmerking over dit artikel?

delta@tudelft.nl

Comments are closed.