Pleidooi voor vrije wetenschap

Martijn van Calmthout, Jelle Reumer, ‘Nobel op de kaart, Op zoek naar de Nederlandse Nobelprijswinnaars van vroeger en nu’. 240 blz, Uitgeverij Lias, 2014, €19,95.
Martijn van Calmthout, Jelle Reumer, ‘Nobel op de kaart, Op zoek naar de Nederlandse Nobelprijswinnaars van vroeger en nu’. 240 blz, Uitgeverij Lias, 2014, €19,95.

Noem eens drie Nederlandse Nobelprijswinnaars. Nee, niet spieken op je smartphone, gewoon even in het geheugen graven. De auteurs van het boek 'Nobel op de kaart' gaan ervan uit dat de meeste Nederlanders niet verder komen dan Tinbergen of Lorentz. Maar voor de meesten zijn Kamerlingh Onnes of Van der Waals of hooguit bekend als straatnamen.

Aanleiding voor wetenschapsjournalist Martijn van Calmthout (Volkskrant) en conservator Jelle Reumer (Natuurhistorisch Museum Rotterdam) om in samenwerking met de KNAW alle 21 Nederlandse Nobelprijswinnaars sinds 1901 in een boek samen te brengen: een instituut en twintig heren van wie er twee Delftse wortels hebben: Jacobus van 't Hoff (scheikunde, 1901) en Simon van der Meer (natuurkunde, 1984).

Dankzij de levendige schrijfstijl en een geoefend oog voor anekdotes en absurditeiten is deze beknopte geschiedenis van de belangrijkste wetenschapsprijs minder encyclopedisch dan je misschien zou denken. Wist je bijvoorbeeld dat de Haagse familie Tinbergen twee Nobelprijswinnaars heeft opgeleverd? Niko Tinbergen is legendarisch geworden vanwege zijn observaties van diergedrag en het evolutionaire belang daarvan. Hij ontving de prijs voor geneeskunde in 1973. Zijn broer Jan Tinbergen studeerde wis- en natuurkunde, en ontving in 1969 de Nobelprijs voor de economie voor zijn wiskundige modellen van economische processen. Hij wordt gezien als grondlegger van de econometrie. Zijn sobere en sociale achtergrond leeft nog voort in de Tinbergennorm: de verhouding tussen het hoogste en het laagste inkomen binnen een bedrijf mag niet groter dan vijf zijn. De beste man zou zich in zijn graf omdraaien als hij de huidige salarissen kende.

Een mooie anekdote uit de Nobelgeschiedenis speelt zich af in Leiden rond 1905. Tegelijkertijd en in hetzelfde gebouw werkten daar Heike Kamerlingh Onnes (aan het vloeibaar maken van helium) en Willem Einthoven (uitvinder van het elektrocardiogram). Einthoven moest een ultragevoelige stroommeter (galvanometer) ontwikkelen waarvan de minuscule beweging van de meetdraad alleen met een microscoop vastgesteld kon worden. In het aanpalende laboratorium stonden ondertussen de zware compressiepompen te stampen voor de koeling die Kamerlingh Onnes nodig had. Dat leidde wel eens tot wrevel tussen de professoren.

De verhalen laten zien hoe verschillend, wispelturig onvoorspelbaar de wegen zijn die naar een Nobelprijs leiden. De een wordt geboren in een intellectueel milieu, de ander begint als zoon van een kok en een kelner (Paul Crutzen, chemie). Wat de winnaars bindt is dat ze het lef hebben gehad hun eigen belangstelling te volgen. En, voegt KNAW-voorzitter Hans

Clevers er aan toe, dat ze werkten in een periode dat er meer ruimte was dan nu voor nieuwsgierigheidsgedreven onderzoek. Tijdens zulk vrijdagmiddagonderzoek kwamen Andre Geim en Konstantin Novoselov op het spoor van grafeen waar nu zoveel van verwacht wordt. Clevers pleit derhalve voor herwaardering van 'vrije' wetenschap.