Campus

Nanohorror van Michael Crichton

Na ‘Jurassic Park’, waarin hij de biotechnologie liet ontsporen, heeft de Amerikaanse bestsellerauteur Michael Crichton zich geworpen op de nanotechnologie.

/strong>

‘Prey’ is de eerste thriller over nanotechnologie en voor zoiets is Michael Crichton de aangewezen auteur. ’s Werelds best boerende schrijver (geschat jaarinkomen: zeventig miljoen dollar) werkt immers alle trends in wetenschap en technologie af: virologie in ‘The Andromeda strain’, de vliegtuigindustrie in ‘Airframe’ en biotechnologie in het immens succesvolle ‘Jurassic Park’. Met zijn voorlaatste, ‘Timeline’, deed Crichton zelfs een, ietwat mislukte, poging om een roman over kwantummechanica te schrijven.

In Prey (‘Prooi’) neemt Crichton nu de nanotechnologie op de korrel. Een hightech-bedrijf kan in een fabriek ver van de bewoonde wereld als eerste ter wereld op industriële schaal nanopartikeltjes maken. Het zijn kleine robotjes met een rudimentaire intelligentie, die met zijn honderdduizenden samen een zwerm vormen die iets nuttigs doet. Hier gaat het om een nieuwe vorm van medische beeldvorming en, naar later blijkt, ook om een militaire toepassing. Het maken van nanorobotjes is, zoals Crichton uitvoerig uitlegt, een heel moeilijke en volgens velen onmogelijke opgave, maar het bedrijf heeft het toch voor elkaar gekregen dankzij het slim inzetten van genetische manipulatie.

Ondanks allerlei voorzorgsmaatregelen ontsnappen er zwermen van de nanorakkertjes uit de fabriek om zich razendsnel te vermeerderen en te evolueren tot kwaadaardige wolken in mensengedaante, die tot overmaat van ramp niets liever lusten dan mensenvlees. De hoofdpersoon, een tijdelijk op een zijspoor gerangeerde specialist in multi-agent programming uit Silicon Valley, weet zich – door slim gebruik te maken van virussen en hoge magneetvelden – nog maar net staande te houden tussen de nanogeïnfecteerde zombies, onder wie zijn beklagenswaardige echtgenote. Uiteindelijk moet het Pentagon eraan te pas komen om het zaakje definitief onschadelijk te maken.

Stationskiosk

Literatuur kun je het werk van Crichton niet noemen. Zijn boeken worden gerubriceerd onder ‘horror en fantasy’ en lopen beter in de stationskiosk dan bij de academische boekhandel. Zijn stijl is volstrekt eendimensionaal, zijn figuren zijn van bordkarton en zijn dialogen wezenloos.

Wat Crichton wel kan, is een verhaal vertellen: zijn thrillers zijn onverbiddelijke page turners om in één adem uit te lezen. Ondanks de ergernis wil je beslist weten hoe het afloopt, en voor je het weet is het weer half drie in de nacht.

Eigenlijk schrijft Crichton geen romans, maar filmscripts voor Hollywood-blockbusters. Ook Prey zal worden verfilmd; bij Twentieth Century Fox is de productie al in voorbereiding.

De held bij Crichton is ook nu weer een volstrekt onuitstaanbare, politiek correcte wetenschapper die als enige de strijd aangaat tegen een stelletje collega’s bij wie de kolder in de kop is geslagen. De boodschap is: wetenschap, dat is maar linke soep, en wetenschappers zijn niet goed snik. Crichton krijgt dan ook vaak, en tot op zekere hoogte terecht, het verwijt dat hij wetenschap in een kwaad daglicht stelt. Er staat tegenover dat ook het goede van wetenschap komt: Crichtons helden maken bij de bestrijding van al het onheil dat op hun pad komt ook gebruik van wetenschappelijke methoden. Rond Prey is in nanotechnologische kringen eenstevige discussie op gang aan het komen, net zoals dat na Jurassic Park onder de biotechnologen het geval was.

Wat je Crichton moet nageven is dat hij zijn verhalen goed, althans uitvoerig, onderbouwt. Wat hij schrijft is, zoals hij zelf benadrukt, louter fictie maar het is wel gebaseerd op een uitvoerige verkenning van de actuele stand van zaken. Het is sciencefiction, maar met een aanzienlijk hogere dosis science dan in de gebruikelijke verhalen over groene mannetjes en intergalactische oorlogen. Ook in Prey heeft Crichton weer veel educatieve intermezzo’s opgenomen. De scherpslijper ziet dat hij daarin vaak kort door de bocht gaat en ook zijn er zoals altijd wel wat echte fouten aan te wijzen.

Wie Prey afdoet als verwerpelijke en misleidende onzin heeft sterke argumenten. Natuurlijk zou het beter zijn als iedereen verantwoordere informatie over nanotechnologie tot zich zou nemen dan een Hollywood-script. Maar een ding staat vast: na Prey valt nauwelijks vol te houden dat nanotechnologie oninteressant is. En dat is misschien toch meegenomen.

Michael Crichton: ‘Prey’. Harper-Collins, New York 2002. ISBN 00 6621 412 2. 364 p., _ 24,95. De Nederlandse vertaling verschijnt 15 april onder de titel ‘Prooi’ bij Luitingh-Sijthoff, Amsterdam. ISBN 90 245 4801 2, 352 p., e 16,50.

Na ‘Jurassic Park’, waarin hij de biotechnologie liet ontsporen, heeft de Amerikaanse bestsellerauteur Michael Crichton zich geworpen op de nanotechnologie.

‘Prey’ is de eerste thriller over nanotechnologie en voor zoiets is Michael Crichton de aangewezen auteur. ’s Werelds best boerende schrijver (geschat jaarinkomen: zeventig miljoen dollar) werkt immers alle trends in wetenschap en technologie af: virologie in ‘The Andromeda strain’, de vliegtuigindustrie in ‘Airframe’ en biotechnologie in het immens succesvolle ‘Jurassic Park’. Met zijn voorlaatste, ‘Timeline’, deed Crichton zelfs een, ietwat mislukte, poging om een roman over kwantummechanica te schrijven.

In Prey (‘Prooi’) neemt Crichton nu de nanotechnologie op de korrel. Een hightech-bedrijf kan in een fabriek ver van de bewoonde wereld als eerste ter wereld op industriële schaal nanopartikeltjes maken. Het zijn kleine robotjes met een rudimentaire intelligentie, die met zijn honderdduizenden samen een zwerm vormen die iets nuttigs doet. Hier gaat het om een nieuwe vorm van medische beeldvorming en, naar later blijkt, ook om een militaire toepassing. Het maken van nanorobotjes is, zoals Crichton uitvoerig uitlegt, een heel moeilijke en volgens velen onmogelijke opgave, maar het bedrijf heeft het toch voor elkaar gekregen dankzij het slim inzetten van genetische manipulatie.

Ondanks allerlei voorzorgsmaatregelen ontsnappen er zwermen van de nanorakkertjes uit de fabriek om zich razendsnel te vermeerderen en te evolueren tot kwaadaardige wolken in mensengedaante, die tot overmaat van ramp niets liever lusten dan mensenvlees. De hoofdpersoon, een tijdelijk op een zijspoor gerangeerde specialist in multi-agent programming uit Silicon Valley, weet zich – door slim gebruik te maken van virussen en hoge magneetvelden – nog maar net staande te houden tussen de nanogeïnfecteerde zombies, onder wie zijn beklagenswaardige echtgenote. Uiteindelijk moet het Pentagon eraan te pas komen om het zaakje definitief onschadelijk te maken.

Stationskiosk

Literatuur kun je het werk van Crichton niet noemen. Zijn boeken worden gerubriceerd onder ‘horror en fantasy’ en lopen beter in de stationskiosk dan bij de academische boekhandel. Zijn stijl is volstrekt eendimensionaal, zijn figuren zijn van bordkarton en zijn dialogen wezenloos.

Wat Crichton wel kan, is een verhaal vertellen: zijn thrillers zijn onverbiddelijke page turners om in één adem uit te lezen. Ondanks de ergernis wil je beslist weten hoe het afloopt, en voor je het weet is het weer half drie in de nacht.

Eigenlijk schrijft Crichton geen romans, maar filmscripts voor Hollywood-blockbusters. Ook Prey zal worden verfilmd; bij Twentieth Century Fox is de productie al in voorbereiding.

De held bij Crichton is ook nu weer een volstrekt onuitstaanbare, politiek correcte wetenschapper die als enige de strijd aangaat tegen een stelletje collega’s bij wie de kolder in de kop is geslagen. De boodschap is: wetenschap, dat is maar linke soep, en wetenschappers zijn niet goed snik. Crichton krijgt dan ook vaak, en tot op zekere hoogte terecht, het verwijt dat hij wetenschap in een kwaad daglicht stelt. Er staat tegenover dat ook het goede van wetenschap komt: Crichtons helden maken bij de bestrijding van al het onheil dat op hun pad komt ook gebruik van wetenschappelijke methoden. Rond Prey is in nanotechnologische kringen eenstevige discussie op gang aan het komen, net zoals dat na Jurassic Park onder de biotechnologen het geval was.

Wat je Crichton moet nageven is dat hij zijn verhalen goed, althans uitvoerig, onderbouwt. Wat hij schrijft is, zoals hij zelf benadrukt, louter fictie maar het is wel gebaseerd op een uitvoerige verkenning van de actuele stand van zaken. Het is sciencefiction, maar met een aanzienlijk hogere dosis science dan in de gebruikelijke verhalen over groene mannetjes en intergalactische oorlogen. Ook in Prey heeft Crichton weer veel educatieve intermezzo’s opgenomen. De scherpslijper ziet dat hij daarin vaak kort door de bocht gaat en ook zijn er zoals altijd wel wat echte fouten aan te wijzen.

Wie Prey afdoet als verwerpelijke en misleidende onzin heeft sterke argumenten. Natuurlijk zou het beter zijn als iedereen verantwoordere informatie over nanotechnologie tot zich zou nemen dan een Hollywood-script. Maar een ding staat vast: na Prey valt nauwelijks vol te houden dat nanotechnologie oninteressant is. En dat is misschien toch meegenomen.

Michael Crichton: ‘Prey’. Harper-Collins, New York 2002. ISBN 00 6621 412 2. 364 p., _ 24,95. De Nederlandse vertaling verschijnt 15 april onder de titel ‘Prooi’ bij Luitingh-Sijthoff, Amsterdam. ISBN 90 245 4801 2, 352 p., e 16,50.

Redacteur Redactie

Heb je een vraag of opmerking over dit artikel?

delta@tudelft.nl

Comments are closed.