Campus

Havenmeester

Kevin de Boom (21, luchtvaart- en ruimtevaarttechniek) werkt in het weekend in de haven van Strijensas aan het Hollands Diep. Het blijkt net een camping.

“De eigenaren van de haven zijn bevriend met mijn ouders. Ik maakte eens een geintje: ‘Als jullie nog iemand zoeken…’ Veel kans dacht ik niet te hebben, omdat het een vrij klein bedrijf is met bovendien erg verantwoordelijk werk. Belden ze uiteindelijk toch: ‘Zou je bij ons willen komen deze zomer?’ Ruim drie jaar geleden ben ik er begonnen. Nu werk ik het hele jaar door, behalve in december en januari.”

“Zo’n haven met boten kun je vergelijken met mensen die met hun caravan bij een camping aankomen. We werken met rode en groene bordjes bij de ligplaatsen, zodat ze zelf een plekje kunnen uitzoeken. Iedereen die aanlegt, moet zich melden bij het havenkantoor. Uiteraard om te betalen, maar vaak zijn er ook vragen of probleempjes. Bijvoorbeeld waar de stroom te vinden is. En er is een kampwinkeltje met spullen voor de boot. Vooral in het voorjaar is het daar druk.”

“De meeste gasten zijn relaxt, maar soms is dat niet het geval. ‘Die boot naast me zit onder de spinnen. Die komen allemaal naar míj toe’, hoor je regelmatig. Het is niet dat iemand bang voor spinnen is, maar de poep die ze achterlaten geeft zwarte puntjes. Wat dat betreft heb je als havenmeester een controlerende taak. In dit geval om de eigen boot schoon te houden. Maar ook als iemand gaat slijpen. Dat geeft behalve geluid, vooral stof op andere boten.”
“Bij ons komen zeil- en motorboten. Ik vergelijk het wel eens met skiërs en snowboarders. Ze hebben allebei hun eigen koers. Soms is er irritatie. Als een motorboot hoge golven maakt of niet van zijn lijn afwijkt, waardoor de zeilboot van richting moet veranderen. Toch zie bij ons weinig stereotiepe figuren. Ook geen aangeschoten studenten die een boot slopen. Wat dat betreft heb ik altijd medelijden met zo’n havenmeester tijdens de Sneekweek. De enige schade die ik me kan herinneren was bij een boot, waar de eigenaar ter bescherming een donkere laag antifouling aan de onderzijde aanbracht. Had ie op een gegeven moment drie van de vier steunpunten losgedraaid, waardoor de boot omviel. Die was dus total loss.”

Bijbaan: Havenmeester
Verdiensten: €8,15 per uur
Opvallend: Mag gratis gebruik maken van een boot van een van de gasten.

Prof.dr.ir. Michel van Tooren van de afdeling design of air- and rotorcraft van L&R ziet weinig in het plan van de vliegtuigbouwers. “Het ziet er stoer uit, zo’n morphing winglet, maar meestal heb je er niets aan.”
Er bestaan volgens de hoogleraar veel misverstanden over winglets. “Het is waar dat ze de turbulentie aan de vleugeltips verminderen. Maar de turbulentie neemt nog meer af als je de vleugel langer maakt. Dus als je de winglet helemaal plat zou kunnen leggen, is dat voordeliger.”
Het is wel slim om winglets te plaatsen op bestaande vliegtuigen, want de vleugels van die toestellen kun je niet langer maken, redeneert de vleugelexpert. “Maar als je toch een nieuw vliegtuig ontwikkelt, geef hem dan langere en slankere vleugels in plaats van winglets.”
Alleen de A380 zou volgens Van Tooren buigbare vleugeltips kunnen gebruiken. Dat toestel heeft een spanwijdte van maar liefst tachtig meter. Dat is de maximale grootte die op vliegvelden is toegestaan. Dat toestel kan dus alleen met langere vleugels uitgerust worden als hij ze op het vliegveld een stukje kan ombuigen. Als kleinere vliegtuigen toch uitgerust worden met buigbare vleugeltips heeft dit maar één voordeel: ze worden minder door elkaar geschud bij ruig weer.
De methode die Boeing aandraagt om de tips te morphen – door middel van geheugenmetalen – noemt Van Tooren een ‘Doctor Snuggles-methode’. “Die metalen nemen bij verschillende temperaturen een andere vorm aan. Vijftien jaar geleden was dat een hype. Maar het werkt maar een paar keer. Bovendien moeten vliegtuigen rekening houden met buitentemperaturen variërend tussen de 72 en de min 50 graden Celsius. Ik ben benieuwd hoe ze dat willen oplossen.” 
“Ze moeten de vleugeltips draaien”, adviseert hoogleraar aerospace structures prof.dr. Zafer Gürdal (Luchtvaart- en Ruimtevaarttechniek). In zijn vorige baan op Virginia Tech deed hij al onderzoek naar vormveranderende structuren, en bij zijn verhuizing naar de TU heeft hij dat onderzoek aangehouden. Afgelopen jaar deed zijn groep een demonstratie met een ‘morphing’ vleugel op een modelvliegtuigje. Niet de vleugeltips bewogen, maar de hele vleugel draaide om de lengteas. Een scharnierende vleugeltip spreekt Gürdal niet zo aan – ze zouden de tip moeten laten draaien om de as. Dat vereist natuurlijk wel een ingewikkelder mechanisme. Op- en neer bewegen van de tip kan het best met een elektrisch aangedreven schroefdraad, maar morphing vraagt om geavanceerdere zaken als piëzo-elektrische materialen die onder elektrische spanning vervormen.
Heeft de bewegende vleugel de toekomst? “Och, er zijn heel wat dingen verzonnen in de loop van de tijd”, beschouwt Gürdal. “Als een oplossing praktisch werkt, neemt iedereen het over. Meer vérgaande ideeën sterven vaak een natuurlijke dood, of worden in een heel ander onderzoeksgebied gebruikt. Je weet nooit hoe het loopt. Ik stimuleer mijn studenten in elk geval om met nieuwe ideeën te blijven komen.” 

Redacteur Redactie

Heb je een vraag of opmerking over dit artikel?

delta@tudelft.nl

Comments are closed.